Pterocarya fraxinifolia, de vleugelnoot

Kaukasische of gewone vleugelnoot is een boom, die het beste als solitair in een grote tuin uitkomt. In parken zie je de boom meestal als solitair, maar je kunt er ook een indrukwekkende laan mee maken. De boom wordt 20 tot 25 meter hoog.

Karakteristiek voor vleugelnoot is de veelarmigheid van de kroon

De naam van vleugelnoot heeft te maken met twee vleugels waartussen de vrucht zit.

Vleugelnoot vormt een dicht bladerdak. Het nadeel is dat onder de boom weinig wil groeien. Een ander nadeel is dat de boom met regelmaat worteluitlopers vormt. Her en der verschijnen dan kleine ‘boompjes’ op de worteluitlopers.

Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) komt uit de Kaukasus en Armenië. Hoe ouder de boom wordt, des te meer kurklijsten komen er op de stam en takken.
Andere vleugelnoten zijn: Chineese vleugelnoot (Pterocarya stenoptera) en Japanse vleugelnoot (Pterocarya rhoifolia). Beide soorten zijn in Nederland onvoldoende winterhard. Pterocarya behoort tot de familie van de okkernoten (Juglandaceae) en is dus een stamgenoot van onder andere de walnoot.

 
Blad van vleugelnoot staat in paren Knoppen van vleugelnoot hebben geen knopschubben. Ze zijn bezet met sterharen

Blad

Karakteristiek voor vleugelnoot zijn de lange stelen (25 – 40 cm) met daaraan de jukken met bladparen. Aan het einde van de steel staat één blad haaks op de jukken. Het blad is aan de rand fijn gezaagd. Aan de onderzijde van het blad zijn de bladhoeken bezet met sterharen. Het blad is in de zomer donker olijfgroen, in de herfst goudgeel gekleurd.

Knoppen

Nieuwe knoppen zijn bruin. Ze staan verspreid op de takken en stengels. Al in het najaar zijn de knoppen goed te zien. Dit maakt de toekomstige uitlopers kwetsbaar voor vorst. De knoppen zijn naakt en worden licht beschermd door een dichte tooi van bruine sterharen.

  Vrucht van vleugelnoot heeft vleugels
Vruchten van vleugelnoot hangen in lange slierten overal in het rond Van dichtbij is duidelijk de ronde vrucht (noot) met vleugels te zien

Vrucht

In mei bloeit de boom met kleine citroengeel gekleurde bloemen. De bloemen hangen in trossen als katjes verspreid door de hele boom. Daarna zwellen de trossen op, de vruchten worden zichtbaar en krijgen vleugels rondom de noten. De vleugels zijn bijna even lang als breed en soms wel een centimeter dik. Bij hevige storm waait de gevleugelde noot van de tros af of waait de tros in z’n geheel van de boom.

Onderhoud

Verwijder zo snel mogelijk alle opslag op worteluitlopers. Hoe langer je daarmee wacht, des te meer opslag komt er boven de grond. Verwijder de opslag zo diep mogelijk; het beste is tot op de worteluitloper(s).

Snoeien

Snoeien uitsluitend aan het einde van de winter. Snoeien in de herfst veroorzaakt verdroging van bast (cambium) en merg en leidt tot scheuren. Een eventuele snoeibeurt kan het beste worden uitgevoerd als de kans op (nacht)vorst voorbij is. Vleugelnoot is en blijft gevoelig voor vorst. Snoeien is alleen nodig om laag hangende takken te verwijderen. Takken die de grond raken, kunnen in de grond gaan wortelen. Bij oude bomen worden knoppen, die de kans op de vorming van nieuwe laag hangende takken groot maken, van de stam afgewreven.

Quercus ilex, de steeneik

Hoewel de steeneik vooral in landen rond de Middellandse Zee voorkomt, kan hij als kleine boom of struik redelijk goed worden gebruikt in noordelijker streken en dan vooral in de kustgebieden. Als jonge boom is hij wel vorstgevoelig.

Steeneik (Quercus ilex) in een maquisbegroeiing

Op oudere leeftijd kan een temperatuur van -9 tot -12,5 °C worden verdragen.

De steeneik (Quercus ilex) is in gebieden, waar hij van nature voorkomt, vooral te vinden op droge grond, die kalkrijk is. Daar worden het kolossale bomen met een breed eironde kroon. Tot vijfentwintig meter hoog of meer worden ze daar. De steeneik komt voor in zo genoemde hardloofbossen (Durisilvae). Als struik is de steeneik ook aan te treffen in bosschages (maquis) en verruigte gebieden. Een mooie (onder)vegetatie van Quercus ilex met Pinus pinea is te vinden in de bossen van Migliarino (Italië). Door het hulstachtige blad (vandaar de tweede naam), dat scherp getand is, vormen de struiken een haast ondoordringbare hindernis in het landschap.
Oude bomen hebben naast getand blad ook gaafrandige bladen. Normaal zijn de bladen twee tot acht centimeter lang, leerachtig, glimmend en eirond tot lancetvormig van vorm. De onderzijde van het blad is witachtig bepoederd.

Bloeiwijze van de steeneik

Een steeneik is groenblijvend. De fraaie bloei en de eikels zijn de moeite waard om te worden gezien.

Een steeneik (Fagaceae) bloeit omstreeks mei met goudgele, manlijke katjes. Vrouwelijke bloemen zijn groenachtig en onopvallend. Na de bevruchting verschijnen vrij lange, één tot twee centimter grote eivormige eikels aan de jonge geelviltige twijgen van de boom of struik.
De steeneik is bijzonder goed bestand tegen wind en in het bijzonder zeewind. Een steeneik moet in ons klimaat op een beschutte plaats worden geplant. Kalkrijke klei- en zandgrond komt in aanmerking. De eerste jaren moet de boom/struik tegen vorst worden beschermd. Daarom moeten we de steeneik in onze contreien maar beschouwen als een exoot.

Hardloofbossen

Voor de bossen op aarde worden classificatiesystemen aangehouden. Naar het systeem van Brockmann-Jerosch en Rübel is in het Durisilvae xerophytisch en sclerophytisch (droogte) bos aan te treffen. Kenmerkend is, dat er altijd blad aan bomen en struiken zit. Deze bossen zijn in gematigd warme gebieden te vinden, waarin zowel een wintertemperatuur alsook een zomertemperatuur is te onderscheiden. Xerophytisch bos is onder andere te vinden in het Middellandse-Zeegebied. Ecologisch overeenkomstige vegetaties zijn onder meer te vinden in de maquis rondom de Middellandse Zee, de chapparal in Californië en in de ‘scrub’-vegetatiegebieden van Zuid-Afrika.

Pyrus calleryana ‘Chanticleer’, de sierpeer

Een peer hebben we allemaal wel eens zien bloeien. Sierpeer in bloei is één en al bloesem vergeleken bij de matige hoeveelheid bloemen die een gewone peer voortbrengt. Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ is een prima straatboom en goed te gebruiken als solitair in een middelgrote tuin.

Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ (Rosaceae) is een half groenblijvende boom uit China.

Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ bloeit einde maart tot halverwege april

Het is een boom uit het dertig soorten tellende geslacht. Deze boom groeit met een vaasvormig opgaande kroon. De uiteindelijke hoogte ligt tussen tien tot achttien meter. De bladen zijn breed elliptisch en glimmend groen. In de herfst kleuren de bladen prachtig van magentarood naar oranje en geel. De boom is uitstekend bestand tegen hitte, droogte en felle wind. Daarom is het een geliefde straatboom en zonder meer geschikt als solitair in de tuin. Deze sierpeer heeft geen last van ziekten,

Pyrus heeft vijftallige bloemen

die in het algemeen kunnen voorkomen op perenrassen, zoals schurft.

De bloei begint omstreeks half maart.Takken en stengels zijn overdekt met een massa witte bloesem. Tot ongeveer half april lijkt de boom overdekt te zijn met laat gevallen sneeuw. De bloemen hebben vijf kelkblaadjes met in het midden de stamper met meeldraden. Na de bloei verschijnen kleine, bruine, maar niet eetbare vruchten.
Pyrus calleryana heeft weinig snoei nodig. Hooguit worden aan het eind van de winter beschadigde of dode takken verwijderd. Zorg ervoor, dat licht goed in de kroon kan vallen. Snoei zo nodig in de kroon enkele takken weg. Wie deze boom op rij wil planten, houdt een onderlinge afstand van acht à negen meter – hart op hart – aan.

Tamarindus, tamarinde

Tamarindus indica, de tamarinde, is bepaald geen boom, die in ons klimaat zo maar even geplant kan worden. Het is zelfs zeer de vraag of exemplaren gekocht kunnen worden. En wie hem al op de kop kan tikken, zal over een warme kas moeten beschikken. Hoe lyrisch je ook door de tamarinde kan worden, je moet er wel de ruimte voor hebben: een flinke kas van zeker twintig meter hoog.

Tamarinde (Tamarindus indica) in bloei

Kortom, beter is het om de tamarinde maar in de tropen te gaan bekijken. Of je moet bezeten zijn of raken van deze boom… In landen als Egypte, Libië, Syrië en in het verre zuiden van Turkije komt de boom wel eens als straatboom voor. Het is een boom van de eerste grootte, groenblijvend en uiterst langzaam groeiend. Als de boom eenmaal volwassen is, kun je tenminste zeggen: kijk, daar staat een boom. De tamarinde behoort tot de familie van vlinderbloemigen (Fabiflorae), subfamilie Ceasalpiniacea. Tot deze familie behoren onder andere: Cercis (Judasboom), Gymnocladus (doodsbeenderenboom), Cassia (meloenboompje) en Caesalpinia.

Een tamarinde bloeit in warme zomers vanaf begin juni tot einde augustus. Zowel bloem als vrucht kunnen in die periode gelijktijdig aan de boom zitten. De tamarinde is groenblijvend en komt van oorsprong uit het oostelijke gebied van Afrika. Inmiddels komt de boom ook voor in grote delen van Klein-Azië. In Turkije staat de boom soms in tuinen of is daar verwilderd. De boom is geschikt voor alle grondsoorten, behalve zure grond. Als de boom eenmaal goed is aangeslagen,

De vrucht van de tamarinde wordt om zijn eigenschappen geteeld

verdraagt hij lange tijd droogte en in ieder geval de vreselijkste hete zon. Nadeel van de boom is, dat hij door wortelopslag kan gaan woekeren.

De vruchten van de tamarinde bestaan uit zoetig vruchtvlees rond de eigenlijke vrucht of zaden. Van het zoetzure vruchtvlees wordt na koken en zeven een siroop gebrouwen. Uit de siroop wordt vervolgens frisdrank gemaakt. De zoetzure saus is ook een bestanddeel van onder andere Worchestershiresaus, een belangrijk ingrediënt in de Aziatische keuken. De ‘bonen’ zijn aanvankelijk groen, maar verkleuren naar donkerbruin. Tamarindus indica heeft kleine, gele bloemen. Over de kelkbladen lopen kleine, oranje of roodachtige strepen. Naast een gele bloemkleur bestaat er ook een soort met witte bloemen. De bloemen staan in tuilen tussen de bladen. De bladen staan tegenover elkaar langs een dunne, gelige bladstengel. Het blad voelt wat leerachtig aan, een aanpassing ten behoeve van extreem zonlicht en droogte.
Het is echt jammer, dat de tamarinde niet geschikt is voor ons klimaat.

Quercus, de eik

Als er één boom is waarvoor het gezegde ‘boompje groot, plantertje dood’ geldt, dan is dat zonder twijfel de zomereik. Mythen en sagen bestaan er van oudsher rond deze boom. De eik kan een respectabele leeftijd bereiken; driehonderd jaar of meer is geen uitzondering. Juist door deze lange levensduur is de eik een stabiele metgezel van vele mensengeneraties en wordt aan de boom een bovenzinnige en verheerlijkende betekenis toegekend.

  eikenblad
Zomereik (Quercus robur) Blad van zomereik

Rechtspraak vond in de Middeleeuwen plaats onder eikenbomen, vooral in esdorpgemeenschappen. Ook werden eiken geplant op de hoekpunten van een akker om het eigendom te markeren. Plantplicht van eikels of eikenbomen was in sommige boerengemeenschappen in zwang bij huwelijken en vormde een bruidsschat die diende voor de bouw van boerderijen voor de generaties erna. Niet voor niets is het gebint (balkwerk) van oude boerderijen van eikenhout gemaakt. Op schrale zandgronden is de eik steevast onderdeel van het eiken-hakhout-bos. De eiken staken werden vroeger gebruikt om een akker te ‘betuinen’, wat zoveel betekent als het afzetten van de akker tegen de omringende wildernis vooral om ongewenst vraat van wild tegen te gaan.

Misschien hebt u als kind wel eens een eikels verzameld en er met lucifers allerlei dierfiguren van gemaakt. Of – in het kader van het goede doel – eikels verzameld om de (laatste) wilde zijnen in Nederland door de winter heen te helpen. En wie heeft niet eikels geplant en met verbazing gezien dat er zowaar een jong boompje uit te voorschijn kwam? Wellicht steeg uw belangstelling bij het zien van vreemde bruine noten op blad en takken. Later heeft de biologieleraar hopelijk uitgelegd dat hiermee geen koffie kon worden gezet. Maar dat ze wel geschikt waren voor de bereiding van inkt (o.a. Gimborn). Die vreemde bruine noten zijn eikengallen, ontstaan door een galwesp, één van het geslacht Cynipidae. De verandering in het blad of de tak ontstaat door enzymen of hormonen als gevolg van de ‘prik’ van de galwesp. In de gal bevindt zich de voedselvoorraad voor de larve.

  Quercus coccinea
Gallen van de galwesp Blad van Quercus coccinea

Volgroeide eiken zijn zeldzaam geworden in het Nederlandse landschap. Oprukkende steden en schaalvergroting in de landbouw eisen nog steeds hun tol. Voor het bekijken van mooie, oude eiken moet je zo langzamerhand buiten onze landsgrenzen gaan; naar Denemarken, Duitsland of Engeland. Toch staat zo hier en daar op overhoeken of op speciaal ervoor gespaarde plekjes nog wel eens zo’n robuuste eik. In Drenthe en Overijssel zijn er gelukkig nog heel veel van.
Het meest komt in Nederland de zomereik, Quercus robur, voor.

Bast van een volgroeide eik

Het is een bladverliezende boom. In de herfst verkleurt het blad roestbruin. De eik groeit heel traag. Naarmate de leeftijd vordert, krijgt de boom pas z’n kenmerkende uiterlijk: een kwarrige takstructuur en bossige bundels met bladeren. Pas dan ook wordt de stam kolossaal van omvang en is de gegroefde structuur van de bast zo’n opvallend kenmerk, voor wie het wil zien. De hoogte, die kan worden bereikt, is wel 35 meter of meer. De kroonvorm is het beste te omschrijven als een brede, ronde koepel. Bij hoge ouderdom zijn de toptakken vaak kaal; een gaffelvorm in de top ontstaat dan. Deze toptakken zijn dood en doen niet meer mee in het ritme van de opeenvolgende seizoenen. Ondanks dit verschijnsel zal de boom dan nog een eeuwigheid kunnen leven.

Een zwam groeit welig op
rottend hout

Zwammen kunnen te voorschijn komen als de groeikracht van oude eiken minder wordt. Verkeerd afgezaagde takken maken dat de wond toegankelijk wordt voor regenwater. Inrotten van de takwond leidt ertoe dat schimmels de verdere afbraak van de boom inluiden. Soms wordt zo’n schimmelaantasting aan de buitenkant zichtbaar. Bundels schimmeldraden, rizomorfen, vormen een paddestoelachtige zwelling.

Een zomereik is niet geschikt voor een stadstuintje. Op een riante buitenplaats misstaan ze zeker niet en langs een lange oprijlaan naar uw buiten of hofstede evenmin. Beter geschikt voor een tuin is de moeilijk te krijgen Quercus turneri-pseudoturneri. Wie deze groen blijvende eik eenmaal heeft gezien, zal er zeker voor bezwijken. Mocht de zoektocht naar deze eik niet slagen, dan is Quercus robur ‘Fastigiata’ nog net aan de maat voor een stadstuin(tje).
Naast de zomereik zijn we zo rijk om er ook een wintereik, Quercus petraea, op na te houden. Deze soort heeft een hogere temperatuur nodig om vooral ‘mooi’ te worden. In ons kille klimaat groeit de boom knoestig en vervormen de takken door in allerlei richtingen te draaien. De boom wordt desondanks zeker 25 meter hoog.

Andere eikensoorten zijn onder meer de moseik, Quercus cerris, de kurkeik, Quercus suber, de steeneik, Quercus ilex, Quercus coccinea en de Amerikaanse eik, Quercus rubra. De takken met bladeren van de laatste worden in het najaar verwerkt in boeketten met vooral Chrysanthen, omdat ze zo’n opvallend groot en roodbruin gekleurd blad hebben.

Eiken verdienen het om aangeplant te worden, omdat ze zo duurzaam zijn. Bestaande eiken mogen best behoed worden om wat voor ‘boodschap’ dan ook door te geven aan hen die na ons komen.

Robinia margaretta ‘Casque Rouge’

Van Robinia bestaan nogal wat soorten. Er zijn tot hoog in de hemel groeiende bomen onder, bomen die geschikt zijn voor een kleine tot middelgrote tuin en een aantal struiken. Veel mensen kiezen niet voor Robinia. Ze schrikken van de venijnige dorens op takken en stengels.

Robinia margaretta ‘Casque Rouge’ bloeit met bloemen in lange trossen

Toch zijn er genoeg soorten die geen dorens bezitten. Onbekend maakt onbemind: bekend en geliefd is de bolvormig groeiende Robinia (Robinia pseudoacacia ‘Umbraculifera’); minder bekend en nauwelijks bemind is Robinia margaretta ‘Casque Rouge’.

Robinia heet in het Nederlands acacia. Het geslacht is ingedeeld bij de Fabaceae. Van acacia is de gewone acacia (Robinia pseudoacacia) het bekendst. Deze soort groeit graag op steile hellingen en in losse grond. Gewone acacia is dikwijls vanuit de trein te zien, daar waar de spoorbaan diep in het landschap is ingegraven. In juni kun je een bos met gewone acacia al op afstand ruiken. De wit bloeiende struiken of bomen verspreiden een honingzoete geur, iets wat bijen ook weten. Acaciahoning heeft zijn eigen karakteristieke smaak. Gewone acacia wordt een boom tot vijfentwintig meter hoog en is geschikter voor een grote tuin of een groot park. Een volwassen boom heeft een platte schermvormige kroon.

Een meer spectaculaire bloeiwijze heeft Robinia margaretta ‘Casque Rouge’. Deze boom groeit tot negen meter hoog en is door zijn slanke vorm goed te gebruiken in een kleine tuin. Wie eraan denkt zo’n boom aan te schaffen, moet wel beschikken over een tegen wind beschutte standplaats. Deze acacia bloeit in juni met lange, hangende trossen diep rozerode bloemen.

  Kroon van Robinia
Robinia is gevoelig voor wind. Niet zelden is takbreuk daarvan het gevolg Robinia laat door zijn bladstand en kroonvorm mooi diffuus licht door

Alle acaciasoorten moeten worden geplant in arme of schrale grond, die niet rijk is aan voedingsstoffen. Op voedselrijke grond groeien de scheuten te snel. Er worden te zachte scheuten gevormd, die door storm gemakkelijk afbreken. Bovendien zijn de snel gegroeide scheuten gevoelig voor vorst. Bij goed gegroeide scheuten is het kernhout lichtgeel. Zachte scheuten zijn te herkennen aan de witte kleur van het kernhout. Acaciahout is taai en moeilijk te zagen. Plant Robinia margaretta ‘Casque Rouge’ op een tegen wind beschutte plaats op een kalkrijke, zonnige plaats. Takbreuk zal dan niet zo gauw ontstaan. Robinia margaretta heeft niet de zo karakteristieke diep verticaal gegroefde stam als van de gewone acacia. Bij deze acacia is de stam donker zwartbruin en er zijn geen dorens aan de stam of takken. Zoals bij alle acacia’s zijn de bladeren oneven geveerd en lichtgroen. Bij Robinia margaretta ‘Casque Rouge’ loopt het blad uit in een bronsgroene kleur. Later in het seizoen zijn de bladeren lichtgroen. Voor wie teleurgesteld is over de bloei of groei van gouden regen is deze acacia een goed alternatief.

Snoeien

Acacia kan het beste als heel jonge boom worden geplant. Tijdens de ontwikkeling moet de harttak worden gekoesterd tot de boom volwassen is. Concurrerende scheuten van de harttak moeten worden verwijderd. Zorg voor een evenwichtige verdeling van de scheuten rondom de stam. Scheuten die te dicht bij de stam groeien, verwijderen. Voorkom bij het snoeien grote wonden. De acacia is gevoelig voor schimmel en zo’n plek geeft snel weefselrot. Hoe meer je een acacia snoeit, des te meer verticaal groeiende scheuten zich ontwikkelen. Beperk dus het snoeien tot het hoogst noodzakelijke. Volwassen bomen helemaal niet meer snoeien. Verjongingssnoei kan dus niet worden toegepast. Is de boom uit z’n kracht gegroeid of heeft takbreuk de vorm ernstig verminkt, dan is vervanging van de boom de enige oplossing. De in bolvorm groeiende acacia (Robinia pseudoacacia ‘Umbraculifera’) kan beter helemaal niet worden gesnoeid. Laat u bij voorbaat niet ontmoedigen over wat minpuntjes van Robinia. Acacia is een schitterende, maar delicate boom.

Een kruidig ruikende rododendron: Rhododendron nuttallii

Het geslacht Rhododendron is omvangrijk. Meer dan 800 soorten telt het. Er zullen maar weinig mensen zijn, die de weg daarin feilloos weten te vinden. Wij zijn al blij als er een paar soorten zijn te herkennen.

Rhododendron nuttallii wordt
een kleine boom

In het doolhof van nog eens alle variëteiten verdwaal je geheid. Rhododendron nuttallii is echter goed te herkennen, hoewel iemand dacht dat het een soort van Ficus betrof.

Rhododendron nuttallii, met twee t’s, twee ellen en twee i’s, kan een hoge boom worden. Daar gaan dan in ons klimaat tientallen jaren overheen. Op een beschutte plaats groeit de boom fraai uit. Een hoogte van vier tot vijf meter na een jaar of vijftien is goed haalbaar. Kenmerkend zijn de glanzend groene bladen, die tot wel dertig centimeter lang kunnen worden. Het blad heeft een duidelijke hoofdnerf, die in kleur iets afwijkt van het groen van het blad.

Groenblijvend

Rhododendron nuttallii is zeker geen alledaagse boom. Er moet moeite voor gedaan worden om deze soort te kunnen kopen. De boom komt van oorsprong uit de warmere dalen van het Himalayagebergte. De tweede naam – nuttallii – duidt op de licht overhangende takken van de boom. De boom groeit het beste op een humusrijke, goed doorlatende grond in de volle zon. Het is een bladhoudende boom. Het hele jaar is de kroonvorm (habitus) altijd goed zichtbaar.

Bloem

Rhododendron nuttallii bloeit aan het einde van het voorjaar met reusachtige bloemen. De bloem in knop zie je echt niet over het hoofd. Is de bloem eenmaal open, dan zijn er vijf kelkbladen van elk tien tot vijftien centimeter lengte te zien. Centraal staat een bosje witte meeldraden, die aan de top felgeel zijn. De bloem is in open toestand stervormig, iets dat te vergelijken is met de bloei van Magnolia. De bloei vindt plaats als ook het jonge blad uitloopt. Uitlopende bladen zijn in het begin wat roodachtig gekleurd. In de loop van het groeiseizoen worden ze volledig groen. De onderzijde van de bladen is purperbruinpaars van kleur.
Na de bloei is Rhododendron nuttallii vooral mooi na een regenbui. De regeldruppels blijven lange tijd als glinsterende parels op het blad achter.
Deze rododendron hoeft beslist niet te worden gesnoeid.

Salix sepulcralis, treurwilg

In het voorjaar vallen ze het meeste op: de gele tinten in de vorm van bloemen of twijgen. Wie door stad en landschap trekt, wordt regelmatig geconfronteerd met treurwilgen. Treurwilgen zijn er niet alleen als trieste uitdrukking voor een begraafplaats, nee,

Een treurwilg wordt vooral gebruikt om een punt te markeren

ze staan als accenten her en der bij boerderijen, villa’s en buitenhuizen of in parken en plantsoenen. Hun schilderachtige, nimfachtige, zwiepende slierten deinen op de klanken van de brullende wind mee, heen en weer, of hangen statig en roerloos, beschenen door het voorjaarszonnetje.

Er komt geen treurig gevoel over mij heen bij het zien van een treurwilg. Op een

Twijgen van een treurwilg hangen in lange slierten van de takken

begraafplaats krijg je dat gevoel wel. Het is maar net in welke situatie treurwilg is te zien. In parken valt mij op, dat een treurwilg vaak een specifiek punt markeert: een verdraaiing in loop- of zichtlijnen of als accent van een specifieke plaats aan het water. Dikwijls staat zo’n boom ook bij een boerderij, maar ook dan vrijwel altijd in de nabijheid van een sloot of vijver. Een treurwilg en water lijken dan ook altijd aan elkaar gekoppeld te zijn. Behalve door z’n brede specifieke vorm zijn de geelgroen gekleurde twijgen een blikvanger van jewelste.

Een treurwilg plant je natuurlijk in vochtige grond, maar vooral op een plaats waar je iets wil zeggen. Je wilt, dat mensen daar iets zien of kunnen zien. Als jij dat niet doet, maken de kleur en de verschijningsvorm van de boom wel, dat mensen hun blik erop richten of ernaartoe lopen. Een treurwilg is bij uitstek een accentboom met een bijna dichterlijke betekenis.

 
Vroeg in het voorjaar verschijnen katjes en blad van de treurwilg Verminking door snoeien
van een treurwilg

De treurwilg is de meest gekweekte wilg van alle wilgen. Het is wat je noemt een karakterboom. Een volledig uitgegroeide treurwilg wordt tot twintig meter hoog. Vanaf half februari begint de boom uit te lopen. De aanvankelijk geelgroene, lancetvormige bladen worden in de loop van het seizoen diepgroen en hebben een opvallend gele nerf aan de bovenkant van het blad. Met het uitlopen verschijnen de katjes, weinig opvallend vanwege hun identieke kleur met het jonge blad.

Treurwilg snoeien

Om u maar meteen voor fouten te behoeden: snoei een treurwilg niet. Op de foto linksboven is het resultaat te zien van het verkeerd hanteren van de snoeizaag. Kort geen takken in, omdat de boom naar uw smaak te breed uitgegroeid is. Bij inkorten lijkt het resultaat voor eeuwig op een slechte amputatie. Op de plaats van afzagen groeit een pruik. Een ordeloze, maar meer nog hopeloze wirwar van takken. De karakteristieke afhangende lange slierten verdwijnen vrijwel voorgoed.

Beter is het om een tak volledig bij de stam weg te zagen, maar… ‘bezint eer

Laantje met treurwilgen

ge begint’. Kijk goed of de verschijningsvorm (habitus) van de boom niet al te zeer wordt aangetast door het rigoureus verwijderen van één of meer takken. Behandel de zaagwond met boombalsem om inwateren te voorkomen. Wie het balsemen nalaat, kan er zeker van zijn dat de boom zal wegrotten.

De treurwilg behoort tot de familie van de wilgachtigen (Salicaceae). De treurwilg neemt een even belangrijke plaats in als de knotwilg (Salix alba), die een al even architecturale verschijningsvorm heeft.
De (gele) treurwilg luistert naar de prachtige naam Salix sepulcralis ‘Chrysocoma’. De oude naam luidde Salix alba ‘Tristis’, die misschien wat meer tot de verbeelding spreekt. Met de nieuwe naamgeving is de treurwilg ontdaan van een wat al te triest stempel en dat is wat mij betreft prima.

Taxus baccata als zuil, haag of figuur

Taxus komt in Europa van nature voor. In tuinen, bij boerderijen en begraafplaatsen is deze ‘wachter’ veel aangeplant. Bij voorname huizen en kastelen vormen meters hoge hagen de kabinetten, de coulissen van een openluchttheater of het ingewikkelde gangenstelsel van een doolhof.

Taxus baccata ‘Fastigiata’ is een zuilvormige vorm van Taxus

In de oudheid speelde Taxus een rol in religies en maakte men bogen van het bijzonder taaie hout. Om nog maar niet te spreken van de giftige pijlpunten, die ook uit bestanddelen van Taxus werd bereid. Taxus laat zich goed snoeien en vormen en is daarom in het bijzonder geliefd als haag of een in figuur geknipt beeldhouwwerk.

Van Taxus of venijnboom (Taxus baccata) bestaan veel cultuurvariëteiten. Zo zijn er met een opgaande groeiwijze: Taxus baccata ‘Fastigiata’, Taxus baccata ‘Fastigiata Aureomarginata’, ‘Fastigiata Robusta’, ‘Raket’, ‘Standishii’. Met spreidende takken: Taxus baccata ‘Dovastonii’, ‘Dovastonii Aurea’, ‘Overeynderi’, ‘Summergold’. Met korte naalden: Taxus baccata ‘Adpressa’, ‘Adpressa Stricta’. En met gekleurde naalden: Taxus baccata ‘Semperaurea’, ‘Washingtonii’. Daarnaast zijn er nog andere soorten Taxus, die zeer geschikt zijn voor de tuin, zoals Taxus cuspidata (Japanse Taxus) , Taxus cuspidata ‘Nana’, Taxus cuspidata ‘Rustique’, Taxus media, Taxus media ‘Hicksii’ en Taxus media ‘Hillii’.

Een reeks hagen gemaakt van Taxus …geeft een goede omsluiting
van de tuin
 
Een uitstekende achtergrond voor een border; geeft diepte aan wat erachter groeit

Giftig zaad

Taxus behoort tot de familie van de taxusachtigen (Taxaceae). Taxus komt van nature ook voor in Nederlandse bossen. Een enkele keer komt Taxus in beukenbossen voor in de boom- of struiklaag. Taxus staat het liefste op een licht beschaduwde plaats. Ze zijn zeer goed bestand tegen zeer strenge winters. De bomen of struiken van Taxus hebben graag wat kalk in de grond, waarin ze groeien. Die grond moet bovendien licht vochthoudend zijn. Taxus kan enkele honderden jaren oud worden. Jonge bomen zijn kegelvormig. Naarmate ze ouder worden krijgen ze een min of meer ronde kroonvorm. Dikwijls zijn ze meerstammig of hebben een dikke doorlopende stam. De stam heeft een roodbruine kleur en afschilferende bast. De korte bladen zijn donkergroen en staan in rozet bijeen. Taxus is tweehuizig. Er zijn mannelijke en vrouwelijke bomen. De mannelijke bomen dragen beschubde kegels. Vrouwelijke bomen dragen felrode bessen. De rode zaadmantel is niet giftig. Het zaad daarin is echter buitengewoon giftig. Na het wegrotten van de zaadmantel kan Taxus worden gezaaid. In een natuurlijke omstandigheid zaait Taxus zichzelf moeizaam uit.

Hagen

Taxus baccata leent zich goed om perfecte hagen mee te maken. Afhankelijk van

Taxus kan in figuur worden geknipt

de grootte bij aankoop zijn er drie struiken per strekkende meter nodig om een goede sluiting te bereiken. Wie een brede haag wil vormen, plant twee rijen in driehoeksverband. De afstand tussen de rijen bedraagt vijftig centimeter tot één meter. Taxus is een langzame groeier. Wie een haag van Taxus plant, plant deze voor het nageslacht. Een taxushaag wordt meestal maar één keer per jaar in de zomer in vorm geknipt. De uiteindelijke hoogte kan worden ingesteld. Voor een hoge haag zul je jaren en jaren geduld moeten hebben. In kleinere tuinen kunnen met Taxus poefs worden gemaakt in blokvorm of in ronde vorm. Er kan een esthetisch spel mee worden gespeeld door blokken onderling te schakelen en/of in hoogte te laten variëren. Taxus is niet erg gesteld op honden en katten, die ertegen plassen. Scheuten en bladen worden geel en kunnen zelfs afsterven. Taxus moet beslist niet worden gebruikt als omheining van een wei, waarin paarden lopen. Voor paarden is het loof giftig.
Mooie taxusfiguren zijn te bewonderen op het landgoed Twickel bij Delden. Daar staan taxusfiguurbomen van meer dan honderdvijftig jaar oud. Op het landgoed Groot-Engelenburg bij Brummen staan eeuwenoude exemplaren met een omvang van meer dan vijf meter.

Ziekten en plagen

Dopluis – Deze luizen zuigen aan de naalden. Naalden worden dan geel en sterven af. Bestrijding van dopluis moet vroeg in het voorjaar gebeuren. Behandel Taxus met Baythroid-plantenspray of Promanal van ECOstyle.
Mijten – Een enkele keer worden scheuten misvormd of lopen knoppen niet uit of zijn knoppen verdikt. Deze aantasting wordt veroorzaakt door mijten (rondknopziekte). Spuit in dit geval met Spruzit van ECOstyle of knip vroegtijdig aangetaste scheuten af.
Taxuskever (lapsnuittor) – De kever is zwart of bruin van kleur en ca 10 millimeter lang. Ze vreten aan bladen en jonge uitspruitende knoppen. De witte larven brengen schade toe aan wortels. Taxus kan door deze aantasting uiteindelijk afsterven. Soms zijn de kevers al aanwezig bij aanschaf van Taxus. Controleer plantgoed daarop en weiger de koop bij het vermoeden van de aanwezigheid van de taxuskever. De taxuskever is moeilijk te bestrijden met de huidige middelen. Spruzit (ECOstyle) en Decis vloeibaar of Pyrethrum (Bayer/Asef) wil weleens helpen.

Catalpa: de imposante trompetboom

Je kunt je geen mooiere boom voorstellen, die zo uitblinkt in verschijningsvorm, frisgroene of goudgele bladkleur en verrassend mooie bloemen als de trompetboom. Een decoratieve boom of struik, die zich heel gemakkelijk in toom laat houden door snoeien. De hartvormige bladeren kunnen aan de basis wel 20 centimeter breed worden. Laat je de trompetboom uitgroeien, dan kan hij een hoogte bereiken van 15 meter of zelfs meer. Catalpa is bladverliezend. Ze behoren tot de familie van de trompetboomachtigen of Bignoniaceae. Van oorsprong is de boom via Engeland ingevoerd uit China.

  Bloemen van Catalpa bignonioides 'Aurea'
Catalpa bignonioides ‘Aurea’ Bloemen van
C. bignonioides ‘Aurea’

De trompetboom is de laatste tijd (1998 – 2002) wat je noemt in de mode. Dit is niet alleen te danken aan de opvallende verschijningsvorm, maar vooral ook aan de gezondheid, die gewoonweg van het blad afstraalt. Kenmerkend is dat de bladvorming laat op gang komt. Ongeveer vanaf eind april begint de Catalpa uit te lopen. Logisch want dan stijgt ook de temperatuur buiten. Om deze reden is het een prima boom of struik om als jaloezie te dienen: er is nog weinig blad aan als de eerste voorjaarszon weldadig het lijf verwarmt, terwijl in de zomer de felle zon wordt getemperd. Echt een boom/struik om dicht bij het huis in de buurt van de ramen te planten.

Een echte solitair

De trompetboom of catalpa is te koop als boom of struik. In principe zijn er twee "uitvoeringen" verkrijgbaar: de soorten met groene bladeren en met goudgele bladeren. De bladkleur van de groene soorten varieert van donkergroen tot vijgenbladgroen. De goudgele variant is in het begin bij het uitlopen lichtgeel van kleur. Naarmate het seizoen verstrijkt, wordt de bladkleur intens goudgeel. Over het algemeen is het blad van de Catalpa groot: 10 – 25 centimeter lengte en dito breedte.
Als boom is Catalpa heel goed toepasbaar als solitair op een groot gazon. De kroon is dermate breed van vorm dat rekening gehouden moet worden met een flinke vrije ruimte rond de boom. Een uiteindelijke kroonomvang bij vrije uitgroei van 15 – 20 meter is heel normaal.
Catalpa vereist een humeuze en vooral kalkrijke grond. Een warme standplaats is ook een belangrijke voorwaarde voor een goede groei. Een warme plek zal er ook voor zorgen dat de boom jaarlijks tot bloei komt.

Er zijn twee soorten Catalpa die een gedrongen, bijna ronde kroonvorm hebben. Die zijn zeer geschikt om in blokvorm of als parasol te worden toegepast. Een paar op rij en in een vierkant geplant vormen dan een fraai dak.
De vorm in de trompetboom kan door middel van snoeien volledig naar de hand worden gezet. Afsnoeien van de jaarlijks gevormde nieuwe scheuten verdraagt de boom of struik buitengewoon goed. Bovendien komen er door jaarlijks te snoeien frisse nieuwe takken. Laat op de ‘stompen’ twee à drie ogen zitten. Uitlopers van 1 – 2 meter zijn geen zeldzaamheid. Catalpa is dus ook als struik te koop. Ook hiervoor gelden dezelfde groeiplaatseisen als die van de boomvorm. Vooral een warme plek is door Catalpa geliefd.

Bijzonder aan boom en struik zijn de schitterend crème-witte bloemen. Die verschijnen eerst in juli. De bloemen hangen in tros aan de takken. De bloemen zijn zo fraai, omdat ze sterk lijken op die van een orchidee. De stamper is bruin van kleur. Daaroverheen ligt een patroon van bordeaux-rode spikkels met aan de uitlopers ervan twee opvallend diepgele honingmerken.

In Nederland zijn er hoogst zelden vruchten te bewonderen; het klimaat is er te laat warm en wisselvallig voor. In streken met een landklimaat komen vruchten alleen tot ontwikkeling bij lange perioden met warmte.
Een bijkomende eigenschap van Catalpa is dat deze muggen en vliegen weghoudt. Je zou een Catalpa daarom dicht bij het slaapkamerraam kunnen zetten.

Schimmel

Een trompetboom kan worden aangetast door een meeldauwachtige schimmel. De aantasting lijkt vooral te maken te hebben met weersomstandigheden. In perioden met wisselende omstandigheden – warmte gevolgd door vocht – neemt de kans op aantasting door de schimmel toe. In ernstige gevallen kunnen delen van de boom of struik afsterven.

Eerste fase: bobbelig blad duidt al op schimmel
Tweede fase: schimmel
op het blad
Derde fase: smeulen van het blad

Dit verschijnsel doet zich bijvoorbeeld ook sterk voor bij de roos, de appel en de peer. Het is lastig om de aantasting geheel en al uit te bannen. Zodra de aantasting wordt herkend, is een bespuiting met Vital (Ecostyle), Sulphon (Ecostyle) of Exact Vloeibaar (Bayer) op zijn plaats.

De schimmel openbaart zich vooral aan of nabij de top van één of meer scheuten. Opvallend is dat vooral jong, nog niet geheel volgroeid blad wordt aangetast. Zelden volgroeide bladen. De eerste fase van aantasting uit zich in bobbelig blad. Bespuit zo snel mogelijk de scheuten, waarop de aantasting zichtbaar is met Vital (Ecostyle).
De schimmel op het blad uit zich in een wit-grijzige waas over (delen van) het blad. Het blad begint zich in deze fase naar binnen te krullen. Wanneer het blad nat is of wordt gemaakt, voelt de schimmel over het blad heel glibberig aan. Een bespuiting met Sulphon (Ecostyle) of Exact Vloeibaar (Bayer) is nodig. Herhaal de bespuiting om de week.
Wanneer niets aan de bestrijding van de schimmelaantasting wordt gedaan, dan begint het blad vanuit de randen zwart te worden. Deze fase wordt ‘smeulen’ genoemd. Langzaam maar zeker verdwijnt het blad geheel. In deze fase moet of het blad worden verwijderd of worden gespoten met Sulphon (Ecostyle) of Exact Vloeibaar (Bayer).

Enkele soorten en cultuurvariëteiten

Catalpa bignonioides De boom wordt breed en heeft een schermvormige kroon. De hoogte is ca 12 meter. Geschikt als solitaire boom en als struik. De bloemen hebben gele strepen op de witte bloemkelk.
Catalpa bignonioides ‘Aurea’ – De kroon wordt op den duur breed ovaalvormig. De hoogte is ca 12 meter. De bladeren zijn bij uitlopen eerst goudgeel; later worden ze lichtgeel. Geschikt als solitaire boom.
Catalpa bignonioides ‘Nana’ – Een aardig, klein blijvend boompje. Deze variëteit is goed toepasbaar in blokvorm of om als parasol te gebruiken. De hoogte wordt ca 4,50 meter. De breedte van ca 3.50 meter is door snoeien heel goed kleiner in omvang te houden. De bladeren zijn licht frisgroen.
Catalpa bungei Ook een klein blijvend boompje met een brede, eironde kroon. De hoogte kan ongeveer 10 meter bedragen, tenzij flink en jaarlijks wordt gesnoeid. Heel geschikt als klein blijvende solitair of als (oprij)laantje toe te passen. Heeft opvallende bladeren, omdat de voet niet hartvormig is. Deze soort is ook te koop als struik. Witte bloemen.
Catalpa speciosa Meer geschikt om in struikvorm geplant te worden. De hoogte kan toch nog zo’n 10 meter worden. De struik groeit schermvormig op. De bladeren zijn opvallend dik en toegespitst van vorm. De schors wil nog weleens barsten door vorst. De bloemen zijn wit en hebben geen paarse vlekken.
Catalpa ovata Een echte boom met een brede, schermvormige kroon. Kan ongeveer 12 meter hoog worden en is dan om en nabij 18 meter breed. De bladeren zijn drielobbig en hebben opvallende oranje strepen. Kenmerkend is dat in de late zomer de lange zwartbruine vruchten als peulen aan de boom hangen. De boom bloeit ook heel fraai met geelachtig witte bloemen.