Tijm

Tijm is inheems in het Middellandse-Zeegebied, in het zuiden van Italië en in Griekenland, waar het op rotsige hellingen groeit. Grieken en Romeinen gebruikten het kruid al. De Romeinen brachten het waarschijnlijk mee naar West-Europa. Het werd gebruikt bij het balsemen en het uitroken van kamers en kleren. Volgens overlevering is het geliefd bij feeën en elfen. Tijm werd vaak aangehaald door Shakespeare en andere schrijvers. In de Middeleeuwen borduurden edelvrouwen tijmmotieven op de sjerp van hun geliefden.

Bruiden legden op hun trouwdag en takje tijm in hun schoen en fluisterden: ‘Tijm heb ik in m’n schoen gedaan, kijk alsjeblieft geen ander aan’.

Tijm behoort tot de familie der Labiatae. Het geslacht Thymus omvat ongeveer vijftig soorten. Behalve heesters en halfheesters zijn er ook kruipende bodembedekkers. Deze lipbloemige heeft houtachtige stengels met afgeronde, grijsgroene blaadjes die heerlijk geuren. Tijm bloeit vanaf mei tot september met schijnaren die bestaan uit schijnkransen met drie tot zes wit tot lichtpaarse bloemetjes. De bloemstelen bevatten veel etherische oliën. De bloemetjes van tijm trekken veel bijen en hommels aan.
Het kruid verlangt een zonnige, droge plaats en houdt van kalkrijke grond. Zware grond kan luchtiger worden gemaakt door er wat turfmolm door te mengen. Tijm is uitermate geschikt als randgewas langs borders en paden en doet het uitstekend in rotstuinen. Vermeerderen kan door te zaaien, af te leggen, te stekken of te scheuren. Na ongeveer drie jaar gaat het aroma wat achteruit en is het nodig het struikje op een andere plek te zetten.

Soorten

Thymus vulgaris kent twee typen: Franse of zomertijm. Deze groeit snel en is erg aromatisch, maar vorstgevoelig en overleeft meestal de winter niet. Duitse of wintertijm groeit langzamer maar heeft meer weerstand tegen kou. Citroentijm (Thymus citriodorus), van 10 tot 30 cm hoog, heeft goudbonte blaadjes die heerlijk naar citroen ruiken. Wilde tijm of kwendel (Thymus serpyllum) van amper 20 cm hoog komt voor op zonnige zandgronden van Midden- en Zuid-Europa. De kruipende steeltjes hebben paarsgewijs ronde, gladde blaadjes. De bloei is met trosvormige paarsblauwe bloemetjes.

Gebruik

Tijmblaadjes of takjes kunnen worden gebruikt in aardappel-, vlees-, kip- en visgerechten en in soepen (tomaten). Het is een onderdeel van het bouquet garni: tijm, peterselie en een blaadje laurier. Tijm behoudt gedroogd z’n sterke aroma. Blaadjes en takjes kunnen goed worden ingevroren. Het bevordert de spijsvertering en werkt antiseptisch. Thee van tijm met wat honing verzacht hoest en maagkrampen.

Sanquisorba minor, klein sorbenkruid

Klein sorbenkruid, kleine pimpernel, bloedkruid, pimpinel zijn lieflijke namen voor dit kruid, dat vooral goed te gebruiken is in soepen, sauzen en patés. Behalve als keukenkruid is de plant vanwege het varenachtige blad een sierlijke kruidenplant in de tuin.

Blad van Sanquisorba minor heeft getande blaadjes aan elke bladsteel

Klein sorbenkruid kan heel oud worden, mits de grond in de zomer niet te snel uitdroogt.

Klein sorbenkruid (Sanquisorba minor) is een heesterachtig kruid en wordt tot zestig centimeter hoog. De plant is een roosachtige (Rosaceae). De plant groeit van nature op droge, kalkhoudende grond in rotsachtige gebieden van Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië. In groentewinkels is het kruid niet te krijgen, zodat u het als tuinplant of zaad zult moeten kopen als u dit heerlijke kruid wilt gebruiken. Zaaien kan in het voorjaar. Wie iemand weet met dit kruid, kan vragen de plant in het najaar te scheuren. In ons land groeit het klein sorbenkruid langs de grote rivieren, op kalrijke hellingen in Zuid-Limburg en in de duinen. Als de winter zacht genoeg is, blijft het blad aan de plant, totdat er in het voorjaar nieuwe blaadjes aan komen.

Klein sorbenkruid begint te bloeien in april. De bloei loopt door tot eind september. Hoewel je dit kruid niet direct voor de bloemen neemt, heeft het wel een interessante bloeiwijze. De eindstandige, aarvormige bloeiwijze heeft in volle bloei een witte kleur. In het begin zijn de aren groenachtig, roodgroen of bruinrood. Aan de bovenste helft zitten vrouwelijke bloemen, aan de onderste helft manlijke en in het midden hebben beide geslachten hun bloemen. De aren zijn dus uitgerust met tweeslachtige bloemen. De meeldraden zijn opvallend lang.

Keukenkruid

Klein sorbenkruid heeft een mild en ‘koel’ aroma. De smaak is te vergelijken met die van komkommer.

Klein sorbenkruid bloeit met een borstelvormige bloem

Vooral in Frankrijk is het kruid dikwijls te koop. Daar wordt het kruid gemengd met sla. Vroeger werd het kruid in plaats van sla gegeten. Het kruid kan ook op azijn worden gezet; dan is het voor langere tijd te gebruiken in salades. Pimpernelazijn geeft een licht bittere, maar aangename smaak aan salades. Blaadjes kunnen met boter worden vermengd (ravigote) en worden gebruikt bij het smoren van vis en vlees. Enkele blaadjes toegevoegd aan soep geven deze een frisse nasmaak. In vruchtensalades en bij gekoelde dranken is een enkel blaadje van dit kruid op z’n plaats. Gebruik het kruid met mate om het niet te overheersend te laten zijn in wat voor gerecht of drankje ook.

Homeopathie

Extract van de wortels van het klein sorbenkruid is te gebruiken als bloedstelpend middel. Extracten van het blad helpen zonnebrand te verzachten. Wie blad van het kruid geregeld gebruikt, zal zien dat de spijsvertering wordt bevorderd.

Als u meer gecharmeerd bent van grotere bloemaren en de pimpernel in de border wilt gebruiken, kiest dan voor de grote pimpernel.

Rozemarijn

Rozemarijn komt in veel legenden voor: oorspronkelijk waren de bloemetjes wit, totdat de Maagd Maria haar blauwe gewaad over het kruid te drogen hing. Vanaf dat moment hebben de bloemetjes hun huidige kleur. De botanische naam voor rozemarijn is Rosmarinus officinalis als de enige in het geslacht Labiatae.

Bij aanraking geurt rozemarijn heerlijk

De altijd groen blijvende struik komt zowel aan de Europese als de Afrikaanse kant van het hele Middelandse-Zeegebied voor. De van nature dicht bij zee groeiende struik is ook wel bekend als ‘zeedauw’. Het kan een hoogte van 60 – 150 cm bereiken. En bloeit met kleine, lipvormige bloemetjes in zachtlila. Het is geen winterharde plant en moet daarom ‘s winters op een vorstvrije, koele en lichte plek overwinteren (weinig water).

Zelf zaaien kan vanaf begin mei op een warme plek of onder glas. Het zaad ontkiemt na ongeveer 4 weken. Het beste kan het in potten worden opgekweekt op een zonnig plekje in een luchtige, gewone of iets zanderige bodem.

Vermeerderen kan door van twee- of driejarige planten de wortelkluit te scheuren. Vanaf mei tot augustus kan worden gestekt met top- of hielstekjes. Steek de stekjes even in wat stekpoeder en zet ze dan in kalkrijke, zanderige grond. Bevochtig de grond en maak een ‘kasje’ door het potje met stek en al in een plastic zak te zetten. De plastic zak kan worden weggehaald als het jonge plantje goed is geworteld.

Het oogsten van de grijsgroene, naaldvormige blaadjes of takjes kan het hele jaar door. Ze kunnen natuurlijk vers worden gebruikt, maar ook worden gedroogd of ingevroren zonder het specifieke aroma te verliezen. De smaak is scherp harsachtig en doet wat denken aan kamfer en naaldhout.

Rozemarijn kan worden gebruikt in bruine sauzen, tomatensaus, bruine bonen-, tomaten- en uiensoep, varkensvlees, lamsvlees, marinades, wildgerechten, gebakken aardappelen, olijfbrood.

U kunt het ook gebruiken voor een verfrissend bad met een aftreksel van de blaadjes (3 eetlepels gekneusd blad per 1 liter kokend water). Let wel, één zo’n aftreksel is voldoende! Ook om uw haar te spoelen. In of buiten uw bad… Hiernaast is rozemarijn een versterkend kruid, dat ook nog eens de bloedsomloop bevordert.

Plantjes en zaadjes van rozemarijn zijn te koop in tuincentra. In veel supermarkten kunt u het gedroogd vinden en vrij regelmatig ook als plantje.

Keukensalies voor de sier

Naast het bestaan van ‘Jan Salies’ zijn er onder de salies diverse variëteiten, waarvan u waarschijnlijk nooit hebt vermoed, dat ze zo sprekend konden zijn. Het verband met een ‘Jan Salie’ is in dit verband de gulzigheid, waarmee salie vocht uit de bodem opneemt.

Salvia officinalis ‘Icterina’ is een bescheiden, bonte variëteit

In de volle zon kan de plant weleens slap gaan hangen als hij niet tijdig vocht kan opnemen. De plant maakt dan inderdaad een wat slome indruk. Salie kan in de border tussen andere vaste planten worden gezet. De associatie met een kruidentuin heb je dan absoluut niet.

Salvia officinalis, echte salie of keukensalie, is een decoratieve, kort levende plant. De herkomst van de plant ligt in Spanje, de Balkan en Noord-Afrika. Van oudsher een veel gebruikt keukenkruid in salades, om aroma te geven aan kaas en ook wel gebruikt in combinatie met zuurwaren. De geneeskrachtige of vermeende geneeskrachtige werking heeft betrekking op neusverkoudheid, mond- en keelaandoeningen. De onderkant van de bladen is lichtdonzig behaard, grijsgroen van kleur en bij kneuzing sterk aromatisch. De bovenzijde is vooral rimpelig. De plant wordt zestig tot tachtig centimeter hoog.

Salie groeit het beste op een humusrijke grond, die vocht permanent kan vasthouden. In de volle zon wil de plant, zoals gezegd, nogal slap gaan hangen. Een plaatsje in de halfschaduw tot schaduw komt dan ook beter gelegen. De gewone soort Salvia officinalis heeft groen blad, maar er bestaat een aantal aantrekkelijke variëteiten, die niet misstaan in de sierborder.
Salvia officinalis ‘Purpurascens’ heeft grijsgroene bladen met een purperen gloed. Bloemen zijn lichtpaars.
Salvia officinalis ‘Tricolor’, bonte vorm met randen in de tinten crème en roodachtig. Overige bladdelen mooi lichtgroen van kleur.
Salvia officinalis ‘Icterina’, eveneens bont maar goudgerand.
Salvia officinalis ‘Berggarten’, groeit tot dertig centimeter hoog. Heeft grote bladen en blauwe bloemen.

Grieks en Italiaans met oregano

Pizza krijgt pas een echte smaak als er flink wat ‘rigano’ aan is toegevoegd. Je waant je weer even op een Grieks terras. Hoe verser oregano wordt gebruikt, des te beter proef je de specifieke smaak ervan in een gerecht. Wat zou er mooier zijn om wat planten ervan in de tuin te hebben?

Origanum vulgare

Het kan! Gerechten met tomaten, aubergines en courgettes en al dat andere uit de Griekse en Italiaanse keuken wordt er overheerlijk door.

Er bestaan twee soorten Origanum, nl. Origanum majorana en Origanum vulgare. In botanisch opzicht zijn ze redelijk goed van elkaar te onderscheiden. Wilde marjolein is in alles forser: groter blad, grotere bloemen met vooral als belangrijk kenmerk dat de bladeren op een steeltje zitten. Echte marjolein heeft zittend blad, dus zonder steeltje. De bloemen van deze plant zijn bovendien aan één zijde van de kelk diep ingesneden, die van wilde marjolein hebben vijf gelijke tanden.
Van beide soorten wordt essence gebruikt in parfums en cosmeticaproducten. Echte marjolein is wat zoeter van smaak, maar volgens Grieken en Italianen is wilde marjolein niet te evenaren.

Zelf kweken

Wilde marjolein kan worden gezaaid of je koopt ze als plant. Zaaien doe je al vroeg in het voorjaar, in maart – april in pot(ten). Gebruik normale potgrond vermengd met wat scherp zand. Na half mei mogen de potten met het zaaisel naar buiten.

 
Wilde marjolein wordt door worteluitlopers een dicht gewas Wilde marjolein is er ook met goudkleurig blad

Zaaien in de volle grond, daar waar de planten verder kunnen uitgroeien, kan ook na half mei. Dun de planten op een onderlinge afstand van dertig tot vijfendertig centimeter, zodat ze goed kunnen uitgroeien. Het zaaisel uit de pot(ten) wordt ook op die onderlinge afstand uitgeplant. Zet de planten op een warme plaats in de tuin. Een goede water doorlatende grond is absoluut noodzakelijk. Aan de grond kan ook puin worden toegevoegd. Marjolein houdt van kalkrijke grond. Wie geen tuin heeft, kan de planten ook grootbrengen op het balkon in een flink grote pot of kuip. De plant wordt ongeveer veertig tot zestig centimeter hoog.

Echte marjolein (Origanum majorana) is niet winterhard en moet ieder jaar opnieuw worden gezaaid. Gewone marjolein is wel winterhard. Het verschil in hardheid tegen het klimaat heeft te maken met de oorspronkelijke herkomst van de plant. Gewone marjolein komt in het wild ook in Nederland langs o.a. de grote rivieren voor. Echte marjolein groeit op warme plaatsen in Europa, Noord-Afrika en Zuid-West-Azië.

Gebruik

Oregano is lekker op pizza, in tomatensauzen en salades, in pasteitjes en bij gevogelte. In pilafrijst en risotto is dit kruid gewoon een ‘must’. Gebruik het kruid met mate, voor het specifieke aroma zijn enkele blaadjes voldoende. Verse blaadjes geven een sterker aroma af dan gedroogde blaadjes. Wilde marjolein moet snel in de zon worden gedroogd. Het aroma blijft daardoor beter en lang behouden.

Andere soorten

Botanische naam Hoogte x breedte Bijzonderheden
Origanum laevigatum ‘Herrenhausen’ 50 x 45 cm bloeit rijk in zomer en herfst
Origanum laevigatum ‘Hopleys’ 45 x 45 cm met kleinere bloemen
Origanum majorana 30 x 45 cm bloemen in kleine schermen
Origanum rotundifolium ‘Kent Beauty’ 20 x 30 cm bleekroze bloemen als hopbellen
Origanum vulgare 30 x 60 cm bleekroze, kleine bloemen
Origanum vulgare ‘Aureum’ 45 x 30 cm goudkleurig blad, bloemen in dikke trossen
Origanum vulgare ‘Compactum’ 15 x 20 cm gedrongen groei, dicht bebladerd, donkerroze bloemen

Het gezonde onsterfelijkheidskruid

Het onsterfelijkheidskruid is een meerjarig kruid dat in onze omstreken een nog behoorlijk onbekend plantje is. Dat is zonde, want het is een lekker en zeer gezond kruid. De Latijnse naam voor onsterfelijkheidskruid is Gynostemma pentaphyllum. Het is een klimplant uit de komkommerfamilie (Cucurbitaceae). Inheems in Zuidoost-China, Japan en Thailand is het van oudsher een belangrijke plant in de traditionele Chinese geneeskunde onder de naam jiaogulan. De heilzame eigenschappen komen overeen met ginseng.

Onsterfelijkheidskruid
Handvormig samengesteld blad

Het nuttigen van de bladeren zou levensverlengend werken. In de streken waar traditioneel dagelijks thee van onsterfelijkheidskruid wordt gedronken, komen veel meer dan gemiddeld 100-jarigen voor. Men schrijft dit toe aan het gebruik van het kruid. Het onsterfelijkheidskruid zit vol met antioxidanten, zoals saponinen en flavonoïden. Die hebben een positieve werking op de weerstand, het hart en de bloedvaten, geven extra energie, stimuleren de lever, verlagen de bloedsuiker- en cholesterolspiegel en de bloeddruk.
De bladeren worden meestal gebruikt om thee van te maken, maar ze kunnen ook in salades worden verwerkt. De smaak van het blad is zoetig en doet het meeste denken aan zoethout.

Deze klimplant doet het ook uitstekend in ons klimaat. De planten overleven winters tot -15. Buiten verliest hij zijn bladeren in de winter om in het voorjaar weer op te komen. Het blad is handvormig samengesteld in een frisgroene kleur. Gynostemma pentaphyllum bloeit vanaf juli tot en met augustus; de witte bloemen zijn tweehuizig. Die veranderen in paars-zwarte bessen aan langwerpige trosjes.

De teelt

Het onsterfelijkheidskruid kan binnen en buiten worden geteeld.
Voor binnen: er kan het hele jaar worden gezaaid, maar het voorjaar heeft de voorkeur.
Voor buiten: kan ook het beste in het voorjaar, zaaien vanaf half maart tot juni.
Het zaad heeft een lange en ongelijke kieming. Door het zaad voor het zaaien 24 uur te laten weken in water op kamertemperatuur vergroot en versnelt u de kieming. Maak een zaaibakje met fijne aarde erin en verdeel de zaadjes. Dek vervolgens het zaad met 0,5 cm fijne aarde af en druk het licht aan. Maak de aarde nu goed vochtig met een plantenspuit en dek de zaaibak met folie af. Zet de bak op kamertemperatuur (20 °C) in de zon. Na ongeveer 30 dagen komen de jonge plantjes op. Zodra de zaailingen 2 tot 3 cm groot zijn, kunnen ze verspeend worden in grotere potjes. Zorg er bij het verspenen voor, dat u de wortel zo min mogelijk beschadigt.

Naar buiten

Vanaf mei kunnen de planten buiten worden geplant. Hij groeit het beste op een warme plek in de halfschaduw en in humusrijke grond. Plant de jonge plantjes 30 cm uit elkaar. Zorg dat deze klimplant omhoog kan klimmen langs gaas of stokken. Ook kunnen ze in een hanging basket worden geteeld; de plant gaat dan hangen. Het onsterfelijkheidskruid heeft weinig verzorging nodig. Geef ze in droge periodes voldoende water. Zeker het eerste jaar als de wortels nog niet zo diep in de grond geworteld zijn.
Als de planten een hoogte hebben van 40 cm, kunnen de eerste bladeren voorzichtig worden geoogst. [ Gaby van der Harg, webshop De Zadenier

]

Thee

Kruiden kunnen worden gebruikt om thee te zetten. Kruidenthee kan helpen tegen kwaaltjes en bevat vaak stoffen, waardoor je je gezonder en fitter kunt gaan voelen. Maar kruidenthee is vooral erg lekker. Het is puur natuur, die de smaak aan kruidenthee geeft. Het maken van kruidenthee is heel eenvoudig.
Doe een aantal verse kruidentakjes in een theeglas. Giet er kokend water op. Laat 5 minuten trekken. Hoe meer kruidentakjes (afhankelijk van uw smaak), des te sterker de smaak. Drie takjes per theeglas is vaak wel een goede basis. Gebruik voor het zetten van een hele pot thee meer kruidentakjes.
Heerlijke kruiden voor het maken van thee zijn: citroenmelisse, pepermunt, kamille, brandnetel en het hierboven beschreven onsterfelijkheidskruid.

Kervel

Kervel, Anthriscus cerefolium (moeskruid, tamme kervel), is een inheemse plant in Zuid-Oost-Europa en West-Azië. Door de Romeinen meegebracht naar het westen, was het in de Middeleeuwen vooral in kloostertuinen te vinden.

Door de zuiverende werking werd het vroeger vaak in speciale gerechten verwerkt, met name op Witte Donderdag en in de Paastijd.

Kervel behoort tot de schermbloemigen en is familie van peterselie. Het is een tweejarig kruid en wordt tot 70 cm hoog. Het wordt meestal als eenjarig kruid gekweekt. Het heeft lichtgroene twee- tot driemaal geveerde blaadjes met diep ingesneden lobben. Kervel bloeit met kleine, witte drie- tot vijfstralige bloemschermen en bloeit pas in het tweede jaar. De stengels zijn hol, de wortels dun en wit van kleur. De zaden zijn 7 – 10 mm groot.
Vanaf het voorjaar tot ver in de zomer kan er om de zes tot acht weken worden gezaaid. Het houdt van een licht beschaduwde plek en vochtige, humusrijke grond. De zaden niet al te dik op rij zaaien met een onderlinge rij-afstand van ± 10 cm. De zaden worden met weinig grond bedekt. Door te dicht te zaaien groeien de plantjes uit hun krachten, wat het aroma nadelig beïnvloedt. Verspenen is niet nodig en het rijpe zaad laat zichzelf goed uitzaaien. Het zichzelf laten uitzaaien geeft stevige plantjes.

Kervel is niet gevoelig voor kou en kan al na zes weken worden geoogst. Dan is het kruid zo’n 30 cm hoog. De smaak is dan het beste en het blad erg mals. Bloeiende kervel is zo goed als onbruikbaar als keukenkruid, omdat het dan heel weinig aroma heeft.

Halverwege september kan ook binnenshuis een ‘wintercultuur’ worden opgezet. Bloempotten of bakken gevuld met compostaarde zijn hiervoor geschikt. Een laagje grof zand op de bodem van de pot zorgt voor een goede afwatering. Tot het zichtbaar worden van de kiemplantjes moeten de potten op een donkere plaats worden gezet. De potten met kiemplantjes moeten daarna een zo licht mogelijk plaats krijgen. De wintercultuur verlangt wat minder water dan de kervelplantjes ‘s zomers buiten. Door te veel vocht kunnen de jonge plantjes dicht bij de grond gaan rotten.

Kervel heeft een lichte, anijsachtige smaak.

Voor in de soep, salade en…

Als keukenkruid zijn de malse jonge blaadjes te gebruiken in soepen, salades, sauzen, gegrilde vis- en vleesgerechten en het is heel lekker in een kaasomelet. Kervelblad kan prima worden ingevroren, het behoudt zijn smaak. Gedroogd verliest het zijn aroma.
De naam moeskruid is een Oudnederlandse naam en slaat op het gebruik in het oude Twentse streekgerecht ‘kruudmoes’. Kervel is een belangrijk bestanddeel van een ‘fines herbes’-mengsel. Het vult de smaak van andere kruiden aan. Kervel is eetlustopwekkend, werkt bevorderend op de stofwisseling, reinigt het bloed, is opwekkend, urine afdrijvend, zogremmend (!) en zwellingverminderend. Het heeft een heilzame werking bij bronchitis en astma. Het verse sap van kervel is een geneeskrachtig middeltje bij keelpijn. Een paar takjes, even laten trekken in een glas hete melk, is een alternatief voor anijsmelk.

Er zijn een aantal andere kruiden die op kervel lijken, zoals Myrrhis odorata (Roomse kervel); in de keuken net zo te gebruiken als de echte kervel. De meeste andere zijn gewoon niet lekker of zijn behoorlijk giftig. Bijvoorbeeld de wortel van Cicuta virosa, de waterscheerling (dolwortel). Door de vieze smaak ervan blijf je er wel vanaf. Ook Conium maculatum, de gevlekte scheerling (dolle kervel of dolle peterselie) is giftig. Een kleine hoeveelheid kan al dodelijk zijn. Het gif werd door de oude Grieken bij de voltrekking van een doodvonnis gebruikt. Zo werd de beroemde filosoof Socrates tot de ‘gifbeker’ veroordeeld.

Koriander

Koriander (Coriandrum sativum), ook wel coander of wantsenkruid genoemd, is afkomstig uit het Midden-Oosten en de landen rond de Middellandse Zee. Koriander was al bij de oude Egyptenaren bekend, in oude graven zijn zaden gevonden. Ook de oude Grieken en Romeinen hebben het gebruikt.

Bosje verse koriander

Waarschijnlijk is het door Romeinse troepen naar Midden-Europa gebracht. Door de wat onaangename geur is de naam afgeleid van het Griekse woord voor wants (een luis).

Koriander is een eenjarige plant met hoogte van 40 – 70 cm, die behoort tot de schermbloemige met heeft witte tot roodachtige bloemschermen. De stengels zijn stevig en geribd, het blad is een- tot drievoudig geveerd. Korianderblad lijkt erg op dat van bladpeterselie. De zaden zijn 2 – 6 mm groot en zijn klein, rond, geribbeld, groenbruin.
Het kruid heeft een lichte, kalkhoudende grond en een beschutte zonnige plaats nodig. Vanaf half april kan dun in rijen worden gezaaid. Korianderzaad kiemt naargelang de bodemwarmte in twee tot drie weken. Hoe warmer de grond, des te sneller zal het zaad ontkiemen. Na het zaaien moet het zaaibed rijkelijk worden begoten. Regelmatig moet onkruid worden verwijderd, want dit verstikt gemakkelijk het zaaigoed. Na het verschijnen van de plantjes is het nodig de grond steeds goed los te maken. Dit stimuleert de groei. Met bemesting – met bijvoorbeeld gedroogde koemestkorrels – kan na ± 3 weken na opkomst van de plantjes worden begonnen.

Korianderzaad, heel en gemalen

Zaden om te zaaien zijn te koop in tuincentra, zaden voor gebruik in de keuken zijn te koop bij toko’s en veel supermarkten. Als vers kruid in potjes of bosjes op diverse markten en ook in veel supermarkten.
Het verse korianderblad heeft een andere, sterkere smaak dan peterselie. Vers korianderblad kan, net als peterselie, goed worden ingevroren. Wanneer het wordt ontdooid, kan het enigszins donker kleuren. Het behoudt wel zijn smaak. Door het te drogen verliest het veel van zijn aroma. Korianderzaad heeft een wee-zoete, anijsachtige, licht pikant kruidige (een beetje sinaasappelachtige) smaak.
Het blad kan worden gebruikt in koolgerechten, rode bieten, wildsoepen en marinades. Een paar fijngehakte blaadjes toegevoegd aan beurre-blanc smaakt lekker bij gepocheerde vis. Het zaad, gemalen of gekneusd, kan worden verwerkt in bijvoorbeeld wildpaté, koekjes (speculaas), kerrieschotels en oosterse gerechten.

Gemalen korianderzaad (ketoembar) is een onderdeel van onder andere speculaaskruiden, kerriepoeder en inmaakkruiden (de hele zaden). Het zaad bevat etherische olie met corianderol. In India en China wordt het als medicijn gebruikt. Medicinaal werkt koriander tegen een opgeblazen gevoel, bevordert het de eetlust en de spijsvertering.

Lavas

Lavas hoort thuis in Zuid-Europa. Het schijnt uit Ligurië (Italië) te komen, vandaar de naam ligusticum wat later levisticum werd. Lavas (Levisticum officinale) komt al heel lang in kruiden(klooster)tuinen voor. Een 16de-eeuwse kruidenkundige beweerde dat het, toegevoegd aan het badwater, reukverdrijvende kwaliteiten heeft. Het kan ook dienen om de mond te spoelen en de ogen te wassen.

De sterk geurende bladeren lijken op die van selderie. Ze zijn alleen groter, harder en glimmend groen.

Lavas, ook wel maggiplant of lubbestok genoemd, is een makkelijk te houden overblijvend kruid en behoort tot de schermbloemigen. De rechte, holle stengels kunnen wel 2 meter hoog worden. Het diepgroene, tegenoverstaand dubbel geveerde blad is enigszins getand. Lavas bloeit van juni tot augustus met kleine groengele bloemschermen en heeft een lekkere, kruidige geur. Het blad heeft een vrij sterke, op selderie (maggi) lijkende smaak.

Schaduwplek

Het is vaak moeilijk planten te vinden die op halfschaduwplekken goed gedijen. Lavas verdraagt zo’n plek heel goed. Het verlangt wel een goed doorlatende, voedzame, vochtige grond om het wel 10 tot 15 jaar op dezelfde plek uit te kunnen houden. Om mooie, gezonde planten te krijgen zijn twee mestgiften per jaar nodig, de eerste eind april en de tweede eind mei.
Het zelf zaaien van lavas kan in goed bemeste grond in maart of in augustus. Na het zaaien moet de grond goed vochtig worden gehouden. Het zaad kiemt na ongeveer 3 weken. In augustus gezaaide plantjes kunnen het voorjaar daarop worden uitgeplant. Jonge planten (van 2 tot 3 jaar) kunnen gescheurd worden, oudere planten niet meer. In het voorjaar loopt de plant met verschillende scheuten opnieuw uit. Dit is beste tijd om de plant te scheuren. Het bovengrondse deel sterft in de winter af.

Het fijngehakte blad is lekker in soepen, ragouts en gemengde salades. Stengels kunnen worden meegekookt bij het maken van sauzen, soepen en stoofgerechten. Het zaad kan in brood worden meegebakken. Het kruid drogen kan, maar vers is de smaak van lavas lekkerder. Het werkt vochtafdrijvend. Aftreksels van de wortelstok helpen tegen maagpijn en spijsverteringsstoornissen (het opgeblazen gevoel…).

Basilicum

Basilicum of bazielkruid (Ocimum basilicum) wordt al duizenden jaren in cultuur gebracht. In grafkamers in de piramiden vond men al basilicumkransen. In het Grieks betekent het konings- of koninklijk kruid. Joden geloofden dat een takje in de hand kracht zou geven. In India zou het arme mensen beschermen en wordt het als heilig kruid geofferd.

Basilicum, het koningskruid

Het geslacht Ocimum kent meer dan zestig soorten, waarvan een aantal inheems is in tropische zones van Afrika, Azië en Amerika. Het wordt tegenwoordig in een grote delen van de wereld gekweekt als keukenkruid, ook in niet-tropische gebieden, en het groeit al eeuwenlang rondom de Middellandse Zee. Het is een zeer geliefd kruid in de Italiaanse keuken.

Basilicum is een eenjarig plantje van zo’n 15 tot 30 cm hoog. De bekendste soort in Nederland heeft een heldergroen, ovaal blad; alle delen van de plant zijn behaard. De kort gesteelde bladeren staan kruisgewijs tegenover elkaar. De bloei is van juni tot september met aarvormige bloemhoofdjes bestaande uit schijnkransen met zes tweelippige, witgele tot rozerood gekleurde bloemetjes.

Het kruid houdt van een zonnige plaats en een goed bemeste, luchtige grond. Het wordt niet alleen vaak bij tomaten opgediend, maar naast tomatenplanten gekweekte basilicum stimuleert ook de groei van de tomatenplant. Basilicum kan ook heel goed in bakken of potten worden gekweekt. Het verlangt bij warm en droog weer veel water. Af en toe wat bemesten door er bijvoorbeeld wat compost of droge koemest bij te strooien zal de groei bevorderen. Het geregeld ‘toppen’ van de plantjes leidt tot bosvorming. Om optimaal te kunnen ‘oogsten’ is het verstandig de bloemknoppen eruit te halen.

Pas op! Basilicum is een lekkernij voor slakken, controleer het dus regelmatig op deze bezoekers.

Het kruid kan niet tegen vorst. In het najaar kunnen de nog mooie of jonge plantjes binnen op de vensterbank ‘overwinteren’.

Basilicum bevat een hoge concentratie etherische oliën. De etherische olie ‘methylchavicol’ van de soort O. gratissimum wordt gebruikt in de kosmetische industrie als geurstof; het lijkt op de geur van een boeketje rozen en anjers. Het kruid heeft een lichtzure, laurierachtige, ietwat peperige smaak en ruikt naar kruidnagel. In huis helpt de geur insecten te verjagen.

Vers, in bosjes of als plantjes is het te koop op markten en in veel supermarkten, als zaad en ook als plantje in tuincentra. Blaadjes en takjes van basilicum zijn te gebruiken in salades, soepen, sauzen, tomaat- en vleesgerechten. Kook het bij voorkeur niet mee: laat het kort meesudderen, waardoor niet al te veel van de smaak te verloren gaat. Invriezen is niet bevorderlijk, want dan staat u na ontdooien met zwarte basilicum in uw handen.
Basilicum heeft overigens een heilzame werking op de spijsvertering, verlicht hoofdpijnen en remt ontstekingen. En er kan een heerlijk kalmerende en vochtafdrijvende thee van worden getrokken: doe één theelepel gekneusde blaadjes in een kop kokend water, drink tweemaal daags met kleine teugjes.

Enkele in Nederland (nog) onbekende soorten:

CitroenbasilicumOcimum basilcumforma citratum
Heeft een heerlijk citroenaroma. Wordt veel in de Thaise en Indonesische keuken gebruikt. Niet makkelijk vers te krijgen, maar soms wel gedroogd of ingelegd in olie.
Rode basilicumOcimum basilcum forma purpurea
Als plantje en zaad te koop in tuincentra. Heeft een iets sterkere smaak dan van de bekende, grootbladige soort.
Kleinbladige basilicumOcimum minimum
Komt oorspronkelijk uit Chili. Heeft kleine blaadjes met een sterke, zoete geur. Wordt veel in de Griekse keuken gebruikt.
Heilige basilicumOcicum sanctum
In India een ceremoniële plant. Wordt veel bij tempels en huizen gekweekt.