Euphorbia lathyris, springh-cruydt

Euphorbia lathyrus verschijnt soms plotseling in de tuin. Waar komt deze plant opeens vandaan? Je merkt hem vaak pas op bij het wieden.

Euphorbia lathyrus is een tweejarige plant

De kruisgewijs tegenover elkaar staande, spits toelopende bladeren zijn grijsgroen, bij de bladvoet ietwat oranjegeel.

Op vrijwel elke grond groeit deze ‘kruisbladige wolfsmelk’. Naarmate de grond zwaarder is, wordt er meer voedsel door de plant opgenomen, waardoor hij des te forser en groener wordt. Euphorbia heeft een goed water doorlatende grond nodig.
Euphorbia kan in juli – augustus op de gewenste plek worden gezaaid. Een grote groep valt uiteraard meer op dan een solitaire plant. Eén wens heeft deze wolfsmelk wel: een flinke dosis zon. De soort kan niet in pot worden gezaaid; het is er één die een penwortel vormt. Daardoor is hij niet verplantbaar. Afhankelijk van de grond worden volwassen planten 25 – 125 cm hoog. Het is een tweejarige plant, die in het tweede jaar bloeit. Bloeiende exemplaren vormen schermen die twee- tot vierdelig zijn. De bloemen zijn niet echt opvallend en komen begin juli te voorschijn. De stengel heeft – des Euphorbia – oranje melksap.

Knallende zaden

Eind juli augustus worden overvloedig grote, driehokkige vruchten gevormd. In elk zaadhok zit een vrucht. Zodra de vruchten rijp zijn, explodeert het zaadomhulsel met een flinke knal. ‘t Is echt schrikken geblazen. Alleen op warme dagen is dit duidelijk te horen. Wie dit nog nooit heeft meegemaakt, denkt in eerste instantie dat er met steentjes wordt gegooid. De zaden worden dus met een enorme kracht weggeslingerd. Vandaar de naam ‘springh-cruydt’, die ook de verklaring is voor hoe ik aan de plant ben gekomen.

De naam Euphorbia zou vernoemd zijn naar de Griekse arts Euphorbos. Deze experimenteerde met het sap van Euphorbia ten behoeve van de geneeskunst. De soortnaam lathyrus is afgeleid van het Latijnse woord lathuris, dat zoveel als wolfsmelk betekent.

Dipsacus fullonum, kaardenbol

De kaardenbol mag dan z’n nuttige functie voor het kaarden van wol hebben verloren, dit neemt niet weg dat het een sierlijke plant is. Zowel in bloei als overdekt met rijp of een vleugje sneeuw, levert hij een feeëriek schouwspel op. Kaardenbol komt in het wild voor in met name het stroomgebied van de Belgische Maas en is een van de planten die deel uitmaakt van vegetaties in het fluviatiele district.

Kaardenbol of weverskaarde is een tweejarige plant. Dat wil zeggen, dat pas in het tweede jaar de bloemen op lange stengels verschijnen. De in het wild groeiende kaardenbol is een beschermde plant.

De bloemen van de kaardenbol staan in brede kransen op het cilindrische bloemhoofd

De plant is hier van oorsprong niet inheems, maar is verwilderd. De bakermat van de kaardenbol ligt in Azië.
Op een kalkrijke kleigrond groeit de plant het beste, hoewel een humusrijke, vochtige grond hem ook heel goed past. De kleine roze tot paarsroze bloemen staan in geelbruine omwindselbladen die samen de ovaalvormige, cilindrische bol vormen.

Kaardenbol (Dipsacus fullonum) bloeit in juli – september op 1 – 2 m lange stengels. De sierlijke bloemen staan in kransen rondom de bol en komen etagegewijs tot bloei. De bol heeft een grootte van 4 – 8 cm. Aan de voet van de bol zitten lange stroschubben, die naar boven toe gekromd zijn. Alles (bladeren, bloemstengels en bol) zijn gestekeld. Het is niet bepaald een plant om zonder handschoenen aan te pakken. De bladeren zijn spits langwerpig en met hun voeten vergroeid aan de stengel.
Kaardenbol behoort tot de kleine familie van de kaardenbolachtige (Dipsacaceae). Tot deze familie behoren o.a. ook Scabiosa (schurftkruid) en Succisa (blauwe knoop).

Droogbloem

Kaardenbol kan het beste op de gewenste plaats worden gezaaid. Ze zijn in jong stadium nog goed verplantbaar. Plant op een onderlinge afstand van 15 – 30 cm. In volle zon of halfschaduw komen ze goed tot hun recht. In het tweede jaar wordt rijkelijk zaad gevormd. Ze zaaien zich vanzelf weer uit. De hoeveelheid zaden dat uit de bollen vrijkomt, kan tot hinderlijk veel planten leiden. Vooral in steppeachtige vegetaties groeit kaardenbol graag; vandaar dat het gazon tot hun lievelingsplekje behoort.

Kaardenbol kan na de bloei worden gedroogd. Het is een prima droogbloem voor droogboeketten. Alle delen van de plant worden door droging stroachtig en zijn zeer lang houdbaar. Veel fraaier is het om de uitgebloeide stengels met hun bollen te laten staan voor een sprookjesachtige sfeer als ze zijn berijpt of besneeuwd.

Slangekruid heeft een sierlijke bloemenguirlande

Slangekruid is weer zo’n typisch gewas dat opeens in de belangstelling komt. Het is een kruidachtige met een opvallende bloeiwijze. De bijna azuurblauwe bloemen slingeren zich er in de vorm van een guirlande langs. De naam slangekruid wordt daarmee alle eer aangedaan: de guirlande is gedrapeerd alsof een slang een voorwerp in een wurggreep houdt. Het kruid is geschikt als solitair op balkon of terras.

Slangekruid (Echium) behoort tot de familie van de ruwbladigen (Boraginaceae). De behaarde bladeren vormen rozetten aan de voet van de bloemstengels. De soorten, die hier worden besproken, zijn niet geheel winterhard. Ze moeten in de winter beschermd worden of binnen worden gehouden. De meeste soorten groeien van nature op het eiland Madeira, op de Canarische Eilanden en in Australië. Daar schommelt de zomer- en wintertemperatuur niet zo sterk als in Nederland. Op de eilanden bloeit het kruid vrijwel onafgebroken. Bij ons bloeit slangekruid voornamelijk aan het begin van de lente tot einde zomer. Echium houdt van een warme temperatuur en moet beslist niet te veel water krijgen, anders groeit het kruid uit in een grove vorm. De grond moet ook niet te rijk zijn. Ook dan treedt vergroving in groeivorm op.

Echium webbii wordt bij ons het meest verkocht… …en is de serpentineachtige slinger van bloemen heel opvallend

Zaaien of stekken

Daar waar slangekruid van nature groeit, zaaien de planten zich zelf uit. De grote, aaneengesloten toeven zijn een imponerend gezicht. Hier zullen we het moeten hebben van planten in een pot.
Na de bloei moeten de stengels, waaraan bloemen hebben gezeten, tot dertig centimeter onder de bloem worden afgeknipt. Met wat geluk in het overhouden van de plant bloeit hij het jaar daarop weer volop. Slangekruid kan worden gestekt door de lange stelen in stukken te snijden. Maak de stek op een lengte van ca tien centimeter. Snijdt de stengels door onder en boven een blad. Groeistof vergemakkelijkt de beworteling. Plaats de stekken onder glas of onder een plastic zak (maak gaten in de zak). Een plaatsje in de halfschaduw of met alleen morgenzon is bij stekken onontbeerlijk. Na verloop van tijd zwelt de knop aan de top. Dat is het teken dat de stek is aangeslagen. Laat de knop uitgroeien, voordat de plant in een grotere pot wordt geplant. Schrale grond (weinig voedsel) gebruiken.

Zaaien is ook mogelijk, maar slaagt alleen als de zaden rijp kunnen worden bij een warme omgevingstemperatuur. Zet de plant in een kille zomer zo nodig binnen in huis om het afrijpen van de zaden mogelijk te maken. Aan het begin van het voorjaar kan worden gezaaid. De ontkieming lukt het beste in een verwarmde kas. Wie geen kas heeft, kan het zaaisel afdekken met een glasplaat en op een zonrijke plaats in de vensterbank zetten. Zodra er twee blaadjes zijn gevormd, kan worden opgepot. Warmte en nog eens warmte is beslist nodig voor het welslagen van stekken of zaaien van Echium.
Wie dit allemaal niet lukt, zal in de beurs moeten tasten. Echium kost, afhankelijk van de soort, € 25,00 – € 30,00.

Soorten slangekruid

Soort Bloemkleur Hoogte (cm) Bijzonderheden
Echium candicans saffier violet 180 Met breed zwaardvormig blad, grijs viltig behaard. Groeit breeduit.
Echium pininana lavendelblauw 300 Is tweejarig. Na de bloei sterft de plant af. In het eerste jaar worden alleen bladeren gevormd.
Echium plantagineum blauwpaars, soms rood 60 Is één- of tweejarig. Bloemstengel groeit vanuit een wortelrozet. Bladeren tot wel vijftien centimeter lang.
Echium thyrsiflorum licht lavendelkleurig 150 Lijkt op E. candicans. Heeft langere bloemstengels. Groeit warrig.
Echium vulgare violetblauw, roze, wit 100 Komt in Zuid-Europa van nature voor. Tweejarig.
Echium webbii diepblauw 150 Met lancetvormig blad. Fraaie bloemslingers
Echium wildpretii koraalroze 200 Tweejarig. Zilverkleurig blad op rozet.

Eryngium, blauwe distel

De blauwe zeedistel is in de kalkrijke duinen langs de Noordzee te vinden. Op enkele plaatsen langs de kust van het Gooimeer, tussen Muiderberg en Huizen, groeit deze plant nog als relict uit de tijd dat de Zuiderzee met zout water was gevuld.

Eryngium x oliverianum in volle bloei

Deze plant is beschermd. Voor de tuin zijn er genoeg alternatieven: distels variërend in grijs, grijs olijfgroen en amethistkleurig. Vooral in de rotstuin zijn distels op hun plaats en in een droogboeket mogen ze al helemaal niet ontbreken.

Eryngium x oliverianum is ontstaan uit een kruising. De plant wordt zestig centimeter hoog. De bladeren zijn scherp gezaagd. De eironde bloemhoofdjes zijn bezet met een tiental getande omwindselbladeren.
Alle distels verlangen een droge grond en een plaats in de (felle) zon. Distels komen het beste tot hun recht als ze als eenling zijn geplant. Ze zijn te gebruiken in rotstuin en heidetuin als accentbeplanting. Voor gebruik in een droogboeket kunnen ze tijdens de bloei worden afgesneden. Hang de distel dan omgekeerd te drogen. De kleur blijft behouden. Ook na de bloei kan de distel nog goed worden gebruikt in een boeket. Ze zijn dan wel hoofdzakelijk bruin van tint. Distel zaait zich zelf weer uit.

 
Eryngium x oliverianum in herfsttooi Ivoordistel (Eryngium giganteum) heeft zilverwitte bloemen

Andere soorten

Botanische naam Kleur Hoogte (cm) Bloeitijd
Eryngium alpinum staalblauw 80 – 100 juli – aug.
Eryngium giganteum zilverwit 80 – 150 juli – aug.
Eryngium x oliverianum amethistblauw 90 juli – aug.
Eryngium planum lichtblauw 80 juli – aug.
Eryngium planum ‘Blauer Zwerg’ diepblauw 60 – 80 juli – aug.
Eryngium x tripartitum blauw 80 juli – aug.
Eryngium x zabelii ‘Juwel’ violetblauw 80 juli – sept.
Eryngium x zabelii ‘Violetta’ violetrood 80 juli – sept.

De giftige kabouterplant: vingerhoedskruid

Onlangs wandelde ik als uitgelaten stedeling langs boszomen in het middenoosten van het land. Randen van bossen, struwelen en akkers interesseren mij zonder meer, omdat zo’n milieu-overgang specifieke planten en vegetaties te zien geeft.

Zo zag ik een groep vingerhoedskruid, paars en wit. Waren ze verdwaald of hoorden ze in deze zoomvegetatie thuis? Bij het zien van de bloemen van het vingerhoedskruid krijg ik altijd een associatie met kabouterverhalen. In de klokvorm van de bloem herken ik het karakteristieke kaboutermutsje en ook de roodpaarse kleur zal er het nodige aan bijdragen. De naam vingerhoed klopt niet helemaal, want de hoed eindigt toch min of meer in een puntvorm?

Vingerhoedskruid of Digitalis komt inderdaad van nature in sommige delen van Nederland in het wild voor. Voorkeursplaatsen: vrij gekapte plaatsen in het bos, hoog gelegen, maar toch vochtige gronden en ruige terreinen. Een specifieke soort, Digitalis lutea, die geel bloeit, komt op kalkrijke plaatsen voor. In het uiterste zuiden van Zuid-Limburg is deze soort nog wel aan te treffen. Digitalis purpurea komt het meeste voor. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied in Europa.

Digitalis samen met stokroos

Digitalis purpurea is ook de soort die altijd in tuinen staat met witte en purperpaarse bloemen. De bloei verloopt van onder naar boven langs de bloemstengel. De ‘klokken’ worden graag bezocht door hommels en bijen, die er tijdens het nectar zuigen volledig in verdwijnen.
Digitalis is een makkelijke plant om te houden als er maar een vochtig humeuze en het liefst halfschaduwrijke plaats is. Sommigen vinden het kruid een plaag. Na bestuiving van de bloem vormt zich een zaaddoos, waarin tientallen bruine zaadjes zitten. Is de zaaddoos rijp, dan leegt die zich spontaan en ben je vele vingerhoedskruiden rijker. Ga je met een rijpe, uitgebloeide zaadstengel lopen, dan ontkiemen her en der nieuwe planten op onverwachte plaatsen.

Wie nog geen kennis heeft gemaakt met deze toch heel mooie bloeier, moet weten dat vingerhoedskruid een tweejarige plant is. In het eerste jaar vormt zich een rozet van bladeren. De bladeren zijn donkergroen en voelen ruw aan. Over de onderkant van het blad ligt een witte waas. In het eerste jaar kan in het najaar worden verplant. Worden ze in het tweede jaar verplant, dan wordt de bloemstengel niet zo hoog en is de bloei minder. In het tweede jaar ontwikkelt de bloemstengel zich vanuit het hart van het rozet. Die kan wel 2 – 3 meter hoog worden. Het blad kan door schimmelziekten als meeldauw en de bladvlekkenziekte lelijk worden. Giet daarom niet op het blad en de stengel. Verwijder aangetast blad.

Digitalis is giftig!

Wees dus voorzichtig met het verplanten van Digitalis als u een open wond aan handen of armen hebt. Het ‘gif’ van Digitalis is weliswaar niet dodelijk, maar kan tot hartritmestoornissen leiden. De ‘giftige’ stof is digitaline en wordt onder andere gebruikt om de hartspier te beïnvloeden.

Asclepias, Amerikaanse zijdeplant

De zijdeplant is in sommige delen van Amerika onkruid. Verspreid over het gehele grondgebied komen specifieke soorten voor. Zo is Asclepias subulata een belangrijke voedselbron voor de monarchvlinder tijdens zijn tocht dwars over dit uitgestrekte continent.

Asclepias curassavica heeft de felste kleur van alle zijdeplanten

In Nederland moet je de zijdeplant behoeden voor kou in het najaar en de winter. Hoewel in Amerika de plant een ‘onkruid’plant is, is hij bij ons meestal maar tweejarig.

De zijdeplant behoort tot de kleine familie van de zijdeplantachtigen (Asclepiadaceae). Buiten Amerika komen enkele soorten voor in Afrika. In Amerika komen meer dan honderd soorten voor. Sommige soorten zijn groenblijvend, andere zijn één- of tweejarig of worden struiken. Kenmerkend voor de zijdeplant zijn de vijf teruggeslagen kroonblaadjes onder een wasachtige bijkroon. De bloemen staan in een tros op steel boven de bladoksels. De meeste soorten bezitten langwerpige tot elliptische bladeren. Blad en stengel bevatten melksap, dat giftig is. Rupsen die de zijdeplant als waardplant hebben, zijn immuun voor belagers door de giftigheid van het sap. Na de bloei verschijnen er aan de plant hauwtjes. Dit zijn langwerpige peulen. De hauwtjes zijn uitgerust met pluis voor verspreiding van het zaad door de wind.

Asclepias curassavica komt uit het zuidoosten van Amerika. Deze plant wordt tegenwoordig in tuincentra te koop aangeboden. Hoewel de plant in subtropische gebieden in het zuiden van Amerika overal als onkruid de grond uitschiet, is het een niet echt makkelijk te houden plant. Deze zijdeplant wordt tot ongeveer één meter hoog. In Amerika is het een groenblijvende halfstruik, hier laat de plant meestal z’n blad in het najaar vallen. Met moeite is hier de plant goed door de winter te brengen. Alleen in een verwarmde kamer of kas met een hoge luchtvochtigheid lukt het om hem in het voorjaar een nieuwe start te laten maken. De plant heeft blad van vijftien centimeter lang, dat lancetvormig van vorm is. Bloei in mei tot in het najaar op vijf tot tienbloemige schermen. De kroonblaadjes zijn felrood gekleurd en de bijkroon feloranje. Na de bloei komen er kokervormige vruchten verticaal op de vruchtsteel. Zaaien is het proberen waard. Een aardige (één- of tweejarige) plant voor balkon of terras.

Asclepias speciosa komt van nature voor in het oosten van Amerika. De plant wordt daar ongeveer één meter hoog. Bloemen van deze plant staan in een bolvormig scherm. De kleur is dof rozerood met wit.

De monarchvlinder trekt jaarlijks van Mexico naar Noord-Amerika

De vruchten zijn wollig behaard.

Asclepias subulata groeit in het westen van Mexico en het zuidwesten van Amerika op vochtige plaatsen langs oevers van overloopgebieden voor water (wadi’s). Deze zijdeplant groeit met talloze lange, lichtgroene stengels van één tot anderhalve meter hoog. De monarchvlinder gebruikt deze plant tijdens zijn lange trektocht als voedselbron (honing).

Asclepias tuberosa is een knolzijdeplant die in Noord-Amerika volop in weiden voorkomt. Het is een heel kleurige plant met kleine oranje, rode of gele bloemen op veelbloemige schermen. De plant groeit op zowel natte en droge grond en wordt door veel vlinders bezocht. In bloei een schitterende plant. Het is ook een goede snijbloem. De variëteit ‘Vermillion’ heeft rode bloemen en is hier soms als snijbloem te koop.

Engelwortel, een indrukwekkende schermbloemige

Engelwortel is inheems in het noordelijk deel van Europa. Het is een volstrekt winterharde plant, die in principe tweejarig is. Met wat geluk zaait de plant zich spontaan uit. In veel delen van de wereld is de plant verwilderd. In Syrië is de engelwortel echt inheems. Er bestaan drie soorten engelwortel. Ze zijn met hun reuze grote schermen een opvallende verschijning in de tuin.

Vroeger werd de engelwortel in verband gebracht met engelen. Naar met name de aartsengel Michaël zou de plant zijn vernoemd. Naar men ook aannam bloeit de engelwortel rond acht mei en dat is precies de verjaardag van deze aartsengel. Kwade geesten zouden met engelwortel kunnen worden bezworen en of dat nog niet genoeg is, zou een aftreksel van engelwortel ook helpen tegen koliek, verslijming van longen en keel, tegen maagzwakte. Hoe het ook zij, de engelwortel bloeit op z’n vroegst eind mei tot in oktober.

Angelica gigas bloeit met bordeauxrode, bolvormige schermen

Blad en stengels zijn heerlijke smaakmakers in tal van recepten.

De engelwortel behoort tot de schermbloemigen (Umbelliferae). De soort Angelica gigas is een waardevolle solitair; als rustpunt te gebruiken bij andere roestrode en bruin bloeiende planten en pimpernel (Sanquisorba officinalis), duizendknoop (Persicaria amplexicaulis) of Veronicastrum virginicum. De plant bloeit van mei tot en met juli paarsbruin. Laat de bloeiwijze na de bloei staan, ze zijn buitengewoon decoratief. Bovendien is het belangrijk, dat ze zich kunnen uitzaaien. De plant bereikt op goede grond een hoogte van honderdveertig centimeter.

Angelica sylvestris ‘Vicar’s Mead’ bloeit met roze schermen

De engelwortel groeit op alle gronden.

Angelica sylvestris ‘Vicar’s Mead’ is een veel gekweekte engelwortel. Bloei van juli tot en met augustus. De bloemschermen zijn lichtroze met daartussen veelal donkerder gekleurde schermen. Blad en stengels zijn purperrood. Zowel als solitair en als groep steekt deze engelwortel goed af bij siergrassen, ruit (Thalictrum) en het lichtgroene blad van wederik (Lysimachia clethroides). De plant wordt een honderdveertig centimeter hoog. De plant zaait zichzelf met wisselend succes uit.

Angelica archangelica bloeit met bleekgroene schermen

Soms komt er niets meer terug.

De grote engelwortel (Angelica archangelica) bloeit in mei tot en met juli met haast lichtgevende bleekgeelgroene schermen. De plant is algemeen in gebruik in kruidentuinen. Pas in het tweede jaar verschijnen bloemen. Plant deze engelwortel op een vochtige, zonnige of half beschaduwde plaats. Gebruik in de grond veel humus. De vlezige stengeldelen worden geconfijt en in gebak en likeur verwerkt. Fijngehakt blad is uitermate geschikt om er vis in te stoven (court bouillon). In gin en absint wordt olie uit de zaden gebruikt om de smaak te versterken. Ook deze plant is kan in een border als solitair worden gebruikt. De bloeikleur is zo ingetogen dat deze prima werkt in een veelkleurige border om een rustpunt te vormen. De plant wordt honderdtachtig centimeter hoog.

Stokrozen, nonchalance ten top

Stokrozen associeer ik meteen met het Deense landschap en de pittoreske witte huisjes, die met rieten daken zijn gedekt. Scherp tekenen in mijn geheugen de op de wind heen en weer wiegende, kleurrijke stokrozen zich af. Een mooier contrast van de zachte kleuren van de stokroos en die witte muren is haast ondenkbaar.

Vroeger heette de stokroos Althaea dat van het Griekse woord althos (geneesmiddel) is afgeleid. Tegenwoordig moet je ze Alcea noemen wil je nog meedoen in het vakjargon.

Enkelbloemige stokroos

‘t Is mij om het even; de plant is er niet minder mooi door. Gelukkig is de familienaam tenminste dezelfde gebleven: kaasjeskruid of Malvaceae. De meeste indruk heeft de stokroos op mij gemaakt bij een bezoek aan het Deense openluchtmuseum Gammle Have in Odense. Enorme ‘bossen’ met stokrozen sierden de tuin, die een immense en indrukwekkende kleurenpracht tentoonspreidde. De stokroos is al heel lang in cultuur en is wat je noemt een ouderwetse bloemplant.
In Nederland begint nu langzamerhand de belangstelling ervoor opnieuw te groeien. Terecht want de stokroos is een uitstekende gast in elke border en ook nog eens een heel andere ‘muurbedekker’ dan wat voor klimplant ook. Waarom de plant een tijdje in ongenade is geweest, ligt misschien aan het feit dat het in principe een tweejarige plant is. Desondanks niet getreurd; de stokroos gaat in veel gevallen wel 3 of 4 jaar mee. In het najaar loopt de plant bij de wortelvoet al opnieuw uit. Zet de snoeischaar daarom aan het einde van het najaar gerust in de uitgebloeide bloemstengel. Wel vervelend kan het zijn dat pas in het jaar nadat geplant is, de stokroos voor het eerst gaat bloeien. Heb dus wat geduld voor het schoons over!

Vele soorten

Van de stokroos Alcea rosea zijn twee typen bloemen bekend: enkelbloemige en dubbelbloemige en halfdubbelbloemige.

Enkelbloemige stokroos

De dubbelbloemige is naar mijn smaak toch echt de mooiste soort. De vele bloemblaadjes liggen sierlijk gekruld in het hart van de bloem. Die is daardoor onwaarschijnlijk mooi en doet sterk denken aan de bloem van een violier. Mengsels van ‘Schotse’ en ‘Chaterse’ zijn vooral dubbelbloemig; Hybrida Semperflorens levert zowel enkel- als dubbelbloemige. Allegheni staat bekend om halfdubbele en dubbele bloemen. Bij de enkelbloemige soorten valt vooral de vooruitstekende stamper in het oog. De bloemen ogen wat teerder dan die van de dubbelbloemige. Het mengsel ‘Indian Spring’ en ‘Nigra’ is typisch enkelbloemig. Een nieuwere aanwinst vormt het ras ‘Silver Puffs’. De planten hiervan worden niet hoger dan 60 cm en vertakken zich in tegenstelling tot alle andere genoemde soorten. ‘Silver Puffs’ is echt een soort die maar één jaar bloeit. Behalve de keuze voor een enkel- of dubbelbloemige stokroos zou ik maar niet te veel drukte maken over al die verschillende soorten. Het gaat tenslotte om de kleurenpracht.
Stokrozen zijn er in vele kleuren: wit, rood, rose, crème en zelfs geel. Slechts zelden worden ze op kleur aangeboden, maar juist die mengeling van kleuren is aantrekkelijk en vloekt nooit met elkaar. Bij het winnen van zaad van een bepaalde kleur heb je er ook later nog niet makkelijk vat op dat de plant kleurecht te voorschijn komt. Onderlinge kruising kan zonder meer.

Warm bed

Stokrozen koop je of je zaait. Zo simpel is dat. Stokrozen eisen een luwe, warme en zonnige plek in de tuin. Een zeer humusrijke grond houdt de groei en bloei in de stokroos, die daardoor echt vitaal blijft.

Enkelbloemige stokroos

Slechte en arme gronden zijn aanleiding voor een ziekte die roest wordt genoemd. Bruinverkleuringen van de bladrand of bruine spikkels erop is het beeld ervan. Zelden is de aantasting zo erg dat de plant erdoor sterft. Maar mooi is het niet. Pluk het aangetaste blad af en vernietig het.
Stokrozen worden lang, dat wil zeggen ten minste 1,50 – 2,50 m hoog. Een betere jaloezie voor een raam en zeker een fraaier (uit)zicht op de bloemen is niet te wensen. Stokrozen hebben ‘iets’ luchtigs en iets nonchalants. Tussen vaste planten of in contrast met keurig geschoren hagen voegen ze een eigen sfeer toe die zeker niet ‘truttig’ genoemd mag worden. Nee… het heeft veel weg van een toevallige passant die zeker gezien wil worden.
En mocht u willen zaaien; wees er op tijd bij om de zaadbollen te oogsten. Anders zaait de stokroos zichzelf wel uit. De bloei is van juli tot oktober. Buiten zaaien in pot of bak kan vanaf eind mei. Verplant de zaailingen begin najaar, de plantafstand onderling is 30 cm.