Mahonia heeft een ‘exquis winterparfum’

Soms kun je lopend door straten al ruiken wat hier en daar op het avondmenu staat. De droog vriezende winterlucht is daarvoor een goede en betrouwbare gids; de geuren van hutspot en zuurkool hangen als ‘geurbellen’ rond deurportalen. Soms vermengen ze zich met een andere aangename geur. Met die van Mahonia japonica, een zoetig parfum.

Mahonia in bloei
Mahonia is groenblijvend
en bloeit in de winter

In volle bloei komt de welriekende geur van deze struik met geveerde bladen je tegemoet. Het is een van de weinige in de winter bloeiende struiken, die bovendien wintergroen is.

Van alle groenblijvende heesters is Mahonia japonica de enige, die ‘s winters op afstand is te ruiken. De meeste groenblijvende heesters bloeien dan niet eens. Mahonia bloeit al vanaf begin december tot eind februari. ‘t Is wel een beetje afhankelijk van hoe hard het vriest. Een bloeiende struik met een sneeuwdek erop is geen zeldzaamheid. Zo’n bloeiende struik is van onschatbare waarde in het kale winterseizoen. De bloemen hebben wat weg van de ‘bellen’ van lelietjes van dalen. Ook de stengels met bladeren, keurig tegenover elkaar liggend gerangschikt, maken Mahonia tot een opmerkelijke verschijning.

Langzame groei

Mahonia japonica wordt zo’n 175 cm hoog. Het duurt wel een lange tijd eer de struik z’n uiteindelijke hoogte bereikt. Het is echt een

De naar honing geurende bloemen
bloeien in de winter

langzame groeier. De struik groeit het beste op een matig humusrijke grond. Op kleigrond is de groei nog trager; verschraling van klei met zand zorgt voor een betere groei. De struik wordt breder naarmate die ouder wordt. De uiteindelijke omvang bedraagt ongeveer 150 cm. De bladeren zijn gestekeld en gegolfd, dus een ‘prikker’. De bladeren staan langs stengels die wel 30 – 40 cm lang zijn. De stengels zelf zijn, aan de buitenkant, bruin van kleur.

Onderhuids is de stengel lichtgeel.

Mahonia kan beter niet worden gesnoeid, tenzij de struik te breed wordt. In dat geval worden stengels aan de voet, bij de wortels, weggesnoeid. Uitdunnen, ook bij de voet af, kan soms nodig zijn, maar meestal is er maar één stengel.

Soorten

Behalve de hierboven beschreven Mahonia zijn er nog veel meer soorten, maar geen enkele geurt zo lekker als japonica. Mahonia x media ‘Charity’ en Buckland’ lijken in veel opzichten op japonica. De groeisnelheid van deze soort is groter dan die van alle andere soorten. Van Mahonia aquifolium zijn veel cultuurvariëteiten in de handel: ‘Apollo’, ‘Atropurpurea’, ‘Forescate’, ‘Hastings Elegans’, ‘Smaragd’ en ‘Undulata’ zijn de bekendste. Het merendeel is meer geschikt voor openbare plantsoenen.
Een bijzondere soort is Mahonia bealei met bladeren tot wel 30 cm lang. Dit is een decoratieve struik (150 cm hoog) en een mooie solitair.

Prunus subhirtella, een welkome winterbloeiende kers

In donkere wintermaanden is alles wat bloeit welkom. Maar wat er dan bloeit, is behoorlijk beperkt. Bloeiende struiken vallen daarom direct op tussen al die bladerloze struiken en bomen. Deze kers heeft weinig concurrentie te duchten van andere winterbloeiers.

Winterbloeiende kers wordt uiteindelijk een kleine boom
De wit tot bleekroze bloemen verschijnen voor en na het afvallen van bladeren

Prunus subhirtella komt van nature voor in Midden-Japan. Al vanaf het begin van de zestiende eeuw wordt de struik in Japanse tuinen gebruikt. Via de VS is de struik pas omstreeks 1894 naar Europa gekomen.

Wie zo’n leuk bloeiend struikje denkt te kopen moet zich wel realiseren, dat het uiteindelijk een kleine boom van zo’n 7 meter hoog wordt. Snoeien kun je bij deze kers maar beter achterwege laten. De struik wordt er beslist niet mooier door. Het geslacht Prunus behoort tot de roosachtigen (Rosaceae). Van Prunus subhirtella is een aantal variëteiten te koop. Ze bloeien allemaal even mooi.

Bijzonder aan deze in de winter bloeiende kers is, dat deze al in de herfst bloeit voor het blad er vanaf is gevallen. En doorgaat met bloeien, nadat het blad is gevallen. Globaal bloeit de struik vanaf oktober tot ver in februari.

Andere in de winter bloeiende struiken

Kornoelje (Cornus mas), sneeuwklokjesboom (Chimonanthus virginicus), toverhazelaar (Hamamelis spec.), mahoniestruik (Mahonia japonica) en sneeuwbal (Viburnum bodnantense).

Andere in de winter bloeiende kersen

Soort/variëteit Hoogte Bloemkleur Bijzonderheden
P. subhirtella ‘Autumnalis Rosea’ 400 – 600 lichtroze bloemen half gevuld
P. subhirtella ‘Fukubana’ 250 karmijnroze dicht vertakte struik, bloemen half gevuld, bloeit in april – mei
P. subhirtella ‘Pendula Rubra’ 500 dieproze treurvorm, bloeit vanaf januari, bloemen enkel

Malaviscus

Malaviscus is een aardige zomerstruik voor op balkon of terras. Wie er lang plezier van wil hebben, zal deze struik in de winter binnen moeten laten overwinteren. Het aardige van de struik zit hem vooral in de langdurige bloei van midden zomer tot aan het eind van de herfst. Opvallend grote, klokvormige bloemen in tuilen verschijnen aan de struik. De bloemen hebben wat weg van hibiscusbloemen. In de winter kan de struik worden bijgesnoeid.

Malaviscus groeit van nature in tropische delen van Noord- en Zuid-Amerika. Het geslacht telt drie soorten. Het zijn struiken of kleinblijvende bomen.

Van een rijke bloei ben je bij Malaviscus arboreus verzekerd

Malaviscus arboreus is een groenblijvende struik, die tot 3 meter hoog kan worden. De struik is vorstgevoelig en bij ons typisch een zomerplant voor balkon of terras.

De naam Malaviscus (Malvaceae) is afgeleid van malva, dat malve betekent, en viscidus, dat kleverig of plakkerig betekent. Dit laatste slaat op de bloem, die bij aanraking enigzins kleverig is door de waslaag. De bloemen kunnen een rode, roze of witte kleur hebben en staan op een lange steel. Opvallend kenmerk is verder nog de lange steel met meeldraden die uit de bloem steekt. Deze steel kan een keer zo lang zijn als de bloem zelf is. Bladen van Malaviscus zijn hartvormig en hebben een lichtgroene kleur. Randen van het blad zijn gezaagd, terwijl het blad zelf licht behaard is.

Malaviscus verlangt een humusrijke grond en gedurende de zomer rijkelijk water. Een plaats in de volle zon of in ieder geval een zeer lichte plaats is nodig. Aan het gietwater kan eens per maand een beetje kunstmest in de vorm van een NPK-meststof in opgeloste vorm worden toegediend. De bladen behouden hierdoor hun frisgroene kleur. Halverwege de herfst moet de struik binnen bij een temperatuur van circa 15° C. overwinteren. Vanaf dat tijdstip moet er minder water worden gegeven. In de winter sterk uitgegroeide stengels terugknippen tot eenderde van hun lengte. Zorg voor een min of meer bolvormig struikje. In het voorjaar verpotten en een grotere potmaat gebruiken als het jaar daarvoor.

Quercus turneri ‘Pseudoturneri’, een bijna wintergroene eik

Wie goed om zich heen kijkt, zal opmerken, dat sommige bomen hun blad weliswaar lang vasthouden, maar uiteindelijk toch kaal door de winter gaan. Een kleine boom/grote struik, die ‘s winters wel z’n diepgroene blad behoudt, is de Oostenrijkse eik. Deze bijzondere eik zult u zelden of nooit aantreffen in het sortiment van een kwekerij. Jammer, want het zou een vrolijke noot zijn in het overwegend loofloze winterseizoen. De Oostenrijkse eik draagt bijna altijd de hele winter door z’n blad.

Blad van Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ is ook in de winter groen

De reden dat kwekers niet zo happig zijn om deze kleine boom of struik te kweken, kan zijn gelegen aan de bijna onvoorspelbare uitgroei. Soms wordt een keurige stam gevormd of in andere gevallen groeit een meerstammige struik. Desondanks zou ik ervoor pleiten om deze eik in het sortiment op te nemen. De eik wordt niet zo hoog en is een prachtige verschijning in tuin, patio, park of op het balkon.

Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ had vroeger als naam Quercus austriaca sempervirens, vandaar dat ik deze eik maar Oostenrijkse eik noem. Quercus turneri is ontstaan uit een kruising van Quercus robur en Quercus ilex. Laatstgenoemde eik (de steeneik) is groenblijvend.
De bladen van de boom zijn leerachtig en vijf tot tien centimeter lang. Kenmerkend is dat de nerven aan de onderzijde van het blad licht behaard zijn. Het blad is aan de top gelobd of zwak gegolfd.
Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ wordt vier tot zes meter hoog en minstens zo breed, maar groeit heel langzaam. Plant deze eik op een vochtige, humeuze grond op een zonrijke plaats of in de halfschaduw.

Medinilla, rechtstreeks van de Filippijnen

Voor het eerst zagen wij Medinilla op de Gentse Floraliën. Een schitterend exemplaar met een doorsnede van toch wel gauw 1½ meter. Een uitzonderlijk gevaarte in een tobbe geplaatst, van een omvang waar een smerig geworden veedrijver in een wildwestfilm zeker een goed bad in had kunnen nemen. Afijn, Medinilla staat nog steeds op mijn netvlies en heel sporadisch, bij het zien van een western, komt dat beeld steevast terug.

Medinilla magnifica kan een indrukwekkende struik worden

Medinilla is bepaald geen struik die in een klein huis past. De struik eist een eigen onderkomen. Goed verwarmd en met een hoge luchtvochtigheid. In feite is het meer een struik voor een serre, kas of om in de zomer in tuin en op terras mee te pronken. Daarna zal de struik bewaard moeten worden bij een minimale temperatuur van zo’n 16° C. Een jonge struik zal niet al te veel problemen geven, die is nog wel op te tillen. Naarmate hij ouder wordt, moet er bij wijze van spreken een kraan aan te pas komen. In statige kasteeltuinen langs de Loire wordt Medinilla nog steeds heen en weer gesjouwd tussen binnen in de serre en buiten in de tuin.

Medinilla behoort tot de familie van de Melastomataceae.

Bloemen van Medinilla magnifica zijn werkelijk magnifiek

Hiertoe behoort bijvoorbeeld ook Tibouchina. In het land van herkomst leeft de struik voornamelijk epifytisch en wordt daar 1.80 meter hoog. Bladeren zijn glimmend donkergroen en zeker 20 centimeter lang. De nerven liggen opvallend hoog in het leerachtige blad en zijn lichtgeel.
Hangende bloeistengels ontstaan aan het eind van de winter en gedurende de zomer aan de uiteinden van stengels. Hoewel de tros van behoorlijke afmeting is (20 – 35 centimeter), zijn de eigenlijke bloemen maar klein. Het imposante en grootse van de tros wordt in belangrijke mate bepaald door de roze, kroonbladachtige schutbladen. Die staan in kransen rond de eigenlijke bloemen. Wie heel goed kijkt, ziet de verfijnde, paarse meeldraden uit de trompetvormige bloemen steken. Dit kleine detail maakt de bloem af en geeft daaraan z’n cachet.

Medinilla heeft vanaf de lente tot het einde van de zomer weinig water nodig. In de winter leeft de struik liever van een hoge luchtvochtigheid dan van water in de grond. In een kas is een hoge luchtvochtigheid gemakkelijker te realiseren dan in een verwarmde serre. Veel over de grond sproeien is dan een redelijke oplossing. Vanaf het eind van de lente tot het einde van de herfst moet de struik geregeld vloeibare mest worden gegeven. De grond, waarin Medinilla moet groeien, moet bestaan uit een doorlatende humusrijke grond. Oude kwekers gebruikten hiervoor graszodenaarde, mest en heigrond vermengd met een beetje zand.

Rhus, azijnboom

Azijnboom, fluweelboom en sumak zijn synoniemen voor het geslacht Rhus. In ons land wordt Rhus een flinke struik tot kleine boom.

R. typhina (fluweelboom) heeft in de zomer groenachtig gele bloemen in kaarsvormige pluimen

Een hoogte van 4½ meter bij een breedte van 3½ meter is geen uitzondering. Een azijnboom groeit op vrijwel alle grondsoorten, maar een licht humeuze grond heeft de voorkeur. Het enige nare van de azijnboom zijn ongetwijfeld de worteluitlopers.

Rhus is een groot geslacht met struiken, bomen en klimplanten. De groep bestaat uit wel meer dan tweehonderd soorten. Het geslacht behoort tot de Anacardiaceae (pruikenboomfamilie). Enkele soorten veroorzaken allergische reacties op de huid. Deze groep is inmiddels in een eigen familie ondergebracht (Toxicodendron). De soorten Rhus die hier worden beschreven veroorzaken geen allergie, tenzij iemand gevoelig is voor hooikoorts, dan is het beter geen Rhus aan te planten. Desondanks is het aan te bevelen bij snoeiwerkzaamheden de handen te beschermen met handschoenen. Rhus glabra en Rhus typhina en hun variëteiten worden in ons land het meeste gebruikt. Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. Daar groeien ze in rotsachtige, zanderige gebieden en op opengevallen plaatsen in het bos.

 
R. typhina in zomertooi R. typhina in herfsttooi

Rhus kan op den duur problemen geven door de vele worteluitlopers. De uitlopers kunnen tot op een afstand van vijf tot zes meter plotseling in de eigen of buurtuin opduiken. Aan verhardingen of muren veroorzaakt Rhus geen schade. Verwijder worteluitlopers zo snel mogelijk.

Snoeien

Rhus kàn in het voorjaar worden gesnoeid. Snoeien gebeurt alleen om de struik eens te verjongen. In dat geval wordt de struik/boom tot op zo’n tien centimeter boven de grond afgesnoeid. Spoedig daarna lopen er nieuwe spruiten op de stam uit. Helaas zie je dan ook het aantal worteluitlopers (opslag) toenemen. Om invloed uit te oefenen op het aantal zijscheuten en dus latere (hoofd)zijtakken kunnen er enkele jonge spruiten worden aangehouden en de rest worden verwijderd. Laat Rhus zich zoveel mogelijk spontaan of op natuurlijke wijze ontwikkelen. Zo wordt de struik/boom echt op z’n best.

De meest gebruikte soorten

Soort/variëteit Hoogte (cm) Bijzonderheden
Rhus glabra 450 Gladde sumak. Bladverliezend. Compact groeiend. Met een parasolvormige kroon. Roodachtig tot paars berijpte takken, die wit berijpt zijn. Blad blauwgroen, tegenoverstaand geveerd. In de zomer (juni – juli) groen- tot roodachtige bloemen, gevolgd door roodachtig behaarde vruchten. In herfst rode bladkleur.
Rhus glabra ‘Laciniata’ 450 Als boven, maar met diep ingesneden tegenover elkaar staande, geveerde bladen.
Rhus typhina 450 Fluweelboom, azijnboom. Bloeit in juni – juli met geelgroene kaarsachtige bloemtuilen. Vormt een bijna kaarsrechte dunne stam of verscheidene stammen. Heeft geveerde, vijftien centimeter lange bladen, die getand zijn. Vruchten donker bordeauxrood. Rode tot diepgele herfstkleur. Bladverliezend.
Rhus typhina ‘Dissecta’ 450 Als boven, maar met zeer diep ingesneden, varenachtige bladen. Behoud tot ver in de winter z’n vruchten.
Rhus chinensis ‘Winter Beauty’ 600 of meer Komt uit China en Japan. De samengestelde bladen zijn zeer grof getand. De stelen zijn gevleugeld. Bloeit in juli – augustus met vuilwitte bloemen gevolgd door rode bessen. Heeft een vlammend rode tot dieproze herfstkleur. Bladverliezend.

Van het zuidelijk halfrond: Metrosideros

Door de bereikbaarheid van de onmogelijkste plekken op aarde neemt het aanbod planten voor tuin en kamer toe. Sommige zijn tijdelijk modieus en verdwijnen na een tijdje. Andere houden het langer vol en vergroten de mogelijkheid om eens iets bijzonders te verzorgen. Van het Noordereiland van Nieuw-Zeeland komt Metrosideros, een bijzondere plant voor kamer, balkon, serre of kuip.

Metrosideros villosa
Metrosideros villosa in bloei

Bij nieuwe planten moet je soms maar raden hoe ze moeten worden verzorgd. Soms hangt er een label aan met instructies voor de verzorging. In het uiterste geval weet de bloemist er misschien iets van. Aan Metrosideros hing een label met (gebrekkige) aanwijzingen over bloeitijd en de te geven hoeveelheid water.

Metrosideros villosa bloeit in februari – april ongeveer vier weken lang. Metrosideros excelsa bloeit vanaf half juli tot half augustus. Beide planten komen uit de laagvlakten van Nieuw-Zeeland. Ze groeien op de heuvelachtige vlakten langs de randen van het hardloofbos (Duri-silvae). Het is een gebied met grote verschillen in dag- en nachttemperatuur. Vandaar dat de bladeren van beide soorten leerachtig aanvoelen. De bladeren zijn grijsgroen van kleur en viltig behaard. De beharing zorgt ervoor dat vocht uit de lucht kan worden opgenomen en extreme verdamping wordt tegengegaan. Het zijn wintergroene planten.

Plumeauachtige bloem

Metrosideros wordt als potplant aangeboden. In het land van herkomst worden het hoge struiken of zelfs flinke bomen tot wel twintig meter hoog. Hier is het nog maar afwachten hoe hoog ze zullen worden. Naast de

Metrosideros excelsa bloeit met sierlijke, bolronde pluimen

frisgrijze bladeren zijn de bloemen het opvallendst. De bloemen bestaan uit rode steeltjes met daarop het gele stuifmeeldoosje. De stamper bevindt zich in de kern, waaromheen de manlijke bloeidraden ontspringen. De bloemen van Metrosideros villosa lijken op een ijle plumeau of doen denken aan een in bloei staande zeeanemoon. Verwant aan deze planten is ook Callistemon. Ze behoren tot de familie van de Myrtaceae.

Verzorging

De planten bloeien van jongsaf aan overvloedig mits ze op de juiste manier worden verzorgd. Na de bloei kan de plant in de tuin op een zonnige plek worden gezet. Eerst nog moet de plant worden verpot in verteerde naaldenbosgrond. Omstreeks september wordt de plant binnengehaald om te overwinteren op een koele, vorstvrije plaats. Zodra er knoppen te zien zijn, moet er vloeibare plantenmest worden gegeven. Gebruik een sterk verdunde oplossing. Myrtaceae is gevoelig voor verbranding door ophoping van zouten in de grond. Stop met het geven van vloeibare mest als de plant is uitgebloeid. Als de knoppen roodachtig beginnen te kleuren, kan de plant worden overgebracht naar een warmer vertrek (kamer, serre, broeikas). Zet Metrosideros nooit eerder buiten dan ná half mei.

Ribes ‘King Edward VII’, een koninklijke bes

De Engelse koning Edward VII was de zoon van koningin Victoria. Hij was geen machtig vorst; had weinig in de politieke melk te brokken. Desondanks werd in 1904 een mooie sierbes naar hem genoemd: Ribes sanguineum ‘King Edward VII’. De selectie werd gewonnen bij de kwekerij Cannell & Sons.

Brede trossen lichtroze bloemen; bloem en blad lopen tegelijk uit

King Edward staat nu in veel tuinen.

Ribes sanguineum betekent zoveel als bloedrode bes. De struik is inheems langs de westkust van de Verenigde Staten en tot ver in Brits Columbia. Daar vergezelt hij Thuja plicatum, een conifeer. Op een hoogte tussen zes- en achthonderd meter groeit de struik daar van nature. Archibald Menzies ontdekte de wilde struik in 1793. In Engeland werd de struik voor het eerst in 1826 door David Douglas geïntroduceerd.

Stank

Ribes sanguineum bloeit in maart tot begin juni. Sommigen halen hun neus voor deze struik op. De bloemen verspreiden een doordringende geur, die aan kattenpis doet denken.

Gebruik

Ribes sanguineum kan worden gebruikt als solitaire struik, als losgroeiende haag en je kunt hem schermvormig aanbinden aan een muur. Als de struiken als haag worden gebruikt, knip dan de haag pas na de bloei. De struik groeit op alle gronden, iets vocht houdend en het liefste in de halfschaduw.

Snoeien

Ribes sanguineum is een winterharde, bladverliezende struik die op tweejarig hout bloeit. Snoeien direct na de bloei. Snoei één van de drie oude en uitgebloeide takken bij de grond weg. Herhaal deze manier van snoeien ieder jaar. Jonge uitlopers zorgen voor bloei het jaar daarop. Is de struik helemaal verouderd en bloeit hij matig tot slecht, pas dan verjongingssnoei in het midden van de winter toe. Bij verjongingssnoei worden alle takken tot dertig centimeter boven de grond weggesnoeid.

Andere cultuurvariëteiten

Botanische naam Bloemkleur Hoogte (cm)
R. sanguineum ‘Atrorubens’ lichtrood 200
R. sanguineum ‘Atrorubens Select’ donkerrood 200
R. sanguinea ‘Brocklebankii’ bleekroze 150
R. sanguinea ‘Lombartsii’ roze met bleekroze hart 200
R. sanguinea ‘Splendens’ helderrode grote bloemen 200
R. sanguinea ‘Tydeman’s White’ wit-roze 150
R. sanguinea ‘Plenum’ gevuldbloemig rood 175
R. sanguinea ‘Pulborough Scarlet’ dieprood met wit hart 250

Mispels zijn duizelingwekkend lekker

De mispel is haast een museumstuk; je ziet ze nauwelijks meer en ze worden nog maar zelden geplant. Jammer, want de struik bloeit mooi en geeft nog lekkere vruchten ook. In het Openlucht Museum in Arnhem staat een volgroeid exemplaar. Een mispel is echt zo’n struik die in een edible garden past.

Mispels moeten tot na een nachtvorst aan de boom blijven hangen

Mispel bevrucht zichzelf, dus zijn twee exemplaren voor de bestuiving en vruchtzetting niet nodig. De sierwaarde bestaat in hoofdzaak uit grote witte bloemen die aantrekkelijk geuren.

Eeuwenoude cultuur

De vruchten van de mispel zijn door de Romeinen uit Klein-Azië naar Europa gebracht. Aan de Kaspische Zee was de vrucht al een paar duizend jaar in cultuur. Linnaeus gaf aan de mispel z’n Latijnse naam Mespilus germanica, omdat hij dacht dat die in Duitsland van nature groeide. Op landgoederen en in kasteeltuinen werden mispels gehouden om de laxerende werking van de vrucht. De herkomst en oorsprong van vele cultuurvariëteiten is onduidelijk. Zowel Hollandse als Engelse variëteiten zijn nu in cultuur. Met name in Engeland komt de mispel (aangeplant) in houtwallen, struwelen en als haag voor.

Enten of oculeren

Een uit zaad voortgekomen mispel groeit langzaam en wordt dan meer een heester. Het zaad kiemt moeilijk en moet eerst behandeld worden om de kiemrust op te heffen (stratificeren). Hetzelfde euvel doet zich voor

De mispel ontwikkelt zich met een grillige structuur van de kroon (foto:Mispel in het Openlucht Museum in Arnhem)

bij o.a. bottelrozen. Overigens is de mispel een lid uit de familie van de rozen (Rosaceae). Het dichtste staat de mispel bij de meidoorn en kan daarmee door middel van enten of oculeren worden verenigd. Als onderstam wordt ook de wilde peer (Pyrus communis) en kwee (Cydonia oblonga) gebruikt. De onderstam zorgt ervoor dat de mispel op stam groeit, een forse struik wordt en bovendien meer vruchten in een betere regelmaat geeft.
Mispels hebben een niet te natte, kalkrijke grond nodig en zijn absoluut zonaanbidders. In mei – juni komen er grote witte bloemen aan de struik. De zoetige geur is onmiskenbaar. Pas na 3 of 4 jaar geeft de struik vruchten. Mispel is zelfbestuivend.

Snoeien en oogsten

Een mispel moet je zo min mogelijk snoeien. Hoe meer je snoeit, des te meer verticaal groeiende scheuten. Een jonge struik moet door middel van snoeien worden opgeleid: drie of vier hoofdtakken worden in de beginjaren aangehouden. In de winter worden deze hoofdtakken met eenderde van de lengte ingesnoeid. Er zullen in het daaropvolgende seizoen veel zijtakken aan deze hoofdtakken worden gevormd. Mispel bloeit op tweejarig hout. In navolgende jaren worden alleen oude vruchttakken weggeknipt als de kroon te dicht dreigt te worden. Snoeien op bevordering van sporen is niet nodig.

Mispelvruchten zijn in het begin hard

Deskundigheid op het gebied van snoeien is ook niet nodig om toch vruchten te krijgen. Een mispel heb je op stam of je maakt er een waaiervorm van.

De vruchten moeten lang aan de struik blijven hangen; dit komt uiteindelijk de smaak ten goede. Omstreeks oktober hangen de vruchten in de struik. Heb geduld; laat er eerst een paar lichte nachtvorsten overheen gaan, voordat u oogst. De vorst zorgt ervoor dat het vruchtvlees zacht wordt. Na die nachtvorsten kan er worden geoogst. Dan nog is het raadzaam de vruchten (met de stelen rechtop) een tijdje op een koele plaats te bewaren. Ze lijken dan wel rot te worden, maar zijn dit beslist niet.
Een mispel is sappig met een zoetzure smaak. Er kan heerlijke jam of gelei van worden gemaakt. De gelei is een tractatie bij (water)wild en lamsvlees. De gelei wordt gemaakt door de vruchten in een pan onder water te zetten, ze op een laag vuur te stoven, totdat ze gaar zijn. Giet de vruchten uit door een zeef en voeg 500 gram suiker toe per 750 cc. Kook de vloeistof in tot de gewenste dikte en laat deze afkoelen.

‘t Is maar dat u het weet…
Mispels werken sterk laxerend. Eet er niet te veel (van), want u kunt er duizelig van worden. Mispels verlichten menstruatiepijn.

Enkele cultuurvariëteiten:

‘Bredase Reus’, geeft grote ruwe, dofbruine vruchten.
‘Hollandse Mispel’, heeft grote bloemen en geeft bruine vruchten.
‘Nottingham’, klein blijvende struik, geeft kleine bruine vruchten.
‘Westerveld’, rijkdragend, middelgrote bruine vruchten.

Nandina voor binnen en buiten

Nandina is een groenblijvende heester, die in China en Japan inheems is. De eerste indruk van Nandina is, dat het om een bamboe gaat. Het is echter een geslacht, dat tot de zuurbessenachtigen (Berberidaceae) behoort. Nandina houdt van warmte, is licht vorstgevoelig, maar kan zowel in de tuin als op het balkon en in een serre worden gehouden.

Bij Japanse tempels wordt Nandina veelvuldig in de tuin gebruikt. De Latijnse naam is afgeleid van de Japanse woord nanten. Van nature wordt de struikachtige plant tot honderdtachtig centimeter hoog. In een pot of kuip blijft ze beduidend lager. Aan de

Nandina domestica bloeit in de zomer met eindstandige pluimen

rechtopgaande stengels komen diepgroene, puntige bladen. Het is een sierlijke struik, die voor een oosterse sfeer kan zorgen. In de eerste helft van de zomer verschijnen lange pluimen met witte bloemen. De pluimen zijn tot wel dertig centimeter breed. Na de bloei verschijnen rode bessen aan de struik. In het voorjaar kunnen de zaden uit de bes worden gezaaid. Aan het einde van de zomer kan Nandina ook worden gestekt (stek met hieltje).

Bladen kleuren

Het aardige aan Nandina is, dat naast bloem en bes de bladen mooi kunnen verkleuren in de nazomer, herfst en winter. De elliptische bladen, die meestal dubbel geveerd langs de stengels staan, kunnen bij uitlopen rood van kleur zijn. In het najaar, wanneer de temperatuur lager wordt, verkleuren de in de zomer groene bladen naar geel, oranje of soms rood.

Verzorging

Nandina moet op een lichte plaats in de halfschaduw staan. Wie in de winter de struik buiten laat overwinteren, moet de struik beschermen tegen vorst. Het meest praktische is om Nandina in een grote pot met goede grond te houden, zodat voor het begin van de winter de struik binnen kan worden gehaald. Overwinteren bij een temperatuur van minimaal 4 °C. In de winter matig tot weinig water geven. Gedurende het groeiseizoen moet Nandina af en toe vloeibare mest krijgen. Soms kunnen plagen als schildluis en rode spint in de struik komen. Bespuit in dat geval met Promanal van Ecostyle. Wie geen bloem in de struik kan krijgen, heeft te maken met het feit dat Nandina tweehuizig is. Om bloemen te krijgen is een mannelijk en vrouwelijk exemplaar nodig. Nieuwere cultuurvariëteiten uit Nieuw-Zeeland hebben dit euvel niet, want zijn eenhuizig.

Snoeien

Nandina kan soms lange scheuten maken. In het voorjaar kunnen deze lange scheuten worden teruggesnoeid. Iele scheuten worden bij de basis weggeknipt. Dit stimuleert de aanmaak van stevige scheuten. Verjongen van de struik gebeurt door de oudste stengels bij de basis af te knippen. Nandina herstelt zich goed na verjonging. Verwijder uitgebloeide bloemen als u geen prijs stelt op bessen.

Variëteit Bladkleur Bijzonderheden
‘Compacta’ Roze of rode bladen in winter. Tot ca 50 cm hoog.
‘Firepower’ Roze of rode bladen in winter. Wordt tot ca 50 cm hoog.
‘Harbor Dwarf’ Roodachtig gekleurde bladen in najaar. Wordt tot ca 60 cm hoog. Breidt zich met wortelstokken uit. Kan als bodembedekker worden gebruikt.
‘Nana’ Rood of donkerrood gekleurde bladen in najaar en winter. Tot ca 50 cm hoog.
‘Nana Purpurea’ Paarsachtige bladen in de zomer. Wordt tot ca 50 cm hoog.
‘Richmond’ Roze of rode bladen in herfst en winter. Wordt tot ca 65 cm hoog. Is eenhuizig. Geeft veel bessen.
‘Umpqua Chief’ Fraaie rode bladen in winter Wordt tot ca 175 cm hoog.