Het cleistogame moerasviooltje

De vrolijke en frisse kleuren van violen spreken iedereen aan. In het voorjaar of al in de herfst wordt tuin of balkon ermee opgevrolijkt. Deze violen (Viola tricolor) vallen op door de grootte van de bloem. Omstreeks half mei rekken deze violen in de lengte, tot de dood erop volgt.

Viola palustris heeft een vrijwel cirkelvormig blad

Anders is het gesteld met het moerasviooltje, dat in het wild voorkomt en met helder lichtpaarsblauwe bloemen bloeit op soms ongeziene plaatsen in moerassen en langs greppels in bossen.

Van nature groeit het moerasviooltje (Viola palustris) in door zure veenmos – rietland gekenmerkte situaties of in door veenmos op pleistocene zandgrond getypeerde situaties. Samen met Tormentil (Potentilla erecta), ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia) en blauwe knoop (Succisa pratensis) is het moerasviooltje dan te vinden. Het

Viola palustris groeit hier samen met dotterbloemen in een heempark
(Jac.P. Thijssepark, Amstelveen)

moerasviooltje is soms te koop bij een in moeras- en waterplanten goed gesorteerd en gespecialiseerd tuincentrum.

Het moerasviooltje groeit in natte situaties. Daarom is dit plantje te gebruiken op een plek nabij vijvers of in drassige situaties. Zowel in de volle zon of in de halfschaduw is de groei en bloei uitstekend. Voorwaarde is een zuur milieu. Dit is na te bootsen door gebruik te maken van een mengsel van tuinturf vermengd met verteerde bladgrond. Een groep moerasviooltjes bij elkaar geplant is uiteraard aantrekkelijker dan een enkel plantje.

Het moerasviooltje behoort tot de viooltjesfamilie (Violaceae). Het bloeit vroeg in april tot halverwege juni. Zoals het geval is met alle blauw bloeiende viooltjes, worden de bloemen op twee manieren bevrucht: door bijen, wespen of vlinders of door zelfbevruchting. Bij zelfbevruchting

Viola palustris bloeit met bleekblauwe bloemen.

groeien de stuifmeelbuizen al, voordat de bloemknop zich heeft geopend, het vruchtbeginsel binnen. Dit worden cleistogame bloemen genoemd. Het onderste bloemblad is bij viooltjes verlengd tot een spoor. Twee van de vijf meeldraden scheiden honing af, de overige niet. In het centrum van de bloem staat de stempel, omgeven door de meeldraden. Zaden van het viooltje zijn eenhokkig. Als ze rijp zijn, worden ze ver weg geslingerd. Aan het zaadje zit een aanhangsel, dat mieren aantrekt. Mieren zorgen dan ook voor de verspreiding van de zaden. De kleine groene blaadjes van het moerasviooltje zijn rond tot niervormig of soms zwak hartvormig en onbehaard.

Het moerasviooltje is geen zeldzame plant. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van IJsland en de Noordkaap tot in de landen langs de zuidkust van de Middellandse Zee en in vrijwel heel Noord-Amerika.

Lysichiton, moerasaronskelk

Lysichiton, Grieks voor losse mantel, is een relatief makkelijke tuinplant, die echter wel een kletsnatte standplaats vereist. Een gewone vijverrand is meestal niet geschikt, omdat de plant in de zomer toch veel ruimte vraagt. Lysichiton behoort tot dezelfde familie als bijvoorbeeld de aronskelk en de flamingoplant, maar ook kalmoes en Arisaema. Het is een boeiende plantenfamilie met veel sierplanten en enkele voedselplanten.

Lysichiton americanus, de bloeischeden verschijnen voor de bladeren eraan komen

De beste plek is de oever van een vijver met een natuurlijke bodem of een plek langs de rand van een sloot. Spontane uitzaai is dan soms zelfs mogelijk.
Van de moerasaronskelk zijn twee soorten geschikt om in een moerasgedeelte van een vijver te gebruiken:
Lysichiton americanus – komt van oorsprong uit de veenmoerassen van het noordwestelijke deel van Noord-Amerika, groeit verder ook in het noordwesten van Californië en het oosten van Montana. Als deze moerasplant in het voorjaar in de Botanische Tuinen van Utrecht bloeit, trekt hij veel aandacht en worden er veel vragen over gesteld. Deze soort bloeit met grote, gele bloemen en heeft ovale bladen. De totale hoogte van het schutblad is ongeveer 35 cm en de plant groeit op maximaal 10 centimeter onder water. Als particulier mag u deze plant overigens niet houden.
Lysichiton camtschatcensis – is inheems in Kamchatka, het noorden van Japan, en in delen

Lysichiton camtschatcensis, de opengevouwen bloemschede omgeeft de aronskelkachtige bloem

van Siberië en groeit ook op maximaal 10 centimeter onder water. De ongeveer 30 cm hoge, zuiver witte bloemen, worden gevolgd door peddelvormige bladen. De grote bladen zijn zeer decoratief vanwege hun lengte en diepliggende nerf.

Van beide soorten bevinden de bloemen zich aan de schacht, die tussen het grote schutblad zit. Er zitten aan deze schacht mannelijke en vrouwelijke bloemen. Het schutblad maakt in werkelijkheid geen onderdeel uit van de bloem! De bloemen verschijnen in de periode april – mei, voordat het blad aanwezig is. Een volwassen plant kan 6 tot 8 bloemen produceren en omdat er in het vroege voorjaar langs de vijverrand nog niet veel planten staan, valt een grote pol Lysichiton erg op.

Het blad gaat zich pas na de bloei ontwikkelen. Op voedselrijke plaatsen kan dat blad tussen 80 en 100 cm hoog worden. In de periode dat het blad gaat groeien, ontwikkelen zich ook de zaden. In de zomer is het zaad rijp. Wie zelf eens Lysichiton wil kweken, kan dat zaad in een grote bak zonder afvoergaten met kletsnatte potgrond zaaien. De ervaren tuinier heeft na 3 jaar bloeiende planten.
Lysichiton is volkomen winterhard en kan in ons klimaat uitstekend groeien in een diepe, modderrijke situatie. Planten in de volle zon zorgt voor een prima bloeirijkheid.

Bij een enkele plant ruik je het niet, maar een groot aantal bloeiende Lysichitons bij elkaar verspreidt een onaangename teerlucht. [ Wiert Nieuman, hortulanus Botanische Tuinen van Utrecht

]

Decoratieve cypergrassen

Cypergrassen komen op vochtige plaatsen in heel de wereld voor. Er zijn meer dan zes honderd van deze zeggesoort. Cypergras is geschikt voor in huis, maar nog beter voelt de plant zich thuis aan de rand van de vijver of in een ondiepe vijveroever. De meest gangbare soorten worden hier beschreven. In het najaar moet cypergras binnen overwinteren, daar komt wel enige specifieke verzorging bij kijken.

Cyperus involucratus (parapluplant) is inheems in Madagascar en Mauritius.

Cyperus alternifolius is het bekende parapluplantje

De plant wordt veel als kamerplant gehouden. De belangrijkste eis, die de plant stelt, zijn permanent vochtige voeten. Dat is iets anders dan dat de plant permanent met de wortelkluit in water staat. Om een goede vochtigheid te bereiken is het handig om de plant op te potten in een waterdichte pot. Zorg bij het watergeven, dat het waterniveau altijd gelijk blijft. Alleen dan zal de parapluplant goed groeien. Een parapluplant kan vanaf mei buiten langs de vijverrand of in een ondiep gedeelte van de vijver worden gehouden. Geef de plant dan een halfschaduwrijke plaats, anders wordt het blad geel. De plant kan in goede omstandigheden een hoogte van een tot twee meter bereiken.
De parapluplant wordt ook aangeboden onder de (oude) naam Cyperus alternifolius of Cyperus flabelliformis. De plant heeft holle bloeistengels die driekantig van vorm zijn. Aan de top staan de (schut)bladen in een krans. In de zomer verschijnen boven de bladkrans bruine bloemaren.

 
Cyperus albostriatus groeit gedrongen Cyperus gracilis is een kleinblijvend cypergras

Cyperus albostriatus (synoniem: Cyperus argenteostriatus, Cyperus diffusus) komt uit het zuiden van Afrika. De plant wordt ongeveer zestig centimeter hoog. Aan de top ook hier weer parapluachtige bladen, maar aan de voet ook voetbladen. De bladen zijn in ieder geval veel breder dan van het parapluplantje. Deze soort mag alleen vochtig worden gehouden en beslist geen natte voeten hebben.
Cyperus gracilis lijkt veel op de parapluplant, maar is in alles kleiner. De plant wordt veel aangeboden als binnenhuisdecoratie, door de mooie, min of meer afgeplatte toeven. De plant wordt meestal niet hoger dan twintig tot vijfentwintig centimeter. De plant is ook geschikt voor het balkon, maar ook hier weer: wel licht, geen zon. Zorg ervoor, dat de plant permanent vocht tot z’n beschikking heeft.

 
Cyperus haspan groeit met haarfijne stengels Cyperus papyrus, het bekende papyrusriet of gewoon papyrus

Cyperus haspan kan in de kamer worden gehouden mits de plant veel licht krijgt en de luchtvochtigheid hoog is. De plant wordt tachtig centimeter hoog. De ijle, afhangende stengels staan sierlijk op lange stengels. Een goede luchtvochtigheid is een absolute voorwaarde voor een mooie, groene plant. Aan de toppen verschijnen in de zomer iele, haverachtige bloemen.
Cyperus papyrus (papyrus) is overbekend door de Egyptenaren, die papyrusrollen beschreven. De plant groeit bij voorkeur in ondiep, niet te koud water. Deze cypergras kan in de volle zon groeien. Er kan een hoogte van anderhalve tot tweeëneenhalve meter worden bereikt. De stevige, onbebladerde stengels dragen aan de top brede pluimvormige schermen met bladen. Het is een pracht om papyrus te zien groeien en bloeien. In de zomer is de top overdekt met dunne takjes met bruine bloemen. Plant een papyrus op een tegen wind beschutte plaats in een grote kuip of in de vijver (tot op maximaal twintig centimeter diepte). De fijne textuur van stengels en bladen en de imposante hoogte trekken alle aandacht, die de plant zeker verdient.

Problemen met cypergras oplossen

Spint – Cypergrassen zijn gevoelig voor rode spint. U kunt natuuurlijk op een milieuvriendelijke manier een bestrijdingsmiddel inzetten om van de spint af te komen. Cypergras reageert echter niet goed op bespuitingen. De bladen worden meestal geel. Spint zuigt sappen via de opperhuid van het blad uit de plant. Hierdoor ontstaan talloze gele vlekjes op de bladen. Uiteindelijk sterft het blad af. Een goede werkwijze om spint te voorkomen en er tijdig vanaf te komen is de plant zeer regelmatig met een stevige straal koud water af te sproeien.
Verdorren van het blad – In de huiskamer is de luchtvochtigheid vrijwel altijd (te) laag (& 40%). Regelmatig besproeien of vernevelen van water voorkomt verdorren van het blad. Een andere oorzaak van geel worden van de bladen of in het uiterste geval van verdorren is voedselgebrek. In het groeiseizoen (april – oktober) moet om de veertien dagen wat kunstmest of plantenvoeding aan het gietwater worden toegevoegd. Nadeel hiervan is, dat op den duur de grond verzilt. In de potgrond ontstaat een opeenhoping van niet voor de plant opneembare stoffen met als gevolg, dat het blad geel wordt en de plant wegkwijnt. Verpot dan ook regelmatig uw cypergras. Spoel de grond tussen de wortels uit en verwijder dode wortels en stengels. Let daarbij op eventueel aanwezige witte, kalkachtige afzettingen op de wortels. Dat is het residu van de voedingsstoffen, die niet opgenomen kunnen worden. Verwijder deze aanslag.
Mengsel potgrond – Cypergras groeit goed in een mengsel van drie delen potgrond, twee delen klei en een deel oude, verteerde koemest. Meng alles goed door elkaar. Na verpotten mag cypergras pas na twee maanden weer kunstmest of kamerplantenmest met het gietwater worden geven.
Cypergras vermeerderen – Cypergras kan door middel van delen van de kluit worden vermeerderd. Dit kan gelijktijdig met het verpotten gebeuren. Doe dit vooral in het groeiseizoen. Een eenvoudige en boeiende manier is om cypergras te stekken. Knip een scherm met bladen van de stengel. Laat het stengelstuk ongeveer tien centimeter zijn. Knip de bladen rond het middelpunt terug tot eenderde van hun lengte. Plaats de gekortwiekte bladen met stengel ondersteboven in een pot met water. Zet het geheel op een lichte plaats in de halfschaduw. Na enige tijd vormen zich wortels en jonge scheuten. Plant de stek(ken) op in het mengsel zoals hiervoor is aangegeven.

Al onze siergrassen

Molinia (pijpenstro) – Miscanthus sinensis (prachtriet) – Holcus (witbol)
Deschampsia (ruwe – bochtige smele) – Carex (zegge) – Calamagrostis (struisriet)
Cyperus involucratus (parapluplant) – Cortaderia selloana (pampasgras) – Phalaris (rietgras)

Sparganium emersum, kleine egelskop

Je moet wel even nadenken waarom egelskop iets te maken heeft met een egel. Een egel houdt niet van moerassen en zeker niet van zwemmen. Egelskop groeit langs waterkanten van sloot en plas. Het is absoluut een veenvormer. In juli – augustus staat de plant in bloei en zijn ook de vruchten goed te zien.

Kleine egelskop (Sparganium emersum).
Bloemen en vruchten zijn gelijktijdig aanwezig.

Dan ook is het verband met een egelskop verklaarbaar.

Heeft egelskop wel sierwaarde? Zo op het eerste gezicht zien de vruchten er wel bijzonder uit. De crèmewitte bloemen zijn niet daverend spectaculair om te zien. Botanisch zijn ze wel interessant: elk bloempje bestaat uit één stamper (vrouwelijk) of uit één of drie meeldraden (mannelijk). De bloemen zijn dus eenslachtig en eenhuizig.

Egelskop is geschikt voor vijvers met een brede moerasoever. Wie een natuurlijke aanblik van de oever(beplanting) nastreeft, heeft er een sterke plant aan. Het is een probleemloze oeverbewoner, die trouw ieder jaar terugkeert.

Close-up van de vruchten. Het snoetje van een egel is er wel in te ontdekken. De vruchten zijn ongeveer 1 – 1,5 cm groot

De plant overwintert met wortelstokken.

Naast lisdodde en gele lis is egelskop hier op z’n plaats.
Gedroogde stengels met vruchten van de grote of kleine egelskop, al of niet in kleur gespoten, zijn een aardige versiering voor op de vaas.

Soorten en maten

Egelskop is geen bijzondere plant en komt algemeen voor. Zo is er een grote, kleine, kleinste en drijvende egelskop. De opgesomde reeks namen, is recht evenredig aan de mate van zeldzaamheid of het voorkomen ervan. Egelskop behoort, net als zwanebloem en nog veel meer planten, tot de helofytische verlandingsvegetaties bij zoet water. Alle hebben ze de vorm van de vrucht gemeen: een bolvormig lichaam dat bezet is met piramidaal cilindervormige vruchtjes. Met wat fantasie heeft de vrucht ook wat weg van een ploertendoder. Egelskop is een soort uit de lisdoddefamilie Typhaceae.

Snoekkruid, een grensbewoner

Snoekkruid is een plant die de overgang tussen land en water markeert. Op ‘droog’ land en in het water voelt het zich niet thuis. Juist daar tussenin, in een moerasachtige situatie: des te beter. De bakermat van deze schitterend bloeiende moerasbewoner ligt in Centraal-, Midden- en Noord-Amerika.

Pontederia cordata groeit op de overgang van droog naar nat en bloeit met diepblauwe bloemen

Pontederia is het enige geslacht van de familie van de Pontederiaceae. Er bestaan twee soorten van dit geslacht.

Vooral wie een grote vijver heeft met een brede moerasrand daarlangs, zou snoekkruid kunnen planten. Langs kleine vijvers wordt de plant al gauw te groot in verhouding tot het wateroppervlak. Is snoekkruid eenmaal geplant, dan groeien de wortels ook in de richting van het water en zelfs duiken de wortels de vijverbodem in. Daaraan kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat snoekkruid het ook wel goed in de vijver doet. Snoekkruid in een flinke mand in de vijver kan, maar de plant gaat dan korter mee. Beneden een waterdiepte van 40 cm groeit de plant niet meer.
Op de overgang water – land is sprake van relatief veel verandering: wisselende hoogte in waterpeil, lichte golfslag, perioden van extreem nat afgewisseld met die van maar net vochtig. In zo’n situatie voelt snoekkruid zich op z’n plaats; een situatie met lichte dynamiek in het eulitorale systeem.

Groei en bloei

Snoekkruid (synoniem: moerashyacint) kan wel 50 – 80 cm hoog worden als de bodem uit een luchtig, lemig mengsel met zand en veen bestaat. De bladeren worden op zich al 20 – 25 cm groot en staan op stengels. Het blad is spits hartvormig en glimmend groen.

In augustus is het hoogtepunt van de bloei; in juli verschijnen de eerste bloemen, eind september is het met de bloei gedaan. De bloemen staan op lange, bladloze stelen, in aren. De bovenste kelkslippen zijn naar boven gericht en de onderste naar beneden. De bloemen hebben wat weg van een orchidee en lijken zeker op de minder fijne bloemen van een hyacint.

Snoekkruid breidt zich uit door middel van worteluitlopers. Na ongeveer twee jaar zijn de planten volwassen en bloeien op hun best. Daarna wordt de bloei minder en blijft ook het blad kleiner in omvang. Daaraan is wel wat te doen: de planten moeten worden uitgegraven en gescheurd en opnieuw worden uitgeplant. Dit omdat er na verloop van tijd veel wortels zijn gevormd, die dicht bij elkaar zitten.

Pontederia cordata ‘Alba’ is nog weinig in cultuur

De toevoer van voedingsstoffen wordt hierdoor belemmerd met als gevolg een minder goede groei en bloei.

Soorten

Behalve dat de oorspronkelijke, blauw bloeiende soort van Pontederia cordata zijn er nu ook witte cultuurvariëteiten (schaars) verkrijgbaar: Pontederia cordata ‘Alba’ en Pontederia cordata ‘White Pike’. Deze soorten worden ongeveer 50 cm hoog. Het zijn goede aanvullingen op de bestaande soort. Plant ze in de vijver niet dieper dan 10 – 20 cm onder water.
Een bijzondere soort is Pontederia lanceolata. Helaas (nog) nauwelijks verkrijgbaar. De plant groeit en bloeit forser dan P. cordata, terwijl het blad meer lancetvormig is toegespitst.

Een Primula voor moeras en drasland

Primula’s zijn er in soorten en maten. Je hebt er tuin- en kamerplanten onder. Het is een zeer uitgebreid geslacht.

Primula florindae is een ideale plant langs de waterkant

De meeste en bekende primula’s bloeien vroeg in het voorjaar. Dat komt ook in de naamgeving tot uitdrukking: het Latijnse woord primus betekent eerste, eersteling. Primula florindae daarentegen is de laatst bloeiende soort. Het is een van de beste en langst bloeiende primula’s, die er bestaan.

Deze Primula wordt 20 – 40 cm hoog en bloeit op hoge, bepoederde stelen met zwavelgele bloemen in trossen. De bloei is lang, begint in juni en loopt door tot eind augustus. De bloem lijkt veel op de gewone primula (Primula auricula), die vroeg in het voorjaar in felgele, blauwe en bordeauxrode kleur te koop is. De tuilen bloemen hangen voornamelijk.

Morgenzonnetje

Van oorsprong komt deze Primula uit Tibet en groeit daar van nature langs bergstroompjes en rivieroevers. De bloemen geuren heel licht; om die reden hoef je hem echter niet te kopen. Vooral op lichte kleigronden, al of niet gemengd met een flinke hoeveelheid humus en een beetje kalk, komt de plant het beste tot ontwikkeling in een moeras of drassige bodem. Een

>Primula’s lenen zich om te verwilderen, kruisbestuiving kan kleurverschillen opleveren – foto: La Malbaie-tuin van Frank Cabot in
Quebec (Canada)

uitstekende plant om een flink deel van de oever van een vijver in bezit te nemen. Vooral vijvers waarbij de overgang tussen land en water geleidelijk is (gemaakt), komen in aanmerking voor deze schitterende Primula. Een schaduw tot halfschaduwrijke plaats is vereist; anders verschrompelen de bladeren en neemt de vitaliteit zienderogen af. Een morgenzonnetje kan nog net; volle zon is echt uit den boze.

Primula florindae leent zich om te verwilderen. Situaties waarin blad van bomen en struiken ongestoord kan neerdwarrelen in en om de vijver, levert een ideale biotoop op. Je moet er ook niet van opkijken als de bloemen van kleur veranderen in de loop der jaren. Stuifmeelkorrels, overgewaaid van andere primula’s, zorgen voor zaden met andere eigenschappen en dikwijls een wat andere bloemkleur. Oranje tot rode kleuren zijn daarvan het gevolg.

Primula florindae is mooi te combineren met o.a. gele lis (Iris pseudacorus), wederik (Lysimachia punctata), moerasspiraea (Astilbe-soorten), groot hoefblad (Petasites-soorten) en de zwaardvormige bladeren van kalmoes (Acorus calmus).

Bezwijken voor een primula.

Lythrum salicaria, kattenstaart

Kattenstaart is inheems in Nederland. Wie deze rijke bloeier van de waterkant heeft zien bloeien, zal de overdaad aan bloemen niet snel vergeten. De intens donkerroze kleur is niet alleen een signaalkleur die mensen aanspreekt; bijen en hommels bezoeken de bloemen ook graag.

Kattenstaart in vrijwel z’n natuurlijke omgeving

Wie een natte veenbodem of een drassige oever langs z’n vijver heeft, kan van nabij de lange bloeitijd bewonderen.

Kattenstaart (Lythrum salicaria) komt van nature algemeen voor in het ‘populierenverbond’ en in mindere mate in het ‘grauwe elzenverbond’. In matig voedselrijke tot zeer voedselrijke milieus groeit de plant in grote aantallen. Smeerwortel en moeraskruiskruid vergezellen kattenstaart in z’n natuurlijk biotoop. Daarbij horen bomen zoals populier, els, wilg en berk.

Wilgenblad

Linnaeus gaf aan kattenstaart als tweede naam salicaria mee. Het betekent zoveel als: met blad dat lijkt op die van een wilg. Het blad heeft daar inderdaad veel gelijkenis mee. Het is langwerpig of lancetvormig en staat of verspreid of in kransen langs de steel. De plant is overblijvend en wordt (afhankelijk van de hoeveelheid vocht) vijftig centimeter tot anderhalve meter hoog.

Kattenstaart bloeit lang en met lange aarvormige trossen en de bloemstengels zijn dicht bezet met bloemen

Goede snijbloem

Behalve z’n kwaliteit als vaste plant voor natte tot heel vochtige plaatsen is kattenstaart heel geschikt om op vaas te zetten. Let er dan wel op, dat zelfs in afgesneden toestand kattenstaart veel water moet hebben. Zeker één keer per dag moet de (ruime) vaas met water worden gevuld. Kattenstaart bloeit in de periode juni tot en met september onafgebroken rijkelijk.

Er zijn veel tuinvormen

Uit de gewone kattenstaart zijn enkele goede kruisingen ontstaan, die zeker de moeite waard zijn. Alle variëteiten zijn ongeveer een meter hoog. Kattenstaart is onder meer goed te combineren met kaarsjeskruid. De bloemkleur (roze tint) harmonieert goed met de donkerroze kleur van kattenstaart. Kaarsjeskruid moet dan wel op een minder vochtige grond staan dan kattenstaart.

Hou kattenstaart wel goed in de gaten: soms kan de plant behoorlijk gaan woekeren. Om die reden is de cultuur van deze plant in delen van de Verenigde Staten van Amerika verboden.
In het najaar verkleurt het blad geel. Aan het begin van de winter of vroeg in het voorjaar kunnen de stengels worden afgeknipt.

Gekweekte soorten

Botanische naam kleur
L. salicaria ‘Roseum Superbum’ donker purper
L. salicaria ‘Roseum The Beacon’ donker karmijnrood
L. salicaria ‘Roseum Lady Sackville’ roze
L. salicaria ‘Robert’ rood
L. salicaria ‘Rose Queen’ roze
L. salicaria ‘Prichard’s var.’ helderroze
L. salicaria ‘Roseum Perry’s var.’ kersenrood
L. salicaria ‘Morden’s Pink’ zalmkleur
L. salicaria ‘Dropmore’s Purple’ zalmkleur, grootbloemig
L. salicaria ‘Brightness’ zuiver roze
L. salicaria ‘Feuerkerze’ roze

Waterdrieblad is een bewoner van de trilvenen

Behalve in ondiepten en langs randen van plassen en sloten, groeit waterdrieblad graag langs de oever van de vijver. Het is geen moeilijke plant. Oevers, gemaakt van turf dat half in het water steekt, zorgen voor een goed milieu.

In de natuur is waterdrieblad met andere planten een van de eerste planten die voor verlanding zorgen.

Waterdrieblad of – synoniem waterklaver – (Menyanthes trifoliata) vind je niet vaak in een tuincentrum. Is er geen belangstelling voor of is de bloei niet interessant?
De plant bloeit in mei – juni met keurig rechtopstaande stengels met witte of roze bloemen. Het zijn mooie bloemen en ook de bruine vruchten met hun typisch zaagtandige kroonslippen zijn nog fraai om te zien.
Waterdrieblad komt in de natuur niet zomaar overal voor: het watermilieu en de oever moeten niet al te voedselrijk zijn.

In juli is waterdrieblad getooid met bruinkleurige zaadhoofdjes
De zaadhoofdjes hebben
leuke kroontjes

De plant houdt van een matig voedselrijk milieu (mesotroof). Samen met o.a. kleine valeriaan en rietorchis zijn het pioniers op het gebied van landaanwinning.

De achternaam van Menyanthes verraadt ontegenzeggelijk z’n beeldkenmerk: trifoliata = drie bij elkaar staande bladeren op een korte stengel. De bladeren zijn gaafrandig en eivormig van vorm. De plant wordt zelden hoger dan twintig – dertig centimeter. Wil je de plant in een vijver planten, dan moet de bodem zich niet lager dan tien centimeter onder de waterspiegel bevinden. Op de overgang water -> land voelt waterdrieblad zich het beste thuis. Als de grond of veengrond maar goed nat blijft.

Waterdrieblad breidt zich in hoofdzaak uit met z’n kruipende wortelstok. Het donker bruinzwarte zaad kan door de wind worden meegevoerd om ergens anders in een geschikt milieu te kiemen. Waterdrieblad is langs de vijveroever te combineren met o.a. primula’s, gele lis, Lysichiton americanus en Carex-soorten. Menyanthes behoort tot de waterklaverachtigen (Menyanthaceae).

‘Swaenengesangh’ voor zwanenbloem?

Op de grens van water en land groeit de zwanenbloem. De tijd dat oevers van poldersloten er vol mee stonden ligt allang achter ons: de plant is inmiddels beschermd. Een zwanenbloem is mooi als hij in bloei staat. Als plant, die op de grens van water en land groeit, geeft dat nog wel eens problemen. Hij doet het of hij doet het niet goed.

In het eerste stadium van de bloei zijn de afzonderlijke bloemen omgeven door een vlies… …in de volgende fase ontspringen de individuele bloemen

Waterkwaliteit

De zwanenbloem (Butomus umbellatus) verdwijnt door veranderingen in het aquatisch milieu en doordat de bloemen geplukt werden. Waardoor de verspreiding van zaden via het water werd ingeperkt. De plant groeit het beste in een zoetwatermilieu. Maar zodra het zoutchloridegehalte hierin toeneemt, verdwijnt zwanenbloem. Het lukt maar zelden om het goede, ‘kunstmatige’ milieu te creëren. Zijn de omstandigheden niet optimaal, dan kwakkelt de plant, blijft klein van stuk en komt niet tot bloei. Inmiddels staat zwanenbloem op de lijst van beschermde soorten om hopelijk weer in aantal toe te kunnen nemen.

Proterandrie

De tweede naam van de zwanenbloem, umbellatus, betekent letterlijk ‘met een scherm bloeiend’. Op de ronde stengel staat het bloemhoofd: eerst nog stijf ingepakt in een vlies, later ontspringen hieruit de talloze individuele bloemstelen met bloemen. De bloemen zijn in het begin bronsrood, later verkleuren ze via roze naar wit. Merkwaardig genoeg komen de meeldraden tot ontwikkeling voordat er stampers zijn. Dit verschijnsel, dat proterandrie – pro = voor, trandrus = meeldraad, andros = man(nelijk) – wordt genoemd, heeft nauwelijks invloed op de vorming van zaden. Een zwanenbloem bloeit lang: van mei tot en met september. De stampers (zes stuks) scheiden aan de voet honing af. Deze lekkernij trekt met name graafwespen aan, die dan ook een voorname rol spelen bij de bevruchting van de bloem(en).

Open grond

In de natuur is de zwanenbloem duidelijk een helofyt.

Zwanenbloem bloeit op lange stengels en is sierlijk om te zien

De plant groeit met name in de fluviatiele zones en behoort tot de komgemeenschap die verantwoordelijk is voor verlanding van sloten en oevers. Onder andere egelskop hoort hierbij.
Een zwanenbloem wordt in pot gekweekt en aangeboden. De plant heeft wortelstokken die zowel horizontaal als verticaal groeien. Een zwanenbloem in pot houden is dus geen goede zaak. Plant hem in open grond langs de (natte) oever van de vijver (eulitoraal). Ten dele groeit de plant ook onder water, maar om te beginnen is het aan te raden hem in de vochtige zone van de oever te planten. Heeft de plant behoefte aan uitbreiding, dan kan altijd nog worden uitgeweken naar het water. Op zo’n manier voorkom je teleurstelling in een vroeg stadium: de plant is heel gevoelig voor de (chemische) samenstelling van het water.

Een zwanenbloem groeit met slanke, lintvormige bladeren, die aan de basis driehoekig zijn. De plant wordt tussen 60 – 120 centimeter hoog en is niet geschikt als solitairplant, maar wel in grote groepen als oeverplant, samen met pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), gele lis (Iris pseudacorus) en rietgras (Phalaris arundinacae). Een plaats in de volle zon is aan te bevelen. De plant is goed winterhard. Vermeerderen kan door het delen van de wortelstok en door middel van zaad.

Aardorchidee voor wie een moerasje rijk is

Bletilla is een fantastische moerasplant; een orchidee nog wel. In de late herfst moet de plant wel een ‘dekentje’ krijgen van afgevallen blad. Met deze kleine zorg kun je lang plezier hebben van de aardorchidee met z’n mooie blad en fraaie bloemen.
Bletilla is een waardig lid van de grootste plantenfamilie: de Orchidaceae. In 1802 is de plant in cultuur gebracht. De oorsprong van Bletilla ligt in Oost-Azië. De naam is afgeleid van Bletia naar de Spaanse hofapotheker L. Blet. De apotheker bezat in Algeciras een artsenijtuin.

B. striata komt uit
China en Japan
B. striata ‘Albostriata’ heeft strepen over het blad
B. striata ‘Alba’ bloeit met een vrijwel witte bloemkleur

Botanisch gezien is Bletilla een – verkleinde – uitgave van Bletia hyacinthina (beschreven door Robert Brown, Londen 1773 – 1858). Van het geslacht Bletilla is maar één soort bekend: Bletilla striata en twee cultuurvariëteiten.

Bletilla striata wordt ruimschoots aangeboden door kwekerijen en tuincentrums. De originele soort is purper van kleur. De bloemen staan op lange stelen. Per steel drie tot zeven bloemen die met een kort steeltje aan de stengel zitten. De bloemgrootte is 3 – 4 cm. Het bloemeinde heeft een drielobbige onderlip. De middelste lip heeft geelwitte strepen (striatus= streep). De hoofdbloei is in juni – juli.

Bletilla striata ‘Albostriata’ is, wat de bloem betreft, een kopie van de gewone soort. Het toch al mooie, zwaardvormige blad heeft witte strepen over het blad en de bladranden. Het blad staat min of meer recht omhoog. De plant wordt ca 60 cm hoog en breed. In bloei is de hoogte ca. 75 cm.
Alle Bletilla’s houden van een vochtige en warme plaats in de namiddagzon of op z’n minst morgenzon. Geplant in het (hoger gelegen) moerasgedeelte bij een vijver groeit de aardorchidee uit tot een blakend Hollands welvaren.

Bletilla striata ‘Alba’ groeit iets forser dan de gewone soort. De hoogte bedraagt al gauw 70 – 80 cm. Naar bloemgrootte en bloemvorm gezien is het de evenknie van de voorgaande soort en cultuurvariëteit. De bloem heeft in knopvorm een lilawitte kleur; naarmate de bloei vordert verkleurt de bloem van lila naar zuiver wit. Zoals bij alle Bletilla’s is de bruin(rood)groene bloemstengel bladloos.

Verzorging in najaar en winter

* Aardorchideeën worden in een mengsel bestaande uit klei, zand en bladaarde geplant.
* De bodem mag niet te nat zijn, anders is de kans op bevriezing heel groot.
* Vanaf eind september komen de planten in rusttoestand. De bladeren sterven af. In het najaar moet de plant worden afgedekt tegen te veel regen: zet er een grote bloempot overheen.
* Na de herfstregens kan de bloempot worden weggehaald. Dek nu de aardorchidee af met een dikke (mulch)laag van gevallen blad.
* In het voorjaar kan het winterdek (de mulchlaag) eraf. Dek de plant meteen, voordat hij uitloopt, af met een dikke laag compost. Het bevordert de groei van het blad en het zorgt voor een diepgroene kleur ervan. Het geeft ook bescherming tegen late (nacht)vorst.
* Aardorchidee heeft dikke, knolvormige wortelstokken. Vermeerdering gebeurt door clusters van wortelstokken van elkaar los te snijden. De nieuwe planten in een vers grondmengsel planten.