Van alles over vijvers op alfabetische volgorde:

 

Nederlands/Latijn

(en Latijn/Nederlands)

Waterplanten

Dotterbloem Caltha palustris
Gele lis Iris pseudacorus
Gele plomp Nuphar lutea
Kafferlelie Schizostylis
Lisdodde Typha
Victoria amazonica Victoria amazonica
Waterhyacint Eichhornia crassipes
Waterlelie Nymphaea
Waterviolier Hottonia palustris

Moeras/dras/oever

Aardorchidee Bletilla
Cypergrassen Cyperus
Drakenkop Dracocephalum
Drieblad Menyanthes trifoliata
Egelskop Sparganium emersum
Groot hoefblad Petasites albus
Kattestaart Lythrum salicaria
Kogelbloem Trollius
Moerasaronskelk Lysichiton camtschatcensis
Moerasviooltje Viola palustris
Primula Primula florindae
Rietgras Phalaris arundinacae
Snoekkruid Pontederia
Valeriaan Valeriana officinalis
IJzerhard Verbena
Zwanenbloem Butomus umbellatus

Diverse

Vijverallerlei  
Zomaar een vijvertje  


Latijn/Nederlands

Waterplanten

Caltha palustris Dotterbloem
Eichhornia crassipes Waterhyacint
Hottonia palustris Waterviolier
Iris pseudacorus Gele lis
Nuphar lutea Gele plomp
Nymphaea Waterlelie
Schizostylis Kafferlelie
Typha Lisdodde
Victoria amazonica Victoria amazonica

Moeras/dras/oever

Bletilla Aardorchidee
Butomus umbellatus Zwanenbloem
Cyperus Cypergrassen
Dracocephalum Drakenkop
Lysichiton camtschatcensis Moerasaronskelk
Lythrum salicaria Kattestaart
Menyanthes trifoliata Groot hoefblad
Petasites albus Rietgras
Phalaris arundinacae Drieblad
Pontederia Snoekkruid
Primula florindae Primula
Sparganium emersum Egelskop
Trollius Kogelbloem
Valeriana officinalis Valeriaan
Verbena IJzerhard
Viola palustris Moerasviooltje

Diverse

  Vijverallerlei
  Zomaar een vijvertje

Hertshooi

Hertshooisoorten komen over de hele wereld voor, maar de meeste zijn te vinden in gebieden met koelere klimaten.Er zijn meer dan 400 soorten bekend. Enkele daarvan zijn van belang voor de tuin. Daaronder zijn er, die – ook een uitstekende bodembedekking opleverend – in groepen of als solitair kunnen worden geplant. Sommige zijn groenblijvend of verliezen hun blad pas aan het begin van de winter. Hertshooi heeft

De bloem van Hyperium moserianum is stervormig

opvallende grote gele bloemen, waarvan de lange meeldraden wel heel opvallend zijn.

In Nederland komen berghertshooi (Hypericum montanum), kantig hertshooi (Hypericum dubium, Canadees hertshooi (Hypericum canadensis), moerashertshooi (Hypericum elodes), gevlekt hertshooi (Hypericum maculatum, ruig hertshooi (Hypericum hirsutum), liggend hertshooi (Hypericum humifusum), fraai hertshooi Hypericum pulchrum), gevleugeld hertshooi (Hypericum tetrapterum) en Sint-Janskruid

Hypericum x moserianum is een goede bodembedekkende halfheester

Hypericum perforatum) van nature voor. Hypericum behoort tot de familie van de Clusiaceae.

Soorten hertshooi kunnen zowel in de zon en in de halfschaduw groeien. De heesters en halfheesters van het geslacht verlangen een diep humeuze en permanent vochtige grond. De beste bodembedekkende soorten zijn grootbloemig hertshooi (Hypericum calycinum) en Hypericum x moserianum. Grootbloemig hertshooi is groenblijvend en verovert zijn omgeving door middel van uitstoelende wortels zonder agressief te zijn. Hypericum x moserianum is daarentegen niet wintergroen. Deze halfheester is ook wat minder winterhard. Beide soorten hebben opvallend grote, gele bloemen.

Na de bloei krijgt Hypericum androsaemum ‘Kolinpin’ fraai gekleurde bessen

Hypericum adrosaemum is een heesterachtige hertshooi. De struik wordt tot een meter hoog en heeft roodachtige stengels met vrij groot donkergroen blad. De bladen hebben soms een rood randje of een paarse gloed over zich. De stengels groeien direct vanuit de grond. In de zomer is de struik overdekt met grote, goudgele bloemen, gevolgd door rode ronden bessen, die naar pikzwart verkleuren. De stengels met de zwartgekleurde bessen worden veel in najaarsboeketten gebruikt. In Australië en Nieuw-Zeeland is deze hertshooi een lastig onkruid. Aan het begin van het voorjaar wordt deze struik om het jaar bij de grond af afgeknipt.

Soms kan hertshooi aangetast worden door roest. Roest uit zich in de vorm van bruinrode sporenhoopjes op het blad. De aantasting kan worden bestreden met Vital (Ecostyle). Preventief spuiten is aan te bevelen. Herhaal de bespuiting eens per veertien dagen in het groeiseizoen.

De beste hertshooien

Soort/variëteit Hoogte (cm) Bijzonderheden
Hypericum adrosaemum 80-100 Opgaande struik. Solitair heester of in groep te gebruiken. Bloei in juni – september.
Hypericum adrosaemum ‘Buttercup’ 80-100 Opgaande struik. Bladen lancetvormig. Solitair heester of in groep te gebruiken. Bloei juni – september.
Hypericum calycinum 80-100 Opgaande struik. Wintergroen. Solitaire heester of in groep te gebruiken.
Hypericum dummeri ‘Peter Dummer’ 60 – 80 Fijn blad. Breed uitgroeiend, bodembedekkend. Halfwintergroen. Bloemen tot 8 cm groot. Bloei juli – oktober.
Hypericum ‘Hidcote’ 100 Breed uitgroeiende struik. Halfwintergroen. Goed winterhard. Sterke bodembedekkende struik. Bloei juli – oktober.
Hypericum hircinum 50cm Dicht groeiende, opgaande struik. Rijke bloei gevolgd door bruinrode, later zwarte vruchten. Bloei juli – spetember.
Hypericum x inodorum 100 Dichte, rechtop groeiende struik. Verder als meteen hierboven: Hypericum hircinum.
Hypericum x inodorum ‘Autumn Blaze’ 100 Stijf opgaande struik. Zeer grote bloemen in juni – augustus, gevolgd door vruchten. Heester voor in grote groep.
Hypericum x inodorum ‘Elstead’ 60 – 80 Voor vochtige voedselrijke grond. Bloemen gevolgd door opvallende helderrode, later zwarte vruchten. Voor groepsbeplanting.
Hypericum x inodorum ‘Orange Flair’ 75 Breedopgaand groeiende struik. Bloemen in juni – augustus gevolgd door uiteindelijk donkerrode bessen.
Hypericum kouytchense 100 – 150 Halfgroenblijvende struik. Lancetvormig, donkergroen blad. Bloemen in juli – september. Voor groepsbeplanting.
Hypericum x moserianum 50 Breed uitgroeiend. Halfwintergroen. Bladen blauwachtig groen. Bloemen in juli – oktober. Voor bodembedekking. Minder winterhard.

Onze struiken/heesters op alfabetische volgorde

 

Nederlands/Latijn

(en Latijn/Nederlands)

Abelia Abelia
Amerikaanse sering Ceanothus
Anisodontea Anisodontea
Andromeda Pieris
Aucuba Aucuba
Augurkenstruik Decaisnea fargesii
Azara dentata Azara dentata
Azijnboom Rhus
Bergthee Gaultheria procumbens
Beuk (haag) Fagus sylvatica (haag)
Bezembrem Cytisus scoparius
Boerenjasmijn Philadelphus
Bougainvillea Bougainvillea
Boomwurger Celastrus
Caesalpinia gilliesii Caesalpinia gilliesii
Callicarpa Callicarpa
Camelia Camellia
Chimonanthus praecox Chimonanthus praecox
Chinees klokje Forsythia
Choisya Choisya
Cistus Cistus
Citrus Citrus
Clematis vitalba Clematis vitalba
Cordyline fruticosa Cordyline fruticosa
Dombeya Dombeya
Duivelswandelstok Arália
Duranta erecta Duranta erecta
Dwergesdoorn, dwergahorn Acer griseum
Dwergmispel Cotoneaster salicifolia var. floccosa
Eik (‘Oostenrijkse’) Quercus turneri ‘Pseudoturneri’
Enkianthus Enkianthus
Ephedra Ephedra
Erwtenstruik Caragana arborescens
Fluweelboom Rhus
Fremontodendron Fremontodendron
Fuchsiastruik Fuchsia magellanica ‘Riccartonii’
Gagel Myrica gale
Gaspeldoorn Ulex
Gelderse roos Viburnum opulus
Gele kornoelje Cornus mas
Glansmispel Photinia
Gouden regen Laburnum
Granaatappel Punica granatum
Hazelaar, gedraaid Corylus avellana
Hazelaar, tover Hamamelis
Hebe Hebe
Heliotroop Heliotropium arborescens
Heptacodium Heptacodium
Herfstpaardekastanje Aesculus parviflora
Hertshooi Hypericum
Hibiscus syriacus Hibiscus syriacus
Hortensia Hydrangea aspera
Hortensia, eikbladig Hydrangea quercifolia
Iochroma Iochroma
Isoplexis canariensis Isoplexis canariensis
Johannesbroodboom Ceratonia siliqua
Kaapse fuchsia Phygelius aequalis ‘Yellow Trumpet’
(Bos)kamperfoelie Lonicera periclymenum
Kamperfoelie Lonicera
‘Kansenboom’ Clerodendrum
Kardinaalshoed, -muts Euonymus
Kardinaalshoed, -muts Euonymus fortunei
Kardinaalshoed, -muts, Japanse Euonymus japonicus
Klimop Hedera helix en colchica
Klimop, gewone Hedera helix ‘Arborescens’
Koraalstruik Erythrina crista-galli
Kornoelje Cornus kousa
Kornoelje, reuzen- Cornus controversa
Kornoelje, witte Cornus alba
Kronkelwilg Salix babylonica
Laurier Laurus nobilis
Laurierkers Prunus laurocerasus
Lavendel Lavandula
Leucospermum cordifolium (Protea) Leucospermum cordifolium (Protea)
Lithodora diffusa Lithodora diffusa
Maagdenpalm Vinca minor en major
Magnolia Magnolia
Mahonia japonica Mahonia japonica
Malaviscus Malaviscus
Mannentrouw Plumbago auriculata
Medinilla Medinilla
Meidoorn Crataegus
Meloenboompje Calycanthus floridus
Metrosideros Metrosideros
Nandina Nandina
Oleander Nerium oleander
Pachysandra Pachysandra terminalis
Parrotia Parrotia
‘Pawpaw tree’ Asimina triloba
Perovskia atriplicifolia Perovskia atriplicifolia
Poncirus trifoliata Poncirus trifoliata
Portugese laurier (vormsnoei) Prunus lusitanica
Pruikenboom Cotinus coggygria
Randpalm Buxus sempervirens
Ranonkelstruik Kerria japonica
Ribes King Edward VII Ribes sanguineum
Rododendron Rhododendron
Rododendron (laagblijvend) Rhododendron
Roos, Japanse; camelia Camellia
Rozen Roseae
Salie Salvia azurea
Salix integra ‘Hakuro-nishki’ Salix integra ‘Hakuro-nishki’
Salvia Salvia microphylla  Neurepia
Schijnels Clethra
Schijnhazelaar Corylopsis
Senne Cassia didymobotrya
Sering Syringa
Sering, Amerikaanse Ceanothus
Serissa foetida Serissa foetida
Skimmia Skimmia
Sleedoorn Prunus spinosa
Sneeuwbal Viburnum x globosum Jermyn’s Globe
Sneeuwbal, Japanse Viburnum plicatum
Sneeuwbal Viburnum tinus ‘Gwenllian’
Sneeuwbes Symphoricarpos
Sneeuwklokjesboom Halesia
Sophora prostrata Sophora prostrata
Spirea, spierstruik Spiraea
Spirea, spierstruik Spiraea japonica
Stachyurus Stachyurus
Streptosolen jamesonii Streptosolen jamesonii
Sumak Rhus
Tamariks Tamarix
Teen-, katwilg Salix viminalis
Tibouchina urvilleana Tibouchina urvilleana
Treurkers Prunus subhirtella
Tuinhortensia Hydrangea paniculata
Viburnum x bodnantense ‘Dawn’ Viburnum x bodnantense ‘Dawn’
Viburnum rhytidophyllum Viburnum rhytidophyllum
Vlinderstruik Buddleja davidii
Vuurdoorn Pyracantha
Weigelia Weigelia
Wijnruit, ruite Ruta graveolens
Winterheide Erica carnea
Zuurbes Berberis

The edible garden:

Aalbes Ribes rubrum
Braam Rubus phoenicolasius
Citrus Citrus
Druif Vitis vinifera
Dwergkwee, kweeappel Chaenomeles
Framboos  
Hazelnoot, hazelaar Corylus avellana
Japanse wijnbes Rubus
Jostabes  
Kornoelje Cornus
Krentenboompje Amelanchier lamarckii
Kruisbes Ribes uva-crispa
Mispel Mespilus germanica
Roos, bottel-, rimpel Rosa rugosa
Vlier Sambucus
Vijg Ficus carica
Zwarte bes Ribes nigrum


Latijn/Nederlands:

Abelia Abelia
Acer griseum Mespilus germanica
Aesculus parviflora Herfstpaardekastanje
Anisodontea Anisodontea
Arália Duivelswandelstok
Asimina triloba ‘Pawpaw tree’
Aucuba Aucuba
Azara dentata Azara dentata
Berberis Zuurbes
Bougainvillea Bougainvillea
Buddleja davidii Vlinderstruik
Buxus sempervirens Randpalm
Caesalpinia gilliesii Caesalpinia gilliesii
Camellia Camelia, Japanse roos
Callicarpa Callicarpa
Calycanthus floridus Meloenboompje
Caragana arborescens Erwtenstruik
Cassia didymobotrya Senne
Ceanothus Amerikaanse sering
Celastrus Boomwurger
Ceratonia siliqua Johannesbroodboom
Chimonanthus praecox Chimonanthus praecox
Choisya Choisya
Cistus Cistus
Citrus Citrus
Clematis vitalba Clematis vitalba
Clerodendrum ‘Kansenboom’
Clethra Schijnels
Cordyline fruticosa Cordyline fruticosa
Cornus alba Kornoelje, witte
Cornus controversa Kornoelje, reuzen-
Cornus kousa Kornoelje
Cornus mas Gele kornoelje
Corylopsis Schijnhazelaar
Corylus avellana Gedraaide hazelaar
Cotinus coggygria Pruikenboom
Cotoneaster salicifolia var. floccosa Dwergmispel
Crataegus Meidoorn
Cytisus scoparius Bezembrem
Decaisnea fargesii Augurkenstruik
Dombeya Dombeya
Duranta erecta Duranta erecta
Enkianthus Enkianthus
Ephedra Ephedra
Erica carnea Winterheide
Erythrina crista-galli Koraalstruik
Euonymus Kardinaalshoed, -muts
Euonymus fortunei Kardinaalshoed, – muts
Euonymus japonicus Kardinaalshoed, -muts, Japanse
Fagus sylvatica (haag) Beuk (haag)
Forsythia Chinees klokje
Fremontodendron Fremontodendron
Fuchsia magellanica Riccartonii Fuchsiastruik
Gaultheria procumbens Bergthee
Halesia Sneeuwklokjesboom
Hamamelis Toverhazelaar
Hebe Hebe
Hedera helix en colchica Klimop
Hedera helix ‘Arborescens’ Klimop, gewone
Heliotropium arboroscens Heliotroop
Heptacodium Heptacodium
Hibiscus syriacus Hibiscus syriacus
Hydrangea aspera Hortensia
Hydrangea paniculata Tuinhortensia
Hydrangea quercifolia Eikbladige hortensia
Hypericum Hertshooi
Iochroma Iochroma
Isoplexis canariensis Isoplexis canariensis
Kerria japonica Ranonkelstruik
Laburnum Gouden regen
Laurus nobilis Laurier
Lavandula Lavendel
Leucospermum cordifolium Leucospermum cordifolium
Lithodora diffusa Lithodora diffusa
Lonicera Kamperfoelie
Lonicera periclymenum Boskamperfoelie
Magnolia Magnolia
Mahonia japonica Mahonia
Malaviscus Malaviscus
Medinilla Medinilla
Metrosideros Metrosideros
Myrica gale Gagel
Nandina Nandina
Nerium oleander Oleander
Pachysandra terminalis Pachysandra
Parrotia Parrotia
Perovskia atriplicifolia Perovskia atriplicifolia
Phygelius aequalis ‘Yellow Trumpet’ Kaapse fuchsia
Photinia Glansmispel
Philadelphus Boerenjasmijn
Pieris Andromeda
Plumbago auriculata Mannentrouw
Poncirus trifoliata Poncirus trifoliata
Prunus laurocerasus Laurierkers
Prunus lusitana (vormsnoei) Portugese laurier
Prunus spinosa Sleedoorn
Prunus subhirtella Treurkers
Punica granatum Granaatappel
Pyracantha Vuurdoorn
Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ Eik (‘Oostenrijkse’)
Rhododendron Rododendron
Rhus Azijn-, fluweelboom, sumak
Rhododendron (laagblijvend) Rododendron
Ribes sanguineum Ribes King Edward VII
Roseae Rozen
Ruta graveolens Wijnruit, ruite
Salix babylonica Kronkelwilg
Salix integra ‘Hakuro-nishki’ Salix integra ‘Hakuro-nishki’
Salix viminalis Teen-, katwilg
Salvia azurea Salvia
Salvia microphylla Neurepia Salie
Serissa foetida Serissa foetida
Skimmia Skimmia
Sophora prostrata Sophora prostrata
Spiraea Spierstruik, spirea
Spiraea japonica Spierstruik, spirea
Stachyurus Stachyurus
Streptosolen jamesonii Streptosolen jamesonii
Symphoricarpos Sneeuwbes
Syringa Sering
Tamarix Tamariks
Tibouchina urvilleana Tibouchina urvilleana
Ulex Gaspeldoorn
Viburnum x bodnantense ‘Dawn’ Viburnum x bodnantense ‘Dawn’
Viburnum x globosum ‘Jermyn’s Globe’ Sneeuwbal
Viburnum opulus Gelderse roos
Viburnum plicatum Japanse sneeuwbal
Viburnum rhytidophyllum Viburnum rhytidophyllum
Viburnum tinus ‘Gwenllian’ Sneeuwbal
Vinca minor en major Maagdenpalm
Weigelia Weigelia

The edible garden:

Amelanchier lamarckii Krentenboompje
Chaenomeles Dwergkwee, kweeappel
Citrus Citrus
Cornus Kornoelje
Corylus avellana Hazelnoot, hazelaar
Ficus carica Vijg
Mespilus germanica Mispel
Ribes nigrum Zwarte bes
Ribes rubrum Aalbes
Ribes uva-crispa Kruisbes
Rosa rugosa Bottelroos, rimpelroos
Rubus Japanse wijnbes
Rubus phoenicolasius Braam
Sambucus Vlier
Vitis vinifera Druif
  Framboos
  Jostabes

Vleesetende planten

Vleesetende planten fascineren. Ze komen over de hele wereld voor. In Nederland komen soorten van zonnedauw van nature voor. Deze plant is inmiddels beschermd. Op zure, dichtgeslagen en zeer vochtige gronden groeien vleesetende planten het beste. Ze kunnen in het algemeen slecht tegen kraanwater. Als gietwater moet regenwater of anders gedestilleerd water worden gebruikt. Oppotten gaat in turf al dan niet gemengd met Sphagnum. Er mag niet te veel voedsel in zitten.
De kleverige klierharen scheiden een stof, uit die insecten aanlokt. De klierharen omsluiten de prooi en het verteringsproces gaat van start. Sommige soorten lokken insecten in hun beker, waar de dood ze wacht.

Drosera intermedia (kleine zonnedauw) (Droseraceae) komt in Nederland voor op zand- en in hoogveengebieden.

D. capensis wordt tot vijftien cm hoog

Op de Waddeneilanden, de veengebieden in de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland, Zuidoost-Brabant en Noordwest-Overijssel zul je ze helaas toch met een lantaarntje moeten zoeken. Het plantje leeft in grote groepen. Omdat ze op voedingsarme grond groeien, zijn ze zo aangepast, dat ze in hoofdzaak van gevangen dierlijk voedsel kunnen leven.

Drosera rotundifolia (ronde zonnedauw) komt op kalkarme zand- en veengrond voor. Voornamelijk in hoogveengebieden, waar veenmos (Sphagnum) nog levend is. In Ierland komt deze plant op grote schaal nog voor. De bladen met klierharen hebben een lepelvorm. Uit deze plant worden stoffen gewonnen, die als antibioticum tegen bepaalde bacteriële ziekten wordt ingezet. De plant bloeit in juni – augustus met een aarvormige tros.

Drosera capensis komt van nature in Australië voor. De plant wordt in ons land geïmporteerd en kan op een beschutte plaats in de tuin worden geplant. Mits de grond zodanig wordt aangepast, dat deze voedselarm is. Gemakkelijker is het om de plant met pot en al in te graven.

D. muscipula wordt tot twintig cm hoog

Maar zorg dan dus voor een voedselarme grond, die vooral uit veenmos dient te bestaan. Deze Drosera bloeit in de zomer met blauwpaarse, minuscuul kleine bloemen aan alle stengels. Geef de plant dus geen leidingwater, laat de regen z’n werk doen. Dek de plant in de winter licht toe met afgevallen bladeren.

Dionaea muscipula (Venus-vliegenvangertje) kan in ons klimaat het hele jaar buiten leven. Het groeit echter beter in een net iets warmere omgeving. Een vorstvrije kas bijvoorbeeld. Het plantje komt uit het zuidoosten van de Verenigde Staten van Amerika. Het is de enige soort van het geslacht Dionaea (Droseraceae). De plant kan het beste op natte turf worden gehouden. Gebruik uitsluitend regenwater om de grond vochtig te houden. Het is overdreven de plant af en toe met stukjes vlees voeren. Bovendien gaat dat stinken. Als er insecten bij kunnen, ‘eten’ de planten genoeg. De plant bloeit met witte, vijftallige bloemen op 30 centimeter lange stelen.

Sarracenia (bekerplant) komt in het noordoosten van de Verenigde Staten voor.

Sarracenia hybride wordt tot 15 cm hoog

Ze groeien daar in sompige veengebieden. Er is een achttal soorten van bekend. Het zijn groen- en overblijvende planten, die het goed doen bij een vijver. De prachtige bloemen zijn groengeel of paarsrood met veel kroonbladen en lange stijlen. De meeldraden worden beschermd door de paraplu-achtige stijlen. De bekers zijn niet meer en minder ongewoon gevormde bladen. De bekers hebben gewoonlijk dezelfde tinten als de bloemen. Insecten worden ook hier aangelokt door heerlijke geuren en verdrinken uiteindelijk in regenwater in het onderste deel van de pijp. De plant is matig vorstbestendig.

Soorten Drosera, Dionaea en Sarracenia komen het beste tot ontwikkeling in een terrarium. Bovengenoemde planten kunnen vanaf het voorjaar tot het begin van de herfst goed buiten worden gehouden. Het overwinteren van de planten kan eigenlijk (nog) niet zonder terrarium of kasje. Sommige (niet alle!) Sarracenia’s zijn wel winterhard. Een voorbeeld is Sarracenia purpurea. Vleesetende planten zijn fascinerend om te zien, vooral door hoe ze hun voedsel vangen en verteren.

De voorjaarsbekoring van geel rood en blauw

Felle kleuren in het vroege voorjaar luiden de zomer in, tenminste dat hoop je dan. Voorjaarsbloeiende planten zijn eigenlijk opvallend fel van kleur. Zo kort na een koude periode heeft dat een functie. De weinige insecten die nog maar net uit hun winterslaap zijn ontwaakt, moeten zorgen voor bestuiving. Ze moeten worden aangelokt om hun werk te doen.

Doronicum is een echte voorjaarsbloem

Doronicum pardalianches of voorjaarszonnebloem is zo’n felgeel bloeiende plant, die halverwege maart al z’n eerste vrolijke bloemen te voorschijn tovert. Het is een plant, die het liefst in de halfschaduw groeit op een vochtige plaats. Na de vrij korte bloeiperiode rest het hartvormige, gekartelde blad nog als sierwaarde. Een grote groep van deze plant zorgt er, ook al bent ú geen insect, in ieder geval voor dat de aandacht wordt getrokken. Doronicum pardalianches wordt 40 – 80 cm hoog en is daarmee de reus van de soort. Kleiner van stuk, een 30 – 40 cm hooguit, blijft Doronicum orientale ‘Madame Mason’. Ook deze soort bloeit in dezelfde tijd als z’n grote broer. Het is een prima plant voor een border van geringe afmetingen.

Bergenia, een rood voorjaarsaccent
boven glimmend groen blad

Bergenia cordifolia, de schoenlappersplant, bloeit in vrijwel dezelfde tijd als de voorjaarszonnebloem. De prachtig frisgroen glanzende bladeren in het vroege voorjaar doen vermoeden dat de lente in aantocht is. De paarsrood gekleurde bloemen steken fel en fier verheven boven de bladeren uit. Het hele jaar behoudt de plant z’n glimmende blad, maar ook hier is de bloei van betrekkelijk korte duur. Bergenia is van oorsprong afkomstig uit het hooggebergte van India en China. Vandaar ook dat de plant kort na de koude tijd bloeit om zoveel mogelijk te profiteren van de ook korte, warmere periode in het gebergte.

Allium moly heeft botergele bloemen en… ruikt naar uien

Allium moly is een bolgewas, dat heel rijk kan bloeien. De diepgele bloemschermen overdekken de lancetvormige bladeren. Eind april tot halverwege mei verschijnen de bloemen. Deze sierui leent zich uitstekend om te verwilderen in een door bomen en/of struiken beschaduwde tuin. Een flinke bos van deze planten ruik je op afstand: uien. Allium moly wordt 20 – 30 cm hoog. Heel goed is deze Allium ook te gebruiken in bakken op het balkon. Op vaas is de bloem goed houdbaar, alleen de uiengeur zult u voor lief moeten nemen.

De Kaukasische vergeet-mij-niet, Brunnera macrophylla groeit aan de voet van het Kaukasusgebergte en in Siberië. Een opvallend koelblauwe bloem verschijnt in het vroege voorjaar. Het is een van de weinige planten die zo kort na de winter blauw bloeien.

 
Kaukasische vergeet-mij-niet in een bed van Helxine soleirolii Brunnera bloeit
met blauwe bloemetjes

Voornamelijk gele kleuren trekken in het voorjaar de aandacht. Het frisse blauw is dan een verademing en staat in goed contrast met de overwegend gele voorjaarszweem in de tuin. Halfschaduw of schaduw is favoriet bij de Kaukasische vergeet-mij-niet. De plant vermeerdert zich spontaan met worteluitlopers. Een vochtige standplaats bij de vijverrand zorgt ervoor dat het hele jaar door de bladeren een mooie, groene kleur behouden. Op de foto is de Brunnera geplant als solitair te midden van een tapijt van Helxine soleirolii. Helxine is de Latijnse naam voor het plantje, dat bekend staat als ‘slaapkamergeluk’ (wat dat ook maar mag inhouden). In feite dus een plant die overwegend als kamerplant wordt gehouden. Brunnera is dus goed te combineren met bodembedekkende plantjes, zoals Draba sibirica, Androsace, Armeria, Aceaena etc. De mooie, rond, hartvormige bladeren zijn prima te gebruiken in Biedermeier-boeketjes: o.a. met Lelietjes der Dalen, botanische tulpen en botanische narcissen.

Lycopodium clavatum, wolfsklauw

De wilde wolfsklauw (Lycopodium) is in Nederland inmiddels zeer zeldzaam geworden. Soms is de plant te vinden in naaldbossen in het noordoosten van Nederland of in kalkarme duinen. In berggebieden komen soorten wat frequenter voor.

Er is een aantal soorten wolfsklauw.

Kleine wolfsklauw (Lycopodium complanatum)

Van de grote wolfsklauw werden sporen in de farmacie gebruikt.
De wolfsklauw behoort tot de familie van de wolfsklauwen (Lycopodiaceae). De soorten hebben schubvormige bladen, die tegen de stengel aanstaan. Alle soorten dragen sporen in de oksel van het blad, hoewel het er bij bepaalde soorten op lijkt, dat sporen in een min of meer aarvorm aanwezig zijn. De wolfsklauw is voornamelijk een pionierplant. Hij komt een aantal jaren op een bepaalde plaats voor om vervolgens weer te verdwijnen. Boomachtige soorten kwamen in het primaire tijdvak voor. Hieruit is voornamelijk steenkool gevormd. Wolfsklauwen zijn specifiek, omdat ze hun sporen niet, zoals bij andere sporenplanten, in een groep bijeenhouden, maar omdat elke spore afzonderlijk in de bladoksel staat.

 
Dennenwolfsklauw (Lycopodium selago) Grote Wolfsklauw (Lycopodium clavatum)

De kleine wolfsklauw (Lycopodium complanatum) lijkt op de grote wolfsklauw, maar heeft geen witte haren aan de top van de stengels. De sporen staan op dunner bebladerde stengels aan de top. De bladen staan stijf tegen de stengel aangedrukt. Aren staan op lange losbebladerde stelen. Vruchtbare bladen zijn kort toegespitst. De stengels kruipen in hoofdzaak onderaards.

De dennenwolfsklauw (Lycopodium selago) groeit in open dennenbossen en aan de rand van vochtige heidevelden. De sporen zitten tussen de bladoksels. De plant groeit met een opgerichte, meestal vertakte stengel.
De grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum) heeft lange, kruipende stengels. Het einde van de stengel eindigt met geelachtige aren. Dit zijn onvruchtbare bladen. De plant komt voor in dennenbossen en op open heidevelden vanaf Midden-Europa tot aan de poolcirkel.

Eenarig wollegras, een hoogveenplant

Nog levende hoogvenen zijn zeldzaam geworden in Nederland. Hoogveen- gebieden liggen letterlijk op de hoge delen van Nederland. Ze ontvangen uitsluitend regenwater, hetgeen leidt tot een voedselarme (oligotrofe) situatie. Voedselarme situaties zijn zeldzaam in het landschap. In Drente en langs de oostgrens van Salland en Twente bestaan nog enkele situatie waarin een dergelijk milieu aanwezig is. In maart tot en met mei kunnen hoogvenen wit gekleurd zijn door de bloei van het eenarige wollegras.

Eenarig wollegras in het hoogveen

Het eenarige wollegras (Eriophorum vaginatum) bloeit in de periode maart – mei. Zoals de naam al zegt, staat er maar één bloeiwijze op de stengel, die van boven stomp driehoekkig van vorm is. De bloeiaar is tot 2 centimeter lang en heeft een langwerpige tot ovale vorm. Het wollige, zilverwitte pluis voelt wat kleverig aan. Dit wollegras is een meerjarige, grasachtige plant. De vrucht is in de vorm van een nootje; een eenzadige dopvrucht, die door de wind wordt verspreid.

Het eenarige wollegras is een van de belangrijkste bestanddelen en vormers van (hoogveen)turf. Het gras behoort tot de familie van de cypergrassen (Cyperaceae). Het wollegras heeft een lijn- of lintvormig blad, dat gaafrandig is.

Witte, pluizige haren vormen de bloeiwijze van het eenarige wollegras

De bladen hebben geen bladsteel, terwijl de nervatuur parallel loopt.
Het eenarige wollegras groeit dikwijls samen met veenmos (Sphagnum) en kan ook voorkomen met de berk en de grove den in hoogveengebieden. De verbreiding van dit gras is vanaf de poolcirkel, Midden-, Noord- en Noordoost-Europa tot ver in Spanje, Noord-Italië, Macedonië en hoog in de Alpen (tot 2600 meter).

Buiten het eenarige wollegras is breed wollegras (Eriophorum latifolium) bijna uitsluitend op permanent vochtige, voedselarme graslanden te vinden, waarvan het grondwater veel calcium bevat en/of ijzerrijk is. Het breedbladige wollegras heeft brede bladen. Iets, wat in afwijking is van de overige leden van de cypergrassenfamilie. Het gemakkelijkst te onthouden kenmerk is, dat de pluizige aren in een trosvorm op een overhangende stengel staan. Breed wollegras heeft een groot verspreidingsgebied: vanaf de poolcirkel tot ver in Azië en Siberië en Noord-Amerika. Verder in bijna heel Europa tot en met de zuidkant van de Alpen. Ook dit gras is een belangrijke veenvormer.

Zij, die zich in het geheim voortplanten

Varens krijgen geen bloemen en brengen geen zaden voort. Het niet voortbrengen van bloemen en zaden heet bedekt bloeiend. Varens

Osmunda regalis

vermenigvuldigen zich door middel van kleine sporen. Die sporenhoopjes zitten meestal aan de onderkant van het blad en zijn bruin of groen van kleur. Als de sporen rijp zijn, vallen ze op de grond, waar ze – als de grond vochtig genoeg is – ontkiemen.

Het ontbreken van bloemen kan voor sommige tuinliefhebbers nog weleens een gemis zijn. Toch verdienen varens het om in de border te worden gebruikt. Er bestaan geen geschiktere planten voor het verfraaien van moeilijke schaduwhoekjes. Elke tuin heeft vrijwel altijd een geschikte plek voor een groep varens. In een schaduwrijke tuin zijn varens de onmisbare basisbeplanting.

Het is onjuist te denken, dat varens uitsluitend in een vochtige of een moerasachtige omgeving kunnen groeien. In de vrije natuur zie je vaak varensoorten op oude muurtjes, in muurspleten en tussen stobben, zoals de steenbreekvaren (Asplenium) en de mannetjesvaren

'Dryopteris filix-mas'
Dryopteris filix-mas

(Dryopteris filix-mas). Het zijn plaatsen waar amper en onregelmatig water komt. Om te kunnen overleven moeten ze dus goed tegen droogte kunnen. Op zulke droge plaatsen blijven varens bescheiden in omvang en hoogte.
In vochtige gebieden, waar veel varens groeien, staan ze meestal op plaatsen die het water gemakkelijk doorlaten, zodat overtollig water makkelijk kan worden afgevoerd. Op zulke vochtige tot natte plaatsen worden het vaak indrukwekkende planten, die tot wel 2 meter hoog en breed kunnen worden. Onze inheemse varens groeien met wortelstokken in de grond. Tropische soorten groeien in den regel op bomen, leven saprofytisch (van afvalstoffen) of hebben een reusachtige stam.

Weinig wind

In onze tuinen staan varens het liefst in een goed doorlatende grond in lichte schaduw, halfschaduw of op een plek met veel schaduw waar weinig wind komt. Te sterk en te veel zonlicht kan het dunne varenblad verschroeien en veel wind kan tot verbranding leiden. Enkele uitzonderingen hierop zijn soorten als de rotsvaren (Cheilanthes) en sommige eikenvarensoorten. Die zijn warmteminnend en verdragen juist wel zon en droge, arme grond. Veel tuinvarens verlangen een neutrale tot kalkhoudende grond, uitgezonderd Blechnum- en Cryptogramma-soorten. Die houden weer van een vochtiger en zuur milieu. Verder is de luchtvochtigheid voor varens ook van belang. Langs de rand van de vijver of in de moerastuin zijn de ideale plekken, waar ze een weelderige bladgroei ontwikkelen. Zowel solitair als in een grote groep geplant met gekruld, gegolfd of geveerd blad zorgen ze voor een mooi contrast als ze worden gecombineerd met andere planten. Varens kunnen dus in kleine of grote groepen zorgen voor een mooi effect en sfeer in de tuin.

Varens in combinatie
Varens in combinatie

Groenblijvend of bladverliezend

Er zijn tuinvarens die in het najaar of door vorst hun blad verliezen. Het wordt bruin en sterft af. Ze zullen ieder voorjaar weer opnieuw blad vormen. Dan zijn er nog de groenblijvende varens. Zij verliezen hun blad niet en zijn ook in de winter groen en scheppen zo een prima decor voor de vroegbloeiende bolgewassen.

Een paar varens, die in de herfst hun blad verliezen (halfwinterhard)
Adiantum pedatum
(hoefijzervaren)
heeft een korte wortelstok en vormt op den duur grote groepen
Adiantum pedatum ‘Imbricatum’
(venushaarvaren)
een dwergsoort met kleine, blauwgroene overlappende blaadjes op korte, zwarte stelen
Dryopteris cristata
(kamvaren)
een zeldzame, inheemse varen met korte, steriele bladeren, die plat liggen, en opgerichte lange, smalle, fertiele sporenbladeren
Dryopteris dilatata
(brede stekelvaren)
een algemene, inheemse varen met drievoudig geveerd, lancetvormig blad
Athyrium filix-femina
(wijfjesvaren)
een sterke, inheemse varen met lange, heldergroene fijngeveerde bladeren, die in het najaar mooi geel verkleuren
Cystopteris fragilis
(gewone blaasvaren)
een inheemse, robuuste varen voor kalkrijke, vochtige plekjes in rotstuin, op muurtjes of een oude boomstronk
Onoclea sensibilis
(bolletjesvaren)
dankt zijn naam aan de sporendragende doosjes op de fertiele bladeren, die aan het eind van de zomer verschijnen. Het lichtgroene blad is diepgedeeld en veerachtig. De plant is zeer geschikt voor de vochtige vijverrand
Pteridium aquilinum
(adelaarsvaren)
een inheemse adelaarsvaren, die bijna overal ter wereld is te vinden, heeft lange, kruipende wortelstokken. Ze kunnen 180 cm hoog worden en zijn dubbel- tot drievoudig geveerd
Osmunda regalis
(koningsvaren)
een forse, grote plant, doet het goed als solitair
Thelypteris palustris
(moerasvaren)
een inheemse varen, heeft fijn, vrij lichtgroen, tweemaal geveerd blad en een kruipende wortelstok
Matteucia struthyopteris
(struisvaren)
gemakkelijk groeiend, vermenigvuldigt zich via uitlopers en sporen, lichtgroen blad
'Pteridium aquilinum' 'Osmunda regalis' 'Onoclea sensibilis'
Pteridium aquilinum Osmunda regalis Onoclea sensibilis

Varens, die hun blad verliezen door vorst (halfwinterhard)
Dryopteris carthusiana
(smalle stekelvaren)
een inheemse, vrij algemene varen met smalle, tweemaal geveerde bladeren met een opgaande groeiwijze
Dryopteris filix-mas
(mannetjesvaren)
een inheemse, robuuste, algemeen voorkomende plant, die zelfs enigszins zonnige standplaatsen verdraagt
Dryopteris goldiana
(Amerikaanse reuzenbosvaren)
heeft mooie, grote, frisse, geelgroene bladeren aan een lange bladsteel, is windgevoelig
Groenblijvende varens (winterhard)
Asplenium scolopendrium
(tongvaren)
een ideale bodembedekker met altijd mooi glanzend, groen blad
Asplenium trichomanes
(steenbreekvaren)
heeft veervormig gerangschikt blad en komt op veel plaatsen in de wereld voor. Groeit tussen rotsen en op muren. Is een liefhebber van kalkrijke grond en een prima varen voor een rotstuin.
Cyrtomium falcatum
(ijzervaren)
heeft enkel geveerd, glanzend donkergroen blad. Het beste kan de kroon van de plant in de winter worden beschermd.
Cyrtomium fortunei
(Japanse ijzervaren)
heeft enkelgeveerd, mat blauwgroene bladeren en een opgerichte groeiwijze
Dryopteris atrata
(olifantslurfvaren)
een mooie varen met enkel geveerde, frisgroene bladeren en bladstelen. De nerven aan de onderkant zijn bedekt met zwarte schubben.
Polystichum munitum
(zwaardvaren)
een van de grootste, groenblijvende varens, heeft enkel geveerd, donkergroen blad op een korte stengel, die een beetje slap en overhangend is. Ze kunnen zeer breed worden.
Polypodium vulgare
(eikvaren)
een zeer sterke, wintergroene varen, heeft veerdelig, papierachtig blad. Nieuw blad verschijnt aan het begin van de zomer. Groeit vaak in boomholten.
Polystichum setiferum
(zachte naaldvaren)
de blaadjes kunnen soms een naald of scherpe stekel hebben. Het is een populaire varen met een aardige serie cultivars; ook ‘s winters fraai om te zien.

Tuinvarens kunnen in principe, zolang het niet vriest, het hele jaar door worden geplant, maar onder glas gekweekte varens kunnen het beste pas

'Polystichum aculeatum'
Polystichum aculeatum

half mei na de laatste nachtvorst worden geplant. Voor er wordt geplant, moet de grond goed onkruidvrij worden gemaakt. Maak het plantgat tweemaal groter dan de wortelkluit en druk de plant na aanplanten goed aan. Ook voldoende vocht is een vereiste. Geef het eerste jaar regelmatig water in geval van droogte. Periodiek toevoegen van compost of goede bladgrond is perfect als extra voeding.

Onderhoud

Als varens niet goed aanslaan, kan een weggespoelde bodemlaag door regen of overbegieting het probleem zijn. Als de grond rond de planten wordt weggespoeld, komen de wortels bloot te liggen en komt de plant los te staan. Plant een varen daarom in een ondiep kuiltje. Dan zal de grond – als het regent of als er wordt begoten – van bovenaf omlaagspoelen tot op de wortelstok en het kuiltje met aarde vullen, zodat de plant goed stevig zal komen te staan. Besproei niet rechtstreeks op het blad, maar giet het water zoveel mogelijk bij de wortels om rottingsproblemen te vermijden.

Vermeerderen

Het vermeerderen van varens uit sporen is niet zo eenvoudig als je zou denken. Aan de onderkant van het blad zitten sporenhoopjes, die door een dekvliesje worden beschermd. Wanneer de sporen ‘rijp’ zijn, springt het sporendoosje open en nestelen de sporen zich in geschikte grond. Daarna groeit er eerst een voorkiem (prothallium), waarop de eigenlijke voortplantingsorganen groeien. Ze wortelen als zich geschikte omstandigheden voordoen. Veel sporen wil nog niet zeggen veel nakomelingen. Ook zijn er varens, zoals de streepvaren (Asplenium bulbiferum) en de stekelvaren (Polystichum), die op de bladen broedbollen vormen.

Neem een blad met rijpe broedbollen en prik dat vast in een bakje met vochtige, goede zaaigrond gemengd met wat turfmolm. Zet het op een lichte en warme plaats en houd de grond vochtig. Als zich plantjes met worteltjes hebben gevormd, die groot genoeg zijn om zich vast te houden, kunnen ze worden losgemaakt en opgepot of uitgezet in de volle grond. Eenvoudiger is het vermeerderen van varens door te scheuren of het nemen van wortelstekken. Zaaien zowel als scheuren kan in het voor- en het najaar gebeuren, maar bij voorkeur in het voorjaar.

Ziekten en plagen

Tuinvarens vragen wat betreft ziekten en plagen weinig of geen aandacht. Ze zijn er niet erg gevoelig voor. Ze zijn er wel gevoelig voor als ze niet op een goede of op een te droge plaats staan. Ziekten zijn dan zijn meestal makkelijk te bestrijden en kunnen goed en snel onder controle worden gehouden. Snoei ziek en oud blad weg. Dit kan het beste gebeuren voor de nieuwe bladeren zich ontrollen, waardoor de ziektecyclus wordt doorbroken.
Slakken zijn niet gek op varens en zullen ze meestal links laten staan. Uitzondering hierop is een aantal Asplenium-soorten. Die willen nog weleens last hebben van slakkenvraat. Een andere, vrij algemene plaag kan de taxuskever zijn. Sommige soorten varens zijn er vatbaar voor. Verlepte bladeren zijn de zichtbare symptomen van een taxuskeveraantasting. Laat het blad makkelijk los, dan is de banaanvormige larve van de taxuskever meestal de oorzaak. Ook knabbelen volwassen kevers aan de bladeren. Gelukkig is dit voor een gezonde plant niet erg. Volwassen kevers zijn te herkennen aan de lange, spitse snuit. Ze kunnen het beste in de avond worden weggevangen en direct worden geplet.

Dicksonia antarctica
Dicksonia antarctica

Een varen apart: Dicksonia

Dicksonia is een geslacht van ongeveer 20 soorten boomvarens. Ze komen voor in de hooglanden van tropische en warmere, gematigde streken van de wereld. Boomvarens staan vanwege hun architectonische uitstraling meer en meer in de belangstelling. Als u zo’n varen wilt kopen, zult u merken, dat hij flink prijzig is. De reden hiervan is de langzame groei van de plant.
De boomvaren heeft in volwassen toestand wel iets weg van een palm door de rechte stam, bekleed met vezelachtige, oude stengels en bladbeginsels, en de lange, geveerde bladeren, die wel 3 meter lang kunnen worden. De stam kan een doorsnede van 60 cm krijgen. Geef de boomvaren een halfschaduwrijke of schaduwrijke plaats. Voor een goede ontwikkeling en groei is een hoge luchtvochtigheid van belang. Een plaats in de buurt van een vijver of sloot is daarom het beste. Voor een goede groei moet de grond ook humusrijk zijn. Geef de plant daarom van tijd tot tijd een mulchlaag van verteerde bladaarde met compost.
Dicksonia is licht vorstgevoelig, maar overleeft de winter als de basis, stam en top gedurende de winter worden ingepakt in stro. Wie geen risico wil nemen, plant een boomvaren in een ruime kuip en laat hem overwinteren in een vorstvrije ruimte.

In principe bestaat de hele stam van een boomvaren uit afgestorven wortels en neemt hij daarom niets (meer) op via die wortels. Voeding wordt via de kop opgenomen in de vorm van regen inclusief mineralen. Sommigen verwennen hun Dicksonia één keer per jaar door in het voorjaar acht kopjes suiker opgelost in 1 liter water in de kop te gieten. Het resultaat schijnt top te zijn. Kijk overigens niet vreemd op als u ergens de onderkant van de stam in beton gegoten ziet…
Besproei de stam tijdens droge, warme perioden dagelijks met water. Geef de boomvaren veel water. De stam en de aarde moeten vochtig blijven. Als nieuwe bladeren klein blijven, komt dit meestal, omdat de plant te droog staat. Voel af en toe aan de stam of die voldoende vochtig is. Knip oude en lelijke bladeren ongeveer 1 centimeter boven de stam af.
Een paar bekende soorten zijn Dicksonia antarctica (zachte boomvaren), Dicksonia fibrosa, Dicksonia lanata en Dicksonia squarrosa.

Koop gezond

Koop altijd varens, die er gezond en mooi uitzien. Ze moeten goed in het blad zitten en heldergroen zijn, niet te dof. Een gezonde plant op de goede plaats zal probleemloos steeds mooier worden. De beschreven soorten en variëteiten zijn maar een kleine greep uit de enorme hoeveelheid varens die er zijn.

Geen schapen, toch klaver

Je hoeft geen schapen in de tuin te houden om toch klaver te hebben in je sortiment.

Klaver (Trifolium rubens var. alba)

Deze witbloeiende klaver is de moeite waard. Voor kalkrijke grond, zandig of kleiachtig, is deze klaver geschikt. Zijn wilde broer Trifolium rubens bloeit met paarsachtige, rolronde bloemen. De wilde soort heet dan ook purperen klaver. De hier beschreven klaver is een overblijvende vaste plant en geliefd bij bijen en hommels.

Er zijn heel veel soorten klaver en klaverzuring. De meeste soorten zijn geschikt om schapen en konijnen hun buik mee te laten vullen. De klaver op de foto hiernaast (Trifolium rubens var. alba) wordt door konijnen ook niet versmaad. Wie in een konijnenrijke omgeving woont,

Deze klaver wordt tot
60 centimeter hoog

kan deze klaver beter niet in de tuin planten. Woont u in een omgeving waar deze kortoren al lang geleden zijn afgereisd naar een meer geschikte woonomgeving, dan kunt u deze sierlijke klaver zeker eens proberen. Tenzij u niet gediend bent van andere nijvere beesten, zoals hommels en bijen. Deze witte klaver lokt ze met heerlijke honing en stuifmeel.

De bloemhoofden van deze klaver zijn 7 tot 8 centimeter hoog en ten minste 3 tot 4 centimeter dik. In juni – juli verschijnen de aanvankelijk groene bloemhoofden, die naar wit verkleuren. De bloei verloopt van onderen naar boven. Het blad is drietallig, frisgroen van kleur en gaafrandig.
Bij langdurige neerslag heeft deze klaver de neiging om te vallen. Steunen van de plant(en) is nodig, omdat deze klaver op vrij slappe stengels groeit. Na regen komt zonnenschijn, klaver richt zich dan weer op. Fraai is dat regendruppels als parels op en aan de bladen blijven hangen.

Waarin een brandnetel al niet groot kan zijn

Brandnetels zijn nou niet bepaald planten die je graag in je tuin hebt. Je loopt er het liefst met een grote boog omheen. Je hoeft er maar één keer mee in aanraking te zijn geweest en je weet voor je hele leven dat je ze moet mijden. De netelharen veroorzaken een onaangename jeuk en later een schrijnend gevoel op de huid.

Rijk aan vitamine A en C
De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan vitamine A en C, ijzer en mineralen

Toch zijn ze ‘tot nut voor de mens’.

Brandnetel is een echte kosmopoliet. Ze komen over de hele aarde voor. Het liefst groeien ze op stikstofrijke, wat vochtige plaatsen. Ze horen tot de familie van de Urticaceae. In de oude indeling van plantengeslachten werden moerbei, hennep en hop er ook onder gerangschikt.

Twee soorten komen in het wild voor: Urtica dioica, de grote brandnetel, en Urtica urens, de kleine brandnetel. De kleine brandnetel groeit het meest op mesthopen en is een eenjarige plant. De grote brandnetel is een overblijvende plant. Beide soorten zijn tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten. Verschillen tussen beide soorten betreffen onder andere de lengte van de bladsteel. Van de kleine brandnetel is de bladsteel langer dan het blad, de grote brandnetel heeft juist korte stelen. De bloemtrossen van de grote brandnetel hangen in okselstandige aren, van de kleine brandnetel staan ze rechtop. Beide hebben gemeen dat de holle, schuin omhoog staande brandharen een bijtend vocht bevatten. Komt de huid in aanraking met een brandhaar, dan breekt deze van de plant af en veroorzaakt een wondje. Kenmerkend voor brandnetels zijn de vierkante stelen en de gezaagde bladeren. Alle delen van de plant zijn bezet met brandharen. Brandnetel bloeit vanaf juni tot de late herfst.

Eetbaar en tegen roos

In de homeopathie wordt alleen extract van de kleine brandnetel gebruikt. Het is werkzaam tegen huiduitslag, waterzucht en brandwonden van de eerste graad.
Thee en in wijn gekookte jonge bladeren en wortels van de grote brandnetel worden als ‘huismiddeltje’ gebruikt tegen verslijming van de longen en ademhalingswegen, huiduitslag, geelzucht en aambeien. Thee zuivert bovendien de maag. Inwrijven van de huid met brandnetels verzacht reuma en artritis. Brandnetelblad wordt ook wel bereid als spinazie. Het zou ook reumapijnen verlichten.
De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan vitamine A en C, ijzer en mineralen. Commercieel wordt brandnetelextract verwerkt in shampoo. Het is werkzaam tegen roos.