Van alles over vijvers op alfabetische volgorde:

 

Nederlands/Latijn

(en Latijn/Nederlands)

Waterplanten

Dotterbloem Caltha palustris
Gele lis Iris pseudacorus
Gele plomp Nuphar lutea
Kafferlelie Schizostylis
Lisdodde Typha
Victoria amazonica Victoria amazonica
Waterhyacint Eichhornia crassipes
Waterlelie Nymphaea
Waterviolier Hottonia palustris

Moeras/dras/oever

Aardorchidee Bletilla
Cypergrassen Cyperus
Drakenkop Dracocephalum
Drieblad Menyanthes trifoliata
Egelskop Sparganium emersum
Groot hoefblad Petasites albus
Kattestaart Lythrum salicaria
Kogelbloem Trollius
Moerasaronskelk Lysichiton camtschatcensis
Moerasviooltje Viola palustris
Primula Primula florindae
Rietgras Phalaris arundinacae
Snoekkruid Pontederia
Valeriaan Valeriana officinalis
IJzerhard Verbena
Zwanenbloem Butomus umbellatus

Diverse

Vijverallerlei  
Zomaar een vijvertje  


Latijn/Nederlands

Waterplanten

Caltha palustris Dotterbloem
Eichhornia crassipes Waterhyacint
Hottonia palustris Waterviolier
Iris pseudacorus Gele lis
Nuphar lutea Gele plomp
Nymphaea Waterlelie
Schizostylis Kafferlelie
Typha Lisdodde
Victoria amazonica Victoria amazonica

Moeras/dras/oever

Bletilla Aardorchidee
Butomus umbellatus Zwanenbloem
Cyperus Cypergrassen
Dracocephalum Drakenkop
Lysichiton camtschatcensis Moerasaronskelk
Lythrum salicaria Kattestaart
Menyanthes trifoliata Groot hoefblad
Petasites albus Rietgras
Phalaris arundinacae Drieblad
Pontederia Snoekkruid
Primula florindae Primula
Sparganium emersum Egelskop
Trollius Kogelbloem
Valeriana officinalis Valeriaan
Verbena IJzerhard
Viola palustris Moerasviooltje

Diverse

  Vijverallerlei
  Zomaar een vijvertje

Sophora prostrata, een warrig groeiende struik

Aan de bladen zie je ogenblikkelijk, dat het om een lid uit de familie van de Leguminosae gaat. De geveerde bladen staan in slagorde langs de stengel. Het struikje is vrij nieuw (2002) in het sortiment van half groenblijvende struiken. Door zijn rijke bloei, met min of meer klokvormige gele bloemen, is het een aanwinst.

Sophora prostrata ‘Little Baby’ is semi-groenblijvend

Van het geslacht Sophora zijn meer dan vijftig soorten bekend. Daarvan is Sophora japonica, de honingboom of pagodeboom, wel het bekendste in streken met een gematigd klimaat. De meeste andere soorten groeien in de gebieden van de zuidelijke oceanen, Hawaï, Nieuw-Zeeland en Mauritius. Sophora prostrata komt van oorsprong uit Nieuw-Zeeland. Daar groeit de struik in droge gebieden aan de voet van de bergen. In ons land wordt de struik niet hoger dan zo’n anderhalve meter.

Het opvallendste aan deze Sophora is de wijze, waarop de stengels zijn gegroeid. Ze schieten van links naar rechts in tamelijk hoekige vormen. De struik doet daarom ook wat denken aan Stephanandra incisa. De stengels groeien dicht door elkaar heen en vormen een bossige, warrige struik. De tweede naam – prostrata – duidt al op de verschijningsvorm van de struik. De stengels zijn overwegend neerhangend. In juni – augustus verschijnen heldergele, klokvormige bloemen in overvloed en dat maakt de struik, naast de warrige groeiwijze, interessant. Sophora prostrata ‘Little Baby’ wordt geplant in voedzame potgrond en verdient een plaats in de volle zon. De struik kan ook goed worden gehouden op een luwe plaats op het balkon. De plant is niet winterhard en zal op een vorstvrije plaats moeten overwinteren.

Sophora prostrata kan beter niet worden gesnoeid. Snoeien kan ertoe leiden, dat de struik een aantal jaren niet zal bloeien. Als de struik te hoog wordt naar uw zin, dan is het raadzaam de verjonging over een paar jaar uit te spreiden.
Snoeiperiode: uitsluitend midden zomer. De struik leent zich ook goed om tegen een muur in waaiervorm te worden geleid, maar wees ook dan zeer voorzichtig met snoeien.

Hertshooi

Hertshooisoorten komen over de hele wereld voor, maar de meeste zijn te vinden in gebieden met koelere klimaten.Er zijn meer dan 400 soorten bekend. Enkele daarvan zijn van belang voor de tuin. Daaronder zijn er, die – ook een uitstekende bodembedekking opleverend – in groepen of als solitair kunnen worden geplant. Sommige zijn groenblijvend of verliezen hun blad pas aan het begin van de winter. Hertshooi heeft

De bloem van Hyperium moserianum is stervormig

opvallende grote gele bloemen, waarvan de lange meeldraden wel heel opvallend zijn.

In Nederland komen berghertshooi (Hypericum montanum), kantig hertshooi (Hypericum dubium, Canadees hertshooi (Hypericum canadensis), moerashertshooi (Hypericum elodes), gevlekt hertshooi (Hypericum maculatum, ruig hertshooi (Hypericum hirsutum), liggend hertshooi (Hypericum humifusum), fraai hertshooi Hypericum pulchrum), gevleugeld hertshooi (Hypericum tetrapterum) en Sint-Janskruid

Hypericum x moserianum is een goede bodembedekkende halfheester

Hypericum perforatum) van nature voor. Hypericum behoort tot de familie van de Clusiaceae.

Soorten hertshooi kunnen zowel in de zon en in de halfschaduw groeien. De heesters en halfheesters van het geslacht verlangen een diep humeuze en permanent vochtige grond. De beste bodembedekkende soorten zijn grootbloemig hertshooi (Hypericum calycinum) en Hypericum x moserianum. Grootbloemig hertshooi is groenblijvend en verovert zijn omgeving door middel van uitstoelende wortels zonder agressief te zijn. Hypericum x moserianum is daarentegen niet wintergroen. Deze halfheester is ook wat minder winterhard. Beide soorten hebben opvallend grote, gele bloemen.

Na de bloei krijgt Hypericum androsaemum ‘Kolinpin’ fraai gekleurde bessen

Hypericum adrosaemum is een heesterachtige hertshooi. De struik wordt tot een meter hoog en heeft roodachtige stengels met vrij groot donkergroen blad. De bladen hebben soms een rood randje of een paarse gloed over zich. De stengels groeien direct vanuit de grond. In de zomer is de struik overdekt met grote, goudgele bloemen, gevolgd door rode ronden bessen, die naar pikzwart verkleuren. De stengels met de zwartgekleurde bessen worden veel in najaarsboeketten gebruikt. In Australië en Nieuw-Zeeland is deze hertshooi een lastig onkruid. Aan het begin van het voorjaar wordt deze struik om het jaar bij de grond af afgeknipt.

Soms kan hertshooi aangetast worden door roest. Roest uit zich in de vorm van bruinrode sporenhoopjes op het blad. De aantasting kan worden bestreden met Vital (Ecostyle). Preventief spuiten is aan te bevelen. Herhaal de bespuiting eens per veertien dagen in het groeiseizoen.

De beste hertshooien

Soort/variëteit Hoogte (cm) Bijzonderheden
Hypericum adrosaemum 80-100 Opgaande struik. Solitair heester of in groep te gebruiken. Bloei in juni – september.
Hypericum adrosaemum ‘Buttercup’ 80-100 Opgaande struik. Bladen lancetvormig. Solitair heester of in groep te gebruiken. Bloei juni – september.
Hypericum calycinum 80-100 Opgaande struik. Wintergroen. Solitaire heester of in groep te gebruiken.
Hypericum dummeri ‘Peter Dummer’ 60 – 80 Fijn blad. Breed uitgroeiend, bodembedekkend. Halfwintergroen. Bloemen tot 8 cm groot. Bloei juli – oktober.
Hypericum ‘Hidcote’ 100 Breed uitgroeiende struik. Halfwintergroen. Goed winterhard. Sterke bodembedekkende struik. Bloei juli – oktober.
Hypericum hircinum 50cm Dicht groeiende, opgaande struik. Rijke bloei gevolgd door bruinrode, later zwarte vruchten. Bloei juli – spetember.
Hypericum x inodorum 100 Dichte, rechtop groeiende struik. Verder als meteen hierboven: Hypericum hircinum.
Hypericum x inodorum ‘Autumn Blaze’ 100 Stijf opgaande struik. Zeer grote bloemen in juni – augustus, gevolgd door vruchten. Heester voor in grote groep.
Hypericum x inodorum ‘Elstead’ 60 – 80 Voor vochtige voedselrijke grond. Bloemen gevolgd door opvallende helderrode, later zwarte vruchten. Voor groepsbeplanting.
Hypericum x inodorum ‘Orange Flair’ 75 Breedopgaand groeiende struik. Bloemen in juni – augustus gevolgd door uiteindelijk donkerrode bessen.
Hypericum kouytchense 100 – 150 Halfgroenblijvende struik. Lancetvormig, donkergroen blad. Bloemen in juli – september. Voor groepsbeplanting.
Hypericum x moserianum 50 Breed uitgroeiend. Halfwintergroen. Bladen blauwachtig groen. Bloemen in juli – oktober. Voor bodembedekking. Minder winterhard.

De tuinhortensia

Hortensia is zo’n plant die vroeger boerenerven sierde. Tegenwoordig (2005) is de belangstelling ervoor weer groot. De felle kleuren van de bolvormige bloem van hortensia verdient aandacht. Veel mensen vragen zich af waarom hun hortensia toch van kleur kan veranderen.

Er zijn veel verschillende variëteiten

Hortensia wordt de plant in de volksmond genoemd. Hydrangea paniculata is de wetenschappelijke naam. De struik spreekt tot de verbeelding door z’n grote schapenkopachtige bloeiwijze. Wat we als bloem zien, is een verzameling van bloemen die bolvormig gerangschikt zijn. De echte paniculata is wit van kleur. Later kan dezelfde struik roze bloemen geven. Er zijn veel variëteiten van hortensia. In feite wordt de potentiële hortensiakoper meer door de kleur gelokt dan door wat voor een interessante naam een plant ook heeft.
Kleurig zijn ze, dat moet je toegeven. Witte, rode, blauwe en roze bloemen te kust en te keur. De belangrijkste vraag, die menigeen bezighoudt, is vooral waarom de kleur van een hortensia zo maar kan veranderen. Mij lijkt de vraag of je de oude kleur weer terug kunt krijgen oneindig belangrijker. Het antwoord is simpel. Ja, dat kan.

Zuurgraad bepaalt kleur

Naar de verkleuring van de bloem van hortensia is veel onderzoek gedaan.

Hortensia kleurt blauw op een zure grond, paars op een matig zure grond en roze op een basische grond.

Vooral roze hortensia’s hebben het vermogen om van kleur te verschieten en wel naar blauw en zelfs omgekeerd. De plantkundige Molish begon als eerste te experimenteren. Hij kwam tot de ontdekking dat ijzer en aluminium invloed hebben op de kleur van de bloem. De Amerikaan Allen constateerde dat deze chemische elementen niet alleen voor de verkleuring konden zorgen.
De kleur van de hortensiabloem reageert op de zuurgraad van de grond. De zuurgraad van een grond wordt uitgedrukt in pH, een getal. Zure gronden hebben een pH-getal tussen 4,5 – 5,5, lichtzure gronden hebben een pH van 5,6 – 6,5 en basische gronden een pH tussen 6,6 – 7,2. Naarmate de grond zuurder is, kunnen meer metalen oplossen. De aanwezigheid van ijzer en/of aluminium in zure gronden bleken de verkleuring te veroorzaken.

Het is dus goed mogelijk de kleur van hortensia te beïnvloeden. Nuttige hulpmiddeltjes zijn het ingraven van een handje roestige spijkers bij de plant. Of door een heel klein beetje aluin (kaliumsulfaat) of aluminiumsulfaat rond de plant uit te strooien; mits en alleen als de grond zuur genoeg is. Voorwaarde voor de verkleurtruc is dat de hortensiasoort het pigment delphinide-glucoside bevat. Vrijwel alle hortensia’s bevatten dit pigment.

Hortensia met vruchtbare en onvruchtbare bloemen

Handig is dat er nu een strooimiddel van Asef en het te gieten mengsel van Pokon & Chrysal te koop is. Ze regelen de verkleuring van hortensia feilloos. Hoe zuurder de grond, des te beter het hulpmiddel werkt. Pokon & Chrysal heeft het middel Pokon Season Comfort Hortensia Blauw op de markt gebracht in een verpakking met achttien zakjes. Eén zakje wordt in een liter water opgelost en rondom de hortensia gegoten. Augustus en/of september is geschikt om de behandeling uit te voeren.

Steriel en fertiel

Nog wat botanische wetenswaardigheden: hortensia heeft grote bloemen aan de buitenzijde. Dit zijn lokbloemen om insecten te lokken. Deze bloemen zijn onvruchtbaar (steriel). Alleen de binnenste bloemen zijn vruchtbaar (fertiel) en hebben in hun nabijheid stampers en meeldraden. De gewone hortensia heeft veel steriele bloemen.

Snoeien hortensia

Iochroma, een nachtschade uit de subtropen

Wat zijn er toch prachtige nachtschade-
soorten elders op de wereld. Iochroma uit Midden- en Zuid-Amerika is daar zo één van. Een groenblijvende ook nog eens als je hem tenminste lekker warm houd en voldoende luchtvochtigheid erop na kunt houden. Een schitterende plant voor lichte serres, kasjes of zo maar op een tegen wind beschut balkon of tegen een warme muur. Warmte het hele jaar door is nodig om deze opvallend bloeiende plant goed te houden.

De nachtschadeachtigen (Solanaceae) behoren tot de grote groep Solaniflorae. Tal van winde-, vlambloem- en waterklaverachtigen en ruwbladigen

Iochroma cyaneum bloeit met cyaanblauwe buisvormige bloemen

behoren tot deze groep. Daaronder zijn bekende en minder bekende planten: Petunia, Atropa, Brunfelsia, Ipomoea, Phlox, Polemonium en Myosotis. (Over andere nachtschadeachtigen is hier het een en ander te lezen.)
Van Iochroma zijn drie soorten van belang: Iochroma cyaneum, Iochroma fuchsioides en Iochroma grandiflorum. Alle drie soorten hebben broze, breekbare stengels. Daarom is een beschutte plaats tegen de wind nodig. De struik groeit opgaand en heeft overhangende stengels. Vanaf het begin van de zomer tot aan het begin van de winter bloeit Iochroma met lange buisvormige bloemen in tuilen in de kleuren wit, paars, rood of blauw.

Iochroma cyaneum bloeit met cyaanblauwe bloemen. Het blad is grijsgroen en licht viltig behaard. Het is een snelgroeiende struik, die gemakkelijk een hoogte van 3 meter kan halen. Naast groei in de hoogte groeit de struik ook tot circa 1½ meter breed.
Iochroma fuchsioides bloeit met scharlakenrode bloemen. De gelijkenis met voorgaande plant is verder erg groot.
Iochroma grandiflorum kan wel 3 tot 6 meter hoog en 3 meter breed worden en heeft meer de gedaante van een boom.

Iochroma cyaneum heeft een lichte grijstint
over het groene blad

Bloemen zijn helderpaars. Na de bloei verschijnen donkerpaarse of groene besvruchten. Het blad is spits-ovaal en tot 20 centimeter lang.

Iochroma moet aan het begin van de lente worden gesnoeid. De stengels die hebben gebloeid, moeten ver worden teruggeknipt. Eventueel andere lange stengels terugknippen: de plant zal bossiger en voller worden. Geef in de zomer rijkelijk water en éénmaal per veertien dagen vloeibare kamerplantenmest. In het voorjaar verpotten. Gebruik potgrond, waaraan een kleine hoeveelheid verteerde stalmest is toegevoegd. Na de bloei de plant minder water geven en binnen vorstvrij laten overwinteren (minimumtemperatuur 10° C.).
Wie Iochroma wil stekken, doet dit in de zomer. Maak topstek(ken) en plant die in gewone potgrond vermengd met scherp zand. Stekken wortelen tamelijk snel.

Nachtschadeachtigen:

Cestrum
Streptosolen
Brugmansia
Lampionplant
  Nachtschade
Iochroma
Solanum ‘Rantonettii’
Solanum jaminoides ‘Album’

Onze struiken/heesters op alfabetische volgorde

 

Nederlands/Latijn

(en Latijn/Nederlands)

Abelia Abelia
Amerikaanse sering Ceanothus
Anisodontea Anisodontea
Andromeda Pieris
Aucuba Aucuba
Augurkenstruik Decaisnea fargesii
Azara dentata Azara dentata
Azijnboom Rhus
Bergthee Gaultheria procumbens
Beuk (haag) Fagus sylvatica (haag)
Bezembrem Cytisus scoparius
Boerenjasmijn Philadelphus
Bougainvillea Bougainvillea
Boomwurger Celastrus
Caesalpinia gilliesii Caesalpinia gilliesii
Callicarpa Callicarpa
Camelia Camellia
Chimonanthus praecox Chimonanthus praecox
Chinees klokje Forsythia
Choisya Choisya
Cistus Cistus
Citrus Citrus
Clematis vitalba Clematis vitalba
Cordyline fruticosa Cordyline fruticosa
Dombeya Dombeya
Duivelswandelstok Arália
Duranta erecta Duranta erecta
Dwergesdoorn, dwergahorn Acer griseum
Dwergmispel Cotoneaster salicifolia var. floccosa
Eik (‘Oostenrijkse’) Quercus turneri ‘Pseudoturneri’
Enkianthus Enkianthus
Ephedra Ephedra
Erwtenstruik Caragana arborescens
Fluweelboom Rhus
Fremontodendron Fremontodendron
Fuchsiastruik Fuchsia magellanica ‘Riccartonii’
Gagel Myrica gale
Gaspeldoorn Ulex
Gelderse roos Viburnum opulus
Gele kornoelje Cornus mas
Glansmispel Photinia
Gouden regen Laburnum
Granaatappel Punica granatum
Hazelaar, gedraaid Corylus avellana
Hazelaar, tover Hamamelis
Hebe Hebe
Heliotroop Heliotropium arborescens
Heptacodium Heptacodium
Herfstpaardekastanje Aesculus parviflora
Hertshooi Hypericum
Hibiscus syriacus Hibiscus syriacus
Hortensia Hydrangea aspera
Hortensia, eikbladig Hydrangea quercifolia
Iochroma Iochroma
Isoplexis canariensis Isoplexis canariensis
Johannesbroodboom Ceratonia siliqua
Kaapse fuchsia Phygelius aequalis ‘Yellow Trumpet’
(Bos)kamperfoelie Lonicera periclymenum
Kamperfoelie Lonicera
‘Kansenboom’ Clerodendrum
Kardinaalshoed, -muts Euonymus
Kardinaalshoed, -muts Euonymus fortunei
Kardinaalshoed, -muts, Japanse Euonymus japonicus
Klimop Hedera helix en colchica
Klimop, gewone Hedera helix ‘Arborescens’
Koraalstruik Erythrina crista-galli
Kornoelje Cornus kousa
Kornoelje, reuzen- Cornus controversa
Kornoelje, witte Cornus alba
Kronkelwilg Salix babylonica
Laurier Laurus nobilis
Laurierkers Prunus laurocerasus
Lavendel Lavandula
Leucospermum cordifolium (Protea) Leucospermum cordifolium (Protea)
Lithodora diffusa Lithodora diffusa
Maagdenpalm Vinca minor en major
Magnolia Magnolia
Mahonia japonica Mahonia japonica
Malaviscus Malaviscus
Mannentrouw Plumbago auriculata
Medinilla Medinilla
Meidoorn Crataegus
Meloenboompje Calycanthus floridus
Metrosideros Metrosideros
Nandina Nandina
Oleander Nerium oleander
Pachysandra Pachysandra terminalis
Parrotia Parrotia
‘Pawpaw tree’ Asimina triloba
Perovskia atriplicifolia Perovskia atriplicifolia
Poncirus trifoliata Poncirus trifoliata
Portugese laurier (vormsnoei) Prunus lusitanica
Pruikenboom Cotinus coggygria
Randpalm Buxus sempervirens
Ranonkelstruik Kerria japonica
Ribes King Edward VII Ribes sanguineum
Rododendron Rhododendron
Rododendron (laagblijvend) Rhododendron
Roos, Japanse; camelia Camellia
Rozen Roseae
Salie Salvia azurea
Salix integra ‘Hakuro-nishki’ Salix integra ‘Hakuro-nishki’
Salvia Salvia microphylla  Neurepia
Schijnels Clethra
Schijnhazelaar Corylopsis
Senne Cassia didymobotrya
Sering Syringa
Sering, Amerikaanse Ceanothus
Serissa foetida Serissa foetida
Skimmia Skimmia
Sleedoorn Prunus spinosa
Sneeuwbal Viburnum x globosum Jermyn’s Globe
Sneeuwbal, Japanse Viburnum plicatum
Sneeuwbal Viburnum tinus ‘Gwenllian’
Sneeuwbes Symphoricarpos
Sneeuwklokjesboom Halesia
Sophora prostrata Sophora prostrata
Spirea, spierstruik Spiraea
Spirea, spierstruik Spiraea japonica
Stachyurus Stachyurus
Streptosolen jamesonii Streptosolen jamesonii
Sumak Rhus
Tamariks Tamarix
Teen-, katwilg Salix viminalis
Tibouchina urvilleana Tibouchina urvilleana
Treurkers Prunus subhirtella
Tuinhortensia Hydrangea paniculata
Viburnum x bodnantense ‘Dawn’ Viburnum x bodnantense ‘Dawn’
Viburnum rhytidophyllum Viburnum rhytidophyllum
Vlinderstruik Buddleja davidii
Vuurdoorn Pyracantha
Weigelia Weigelia
Wijnruit, ruite Ruta graveolens
Winterheide Erica carnea
Zuurbes Berberis

The edible garden:

Aalbes Ribes rubrum
Braam Rubus phoenicolasius
Citrus Citrus
Druif Vitis vinifera
Dwergkwee, kweeappel Chaenomeles
Framboos  
Hazelnoot, hazelaar Corylus avellana
Japanse wijnbes Rubus
Jostabes  
Kornoelje Cornus
Krentenboompje Amelanchier lamarckii
Kruisbes Ribes uva-crispa
Mispel Mespilus germanica
Roos, bottel-, rimpel Rosa rugosa
Vlier Sambucus
Vijg Ficus carica
Zwarte bes Ribes nigrum


Latijn/Nederlands:

Abelia Abelia
Acer griseum Mespilus germanica
Aesculus parviflora Herfstpaardekastanje
Anisodontea Anisodontea
Arália Duivelswandelstok
Asimina triloba ‘Pawpaw tree’
Aucuba Aucuba
Azara dentata Azara dentata
Berberis Zuurbes
Bougainvillea Bougainvillea
Buddleja davidii Vlinderstruik
Buxus sempervirens Randpalm
Caesalpinia gilliesii Caesalpinia gilliesii
Camellia Camelia, Japanse roos
Callicarpa Callicarpa
Calycanthus floridus Meloenboompje
Caragana arborescens Erwtenstruik
Cassia didymobotrya Senne
Ceanothus Amerikaanse sering
Celastrus Boomwurger
Ceratonia siliqua Johannesbroodboom
Chimonanthus praecox Chimonanthus praecox
Choisya Choisya
Cistus Cistus
Citrus Citrus
Clematis vitalba Clematis vitalba
Clerodendrum ‘Kansenboom’
Clethra Schijnels
Cordyline fruticosa Cordyline fruticosa
Cornus alba Kornoelje, witte
Cornus controversa Kornoelje, reuzen-
Cornus kousa Kornoelje
Cornus mas Gele kornoelje
Corylopsis Schijnhazelaar
Corylus avellana Gedraaide hazelaar
Cotinus coggygria Pruikenboom
Cotoneaster salicifolia var. floccosa Dwergmispel
Crataegus Meidoorn
Cytisus scoparius Bezembrem
Decaisnea fargesii Augurkenstruik
Dombeya Dombeya
Duranta erecta Duranta erecta
Enkianthus Enkianthus
Ephedra Ephedra
Erica carnea Winterheide
Erythrina crista-galli Koraalstruik
Euonymus Kardinaalshoed, -muts
Euonymus fortunei Kardinaalshoed, – muts
Euonymus japonicus Kardinaalshoed, -muts, Japanse
Fagus sylvatica (haag) Beuk (haag)
Forsythia Chinees klokje
Fremontodendron Fremontodendron
Fuchsia magellanica Riccartonii Fuchsiastruik
Gaultheria procumbens Bergthee
Halesia Sneeuwklokjesboom
Hamamelis Toverhazelaar
Hebe Hebe
Hedera helix en colchica Klimop
Hedera helix ‘Arborescens’ Klimop, gewone
Heliotropium arboroscens Heliotroop
Heptacodium Heptacodium
Hibiscus syriacus Hibiscus syriacus
Hydrangea aspera Hortensia
Hydrangea paniculata Tuinhortensia
Hydrangea quercifolia Eikbladige hortensia
Hypericum Hertshooi
Iochroma Iochroma
Isoplexis canariensis Isoplexis canariensis
Kerria japonica Ranonkelstruik
Laburnum Gouden regen
Laurus nobilis Laurier
Lavandula Lavendel
Leucospermum cordifolium Leucospermum cordifolium
Lithodora diffusa Lithodora diffusa
Lonicera Kamperfoelie
Lonicera periclymenum Boskamperfoelie
Magnolia Magnolia
Mahonia japonica Mahonia
Malaviscus Malaviscus
Medinilla Medinilla
Metrosideros Metrosideros
Myrica gale Gagel
Nandina Nandina
Nerium oleander Oleander
Pachysandra terminalis Pachysandra
Parrotia Parrotia
Perovskia atriplicifolia Perovskia atriplicifolia
Phygelius aequalis ‘Yellow Trumpet’ Kaapse fuchsia
Photinia Glansmispel
Philadelphus Boerenjasmijn
Pieris Andromeda
Plumbago auriculata Mannentrouw
Poncirus trifoliata Poncirus trifoliata
Prunus laurocerasus Laurierkers
Prunus lusitana (vormsnoei) Portugese laurier
Prunus spinosa Sleedoorn
Prunus subhirtella Treurkers
Punica granatum Granaatappel
Pyracantha Vuurdoorn
Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ Eik (‘Oostenrijkse’)
Rhododendron Rododendron
Rhus Azijn-, fluweelboom, sumak
Rhododendron (laagblijvend) Rododendron
Ribes sanguineum Ribes King Edward VII
Roseae Rozen
Ruta graveolens Wijnruit, ruite
Salix babylonica Kronkelwilg
Salix integra ‘Hakuro-nishki’ Salix integra ‘Hakuro-nishki’
Salix viminalis Teen-, katwilg
Salvia azurea Salvia
Salvia microphylla Neurepia Salie
Serissa foetida Serissa foetida
Skimmia Skimmia
Sophora prostrata Sophora prostrata
Spiraea Spierstruik, spirea
Spiraea japonica Spierstruik, spirea
Stachyurus Stachyurus
Streptosolen jamesonii Streptosolen jamesonii
Symphoricarpos Sneeuwbes
Syringa Sering
Tamarix Tamariks
Tibouchina urvilleana Tibouchina urvilleana
Ulex Gaspeldoorn
Viburnum x bodnantense ‘Dawn’ Viburnum x bodnantense ‘Dawn’
Viburnum x globosum ‘Jermyn’s Globe’ Sneeuwbal
Viburnum opulus Gelderse roos
Viburnum plicatum Japanse sneeuwbal
Viburnum rhytidophyllum Viburnum rhytidophyllum
Viburnum tinus ‘Gwenllian’ Sneeuwbal
Vinca minor en major Maagdenpalm
Weigelia Weigelia

The edible garden:

Amelanchier lamarckii Krentenboompje
Chaenomeles Dwergkwee, kweeappel
Citrus Citrus
Cornus Kornoelje
Corylus avellana Hazelnoot, hazelaar
Ficus carica Vijg
Mespilus germanica Mispel
Ribes nigrum Zwarte bes
Ribes rubrum Aalbes
Ribes uva-crispa Kruisbes
Rosa rugosa Bottelroos, rimpelroos
Rubus Japanse wijnbes
Rubus phoenicolasius Braam
Sambucus Vlier
Vitis vinifera Druif
  Framboos
  Jostabes

Cornus, kornoelje

Kornoelje valt vooral op door mooie bloemen of kleurige takken. Van sommige struiken is de vrucht goed eetbaar. Kornoelje-jam is niet alleen bijzonder, maar ook heel lekker. Het geslacht Cornus is rijk aan soorten en variëteiten. Daar zitten bijzondere en gewone soorten tussen. De bekendste soorten C. alba en C. sanquinea hebben rode of gele stengels. Een opvallende voorjaarsbloeier is C. mas, die met gele op een toverhazelaar lijkende bloemen bloeit. Cornus kousa var. chinensis bloeit statig met viertallige, zuiver witte bloemen. Deze kornoelje is ongetwijfeld een van de mooiste struiken vanwege de regelmatige opbouw van het gestel van horizontaal uitstaande takken.
Cornus stolonifera ‘Flaviramea’ is een heester die vooral als vulling en in bosplantsoenen wordt gebruikt. Van de meeste kornoeljes verkleurt het blad in de herfst en ook daardoor al is het een opvallende verschijning in elke tuin.

   
Cornus kousa var. chinensis met opvallende bloemen Cornus stolonifera ‘Flaviramea’ heeft frisgroen blad Cornus mas bloeit in april voor het blad eraan komt

Eetbare vruchten

Een bijzonder laag blijvende kornoelje is C. canadensis. Deze kruipende soort wordt niet veel hoger dan 20 cm. De plant is inheems in Noord-Amerika.

Bessen van C. canadensis zijn eetbaar

De bladeren zijn opvallend mooi van vorm en frisgroen van kleur. Zoals bij bijna alle kornoeljes zijn in het blad de licht gebogen nerven goed zichtbaar. Het is een prima bodembedekkende plant voor een humusrijke en wat vochtige bodem. Een plaats in de halfschaduw is zonder meer nodig om een mooi dek over de grond te krijgen. De bloemen zijn groenwit van kleur en verschijnen in juni – juli. Het vruchtbeginsel ligt in het centrum van de omgevende vier bloembladen. In september – oktober verkleuren de groene bessen naar felrood. De tros bestaat uit 4 – 7 langwerpig ronde bessen. De vruchten zijn een delicatesse.
De Lappen verwerken de bessen tot een vruchtengelei. In diverse soorten pudding is het vruchtmoes een welkome variatie. Ook de bes van C. mas (rode vrucht) is eetbaar en te verwerken tot vruchtengelei.

Cornus canadensis in bloei; de bladeren vormen op zichzelf staande toeven

De druif, niet voor Bacchus alleen

De druif is in Nederland niet inheems. Daarmee wordt bedoeld dat deze plant niet van nature in Nederland voorkomt. Toch komt de druif als vrucht en als plant dikwijls voor op oude schilderijen en tekeningen uit de 17de en 18de eeuw. De bakermat van de druif moeten we zoeken in het oude Perzië. Op geweven wandtapijten, vooral uit de 15de en 16de eeuw, komen

Pinôt Noir, een nobele druif

tuinmotieven voor. De liefde voor het gebruik van afbeeldingen van tuinen heeft alles te maken met het islamitische geloof. In de Koran wordt veelvuldig gesproken over bepaalde bomen en planten. Ook heden ten dage spelen met name bloeiende bomen en struiken een rol in het islamitische geloof.

Nog steeds worden wijnstokmotieven in de tapijtkunst van het Midden-Oosten verwerkt. Overigens is het aardig om te vermelden dat de indeling van de vroegere Perzische tuinen later in de barokperiode in Frankrijk, Duitsland en Nederland opnieuw in de tuinkunst werd gebruikt. De parterres en broderies, zoals die te bewonderen zijn in Versailles, zijn daar rechtstreeks van afgeleid.

Druif – druivenstok

De druivenstok (Latijnse naam: Vitis vinifera) is een in Nederland ingevoerde plant. De verspreiding ervan is hier beperkt vanwege het weinig geschikte klimaat. Voor de productie van druiven wordt het gewas in hoofdzaak in kassen geteeld. Het Westland was tot voor enkele

In Nederland groeien druiven in hoofdzaak in een kas

jaren geleden het belangrijkste teeltgebied. Vooral het ras Frankenthaler (blauwe druif) werd het meeste geteeld. De prachtige, grote trossen sierden vooral de ‘schaal’.

Door import op grote schaal van consumptiedruiven uit Frankrijk, Spanje, Griekenland, Italië; en Turkije (maar ook steeds meer uit Californië, Mexico en Zuid-Afrikaanse landen) is zo langzamerhand de teelt in het Westland aan het verdwijnen.
De hoge productiekosten van in kassen geteelde druiven (stookkosten, kosten arbeid) zijn hieraan debet. In Zuid-Limburg zijn kleine percelen grond wel als wijngaard aangeplant. De teelt vindt plaats op de zuidhellingen van het krijtplateau. De productie van wijn is echter onbelangrijk.

Rassen

Voor de tuinliefhebber zijn in de Nederlandse tuincentra wel druivenrassen te koop. De belangrijkste soorten zijn: Vitis ‘Boskoop Glory’ (blauw) en Vitis coignetae. Daarnaast zijn de echte (oude) rassen te koop, zoals: Muskaat van Alexandrië, Witte Van der Laan en de Golden Champion (witte druivenrassen), ‘Chasselas’ (gele druif), ‘Foster’s Seedling’ en ‘Brant’. Blauwe druivenrassen zijn onder meer: Frankenthaler, Gros Maroc en Black Alicante.

In Frankrijk worden voor de productie van wijnen andere rassen gebruikt dan hier kunnen groeien. De belangrijkste rassen zijn: Pinôt Noir, Chardonnay, Sauvignon Blanc, Chenin Blanc, Gamay, Cabernet Sauvignon en de Merlot.
De naam Pinot is afgeleid van pin dat zoveel betekent als pijnboom. De

Franse wijngaard in het district Châlon

druiventros van de Pinot Noir lijkt in vorm op een denappel. Deze druif bevat veel sap en suiker; het sap van de vruchten is kleurloos. Vandaar dat de Pinot Noir ook gebruikt wordt voor de productie van champagne. De Chardonnay-druif wordt ook gebruikt om champagne van te maken, maar voornamelijk worden er stevige en goede Bourgogne-wijnen van gemaakt. Een wijn waarin de Chardonnay is gebruikt, is droog en vol van smaak.
Uit de Sauvignon Blanc komen de witte Bordeaux-wijnen voort. De smaak is fruitig fris en licht zuur. Chenin Blanc groeit in het Loire-gebied. Hieruit worden delicate Loire-wijnen gemaakt die fruitig of licht droog zijn. De meest klassieke druif is de Cabernet Sauvignon. De druif is heel donker van kleur en bevat veel kruidige tannine. Grote Bordeaux- en Médoc-wijnen worden hiervan gemaakt. De Merlot-druif wordt vooral in Pommerol en in de omgeving van Saint Emillion geteeld. Deze druif heeft een fijn aroma en zachte smaak.

Bodemeisen

Druivenstokken houden absoluut niet van zure (veenachtige) gronden. Het beste resultaat wordt bereikt op kalkrijke, kleiachtige grond, alhoewel de druif ook op humushoudende zandgrond aangeplant kan worden. Zorg ervoor dat in het vroege voorjaar (maart – april) de druif bemest wordt. Het eenvoudigste kan dit uitgevoerd worden met kunstmest, dat rijk is aan calcium of kalium. De zogenaamde mengmeststoffen zijn verkrijgbaar in verschillende hoeveelheden, meestal in N + P + K-combinaties: stikstof + fosfor + kalium.
Calciumsulfaat (CaSo4) is ook een zeer bruikbare meststof. Let erop, dat u bij aanschaf een zo hoog mogelijk K- of Ca-getal krijgt! Naarmate de grond lichter van samenstelling is (zandgronden) of armer aan kalk, neemt de smaakkwaliteit en de bewaarbaarheid van de druif af. Alleen goede, warme zomers met veel zonneschijnuren heffen de verschillen een beetje op. De in de grond aanwezige en noodzakelijke voedingszoutenconcentraties en ook de vochtigheid van de grond bepalen tevens de ontwikkeling. Bij een lage concentratie aan voedingsstoffen groeit het gewas welig, dat wil zeggen: ontwikkelt veel stengels, stelen en bladeren.
De druif steekt zijn energie dus te veel in de ontwikkeling van loof. Te veel blad is uiterst nadelig voor de ontwikkeling en de groei van de vrucht(en). Er is minder vruchtzetting, de druiven blijven ook langer vochtig en schimmelen sneller. Bovendien neemt ook het aantal afwijkingen aan de vrucht toe.

Standplaats

De druif houdt absoluut van een warme en zonnige standplaats. Aanplant tegen gevelmuren op het zuiden is een prima plaats. Bij de huidige woningen zijn de gesloten gevelwanden naast of tussen de raampartijen veelal (uiteindelijk) te klein om er een druif tegenaan te planten. Een andere mogelijkheid is dan een schutting. Beschikt u hier niet over, dan is het zaak zelf iets te maken

De oogst wordt binnengehaald

waarop de druif kan steunen. Een dak van druiven als zonnescherm bijvoorbeeld. Voorwaarde is en blijft een standplaats die maximaal en langdurig door de zon wordt beschenen!

Verzorging in de zomer

Druiven moeten worden geleid. Op muren en schuttingen kunt u het beste horizontale draden spannen. Gegalvaniseerd draad (ca drie mm dik) is uitstekend geschikt. Eventueel kan een constructie met regels (latten) ook goed dienst doen. Bedenk wel dat druivenstokken tientallen jaren productief kunnen zijn. Duurzaam materiaal verdient daarom de voorkeur. De onderlinge afstand tussen de draden moet ongeveer veertig tot vijftig cm bedragen. Aan de draden of regels – de leggers – worden de scheuten van de wijnstok gebonden.
Hiervoor zijn verstelbare plastic binders in tuincentra te koop. Het aanbinden van de scheuten langs de draden gebeurt door het uitbuigen van de dichtst bij de draad aanwezige scheut vanuit de hoofdspil van de plant. Dit uitbuigen gebeurt zowel naar links als naar rechts als de druif in het midden van de draden is geplant. Eenzijdig aanbinden kan uiteraard ook. Hoe hoger de druivenstok is of mettertijd wordt, des te meer ‘leggers’ er moeten zijn of komen.
De scheuten die tussen de aangebonden ‘leggers’ zitten, worden op de spil weggesnoeid. In de zomer moeten regelmatig (!) nieuwe scheuten tussen de ‘leggers’ worden afgesnoeid: tot op een blad van de scheut. Ten minste elke 2 – 3 weken moet deze bewerking worden uitgevoerd. Te laat verwijderen van de overtollige scheuten kan ertoe leiden dat de bessen in de tros bruin worden en verschrompelen. De oorzaak ligt in de wateronttrekking door de overtollige scheuten en de weelderige groei ervan. Het aanhouden van deze overtollige ‘groeisels’ zorgt ervoor dat de bessen aan de tros slecht zullen kleuren en dat de bessen zuur blijven. Deze aantasting heet lamsteligheid.
Zorg ervoor dat in de zomer de grond rondom de druivenstok steeds vochtig is, zodat voldoende water kan verdampen voor een voldoende microklimaat.

Reguleren van de druiventros

Begin juni bloeien de druivenstokken. De bloei is niet erg opvallend. Voor de vruchtzetting door middel van bestuiving is bezoek van bijen belangrijk. In juli verschijnen duidelijke trosjes met reeksen bessen eraan. Voor een deel vallen na verloop van tijd spontaan besjes af. Dit is een natuurlijke ‘rui’, waarover u zich geen zorgen moet maken. Toch is deze rui niet voldoende om later mooie trossen met dikke druiven te oogsten! Tenzij u er genoegen mee neemt kriekdikke bessen te eten!
Dikke bessen aan de tros ontstaan na ingrijpen van de wijnstokbezitter. Er moet ‘gekrent’ worden. Met engelengeduld moet elke tros en elk steeltje met bessen daaraan bekeken worden op ‘overtollige’ bessen. Op elk steeltje moeten bessen worden weggeknipt worden: ca 9 bessen per steeltje is ruim genoeg. Zijn er bovendien te veel trossen, dan is het ook beter een aantal daarvan weg te halen. Resultaat: zware en volwaardige trossen, die kunnen wedijveren met wat zoal op dit gebied in de winkel wordt aangeboden.

Snoeien voor de oogst

Voor de kleuring en het verbeteren van de bewaarbaarheid is de zogenaamde ‘rijpingssnoei’ van betekenis. Hierbij worden de scheuten met daaraan de

De druiven staan klaar om een ‘château’ te worden

druiventrossen met ongeveer 20 tot 30 cm ingenomen. Deze snoei mag pas gebeuren, nadat de bessen aan de tros volledig zijn gekleurd! De betere toetreding van zonlicht zorgt voor een snellere rijping en stijging van het suikerpercentage in de druif. Het maximale suikerpercentage bij oogst van de trossen bedraagt zelden meer dan 16%.
Druivenoogst kan in het Nederlandse klimaat beginnen vanaf ongeveer half september en kan doorlopen tot de eerste (lichte) nachtvorsten. Niet alle druiventrossen hoeven in één keer geoogst te worden. Hebt u meer wijnstokken en bent u van plan zelf wijn te maken, dan zult u uiteraard in één keer moeten oogsten.

Snoeien in de winter

Direct nadat de laatste bladeren zijn afgevallen, kan worden gesnoeid. Meestal is dit het geval na een eerste lichte tot matige vorst. In principe kan de snoei uitgesteld worden tot maximaal half maart. Snoei nooit bij matige tot strenge vorst! In de aangegeven snoeiperiode verkeert de druivenstok

Er is maar weinig verschil tussen cordon- en Guyotsnoei

in ‘rust’, dat wil zeggen dat de sapstroom in alle levende delen van de plant minimaal is. De wijze waarop gesnoeid moet worden, is afhankelijk van het druivenras. Als vuistregel kan gehanteerd worden, dat voor de ‘witte rassen’ de stengel teruggesnoeid moet worden tot op 4 – 5 ogen of knoppen; de ‘blauwe rassen’ worden teruggezet tot op 2 -3 ogen.
Deze vuistregel geldt uitsluitend voor de ‘leggers’. Alle andere stengels die tussen de ‘leggers’ gegroeid zijn, kunnen volledig bij de spil worden weggesnoeid. Let erop, dat u ook de nieuw te vormen ‘leggers’ selecteert, zodat de omvang of hoogte van de wijnstok kan toenemen! Is er echt geen plaats meer voor nieuwe ‘leggers’ of wordt de wijnstok te hoog, dan kunnen de stengels aan de ‘kop’ worden weggesnoeid.
In de loop der jaren zult u merken dat de ‘leggers’ verhouten en hun typische gedraaide vorm verkrijgen. Toch zullen er steeds voldoende nieuwe, ‘slapende’ ogen zijn om het beschreven proces van jaarlijkse snoei uit te voeren.

Stiftsnoei

Deze snoeivorm is algemeen toepasbaar op druiven. Uitgangspunt bij deze manier van snoeien is dat er al ‘leggers’ bestaan. Deze leggers zijn verhout en bruin van kleur. Hierop groeien jonge scheuten, die vrucht hebben gedragen. Bij de snoei in de winter worden al deze stengels nauwkeurig bekeken: welke worden aangehouden voor het volgende jaar en welke worden weggesnoeid. Alleen de dikste en sterkste stengel(s) worden aangehouden. Zorg voor een voldoende, onderlinge afstand. Vervolgens worden de geselecteerde stengels ingekort, zodat er 2 – 3 ogen op het overblijvende stengeldeel staan. Dit noemt men snoeien op stiften.

Guyotsnoei

Bij deze manier van snoeien worden ieder jaar, aan het begin van de winter, één of twee eenjarige takken geselecteerd. De rest wordt radicaal weggeknipt. De aan te houden tak(ken) worden ingenomen tot een lengte overblijft van 80 – 100 cm. Deze takken worden horizontaal aangebonden. De lengte van de takken bepaalt het aantal uitlopende scheuten in het voorjaar en dus ook de opbrengst. Deze manier van snoeien is vooral bedoeld voor rassen die minder vruchtbaar zijn. Voor rassen die slappe stengels maken, bent u hierop aangewezen. De aan te houden takken moeten zo dicht mogelijk bij de stam zitten. Door het aanbinden van de nieuwe ligger ontstaat het zg. cordon. Een cordon kan bestaan uit een enkel en een dubbel snoer, al of niet in één of twee etages opgebouwd.

Andere snoeivormen

Scheuren en delen vaste planten   Snoeien van struiken en heesters
Sierbomen verzorgen en snoeien   Snoeien en vormen van klein fruit
Boomfruit snoeien

Vleesetende planten

Vleesetende planten fascineren. Ze komen over de hele wereld voor. In Nederland komen soorten van zonnedauw van nature voor. Deze plant is inmiddels beschermd. Op zure, dichtgeslagen en zeer vochtige gronden groeien vleesetende planten het beste. Ze kunnen in het algemeen slecht tegen kraanwater. Als gietwater moet regenwater of anders gedestilleerd water worden gebruikt. Oppotten gaat in turf al dan niet gemengd met Sphagnum. Er mag niet te veel voedsel in zitten.
De kleverige klierharen scheiden een stof, uit die insecten aanlokt. De klierharen omsluiten de prooi en het verteringsproces gaat van start. Sommige soorten lokken insecten in hun beker, waar de dood ze wacht.

Drosera intermedia (kleine zonnedauw) (Droseraceae) komt in Nederland voor op zand- en in hoogveengebieden.

D. capensis wordt tot vijftien cm hoog

Op de Waddeneilanden, de veengebieden in de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland, Zuidoost-Brabant en Noordwest-Overijssel zul je ze helaas toch met een lantaarntje moeten zoeken. Het plantje leeft in grote groepen. Omdat ze op voedingsarme grond groeien, zijn ze zo aangepast, dat ze in hoofdzaak van gevangen dierlijk voedsel kunnen leven.

Drosera rotundifolia (ronde zonnedauw) komt op kalkarme zand- en veengrond voor. Voornamelijk in hoogveengebieden, waar veenmos (Sphagnum) nog levend is. In Ierland komt deze plant op grote schaal nog voor. De bladen met klierharen hebben een lepelvorm. Uit deze plant worden stoffen gewonnen, die als antibioticum tegen bepaalde bacteriële ziekten wordt ingezet. De plant bloeit in juni – augustus met een aarvormige tros.

Drosera capensis komt van nature in Australië voor. De plant wordt in ons land geïmporteerd en kan op een beschutte plaats in de tuin worden geplant. Mits de grond zodanig wordt aangepast, dat deze voedselarm is. Gemakkelijker is het om de plant met pot en al in te graven.

D. muscipula wordt tot twintig cm hoog

Maar zorg dan dus voor een voedselarme grond, die vooral uit veenmos dient te bestaan. Deze Drosera bloeit in de zomer met blauwpaarse, minuscuul kleine bloemen aan alle stengels. Geef de plant dus geen leidingwater, laat de regen z’n werk doen. Dek de plant in de winter licht toe met afgevallen bladeren.

Dionaea muscipula (Venus-vliegenvangertje) kan in ons klimaat het hele jaar buiten leven. Het groeit echter beter in een net iets warmere omgeving. Een vorstvrije kas bijvoorbeeld. Het plantje komt uit het zuidoosten van de Verenigde Staten van Amerika. Het is de enige soort van het geslacht Dionaea (Droseraceae). De plant kan het beste op natte turf worden gehouden. Gebruik uitsluitend regenwater om de grond vochtig te houden. Het is overdreven de plant af en toe met stukjes vlees voeren. Bovendien gaat dat stinken. Als er insecten bij kunnen, ‘eten’ de planten genoeg. De plant bloeit met witte, vijftallige bloemen op 30 centimeter lange stelen.

Sarracenia (bekerplant) komt in het noordoosten van de Verenigde Staten voor.

Sarracenia hybride wordt tot 15 cm hoog

Ze groeien daar in sompige veengebieden. Er is een achttal soorten van bekend. Het zijn groen- en overblijvende planten, die het goed doen bij een vijver. De prachtige bloemen zijn groengeel of paarsrood met veel kroonbladen en lange stijlen. De meeldraden worden beschermd door de paraplu-achtige stijlen. De bekers zijn niet meer en minder ongewoon gevormde bladen. De bekers hebben gewoonlijk dezelfde tinten als de bloemen. Insecten worden ook hier aangelokt door heerlijke geuren en verdrinken uiteindelijk in regenwater in het onderste deel van de pijp. De plant is matig vorstbestendig.

Soorten Drosera, Dionaea en Sarracenia komen het beste tot ontwikkeling in een terrarium. Bovengenoemde planten kunnen vanaf het voorjaar tot het begin van de herfst goed buiten worden gehouden. Het overwinteren van de planten kan eigenlijk (nog) niet zonder terrarium of kasje. Sommige (niet alle!) Sarracenia’s zijn wel winterhard. Een voorbeeld is Sarracenia purpurea. Vleesetende planten zijn fascinerend om te zien, vooral door hoe ze hun voedsel vangen en verteren.

De voorjaarsbekoring van geel rood en blauw

Felle kleuren in het vroege voorjaar luiden de zomer in, tenminste dat hoop je dan. Voorjaarsbloeiende planten zijn eigenlijk opvallend fel van kleur. Zo kort na een koude periode heeft dat een functie. De weinige insecten die nog maar net uit hun winterslaap zijn ontwaakt, moeten zorgen voor bestuiving. Ze moeten worden aangelokt om hun werk te doen.

Doronicum is een echte voorjaarsbloem

Doronicum pardalianches of voorjaarszonnebloem is zo’n felgeel bloeiende plant, die halverwege maart al z’n eerste vrolijke bloemen te voorschijn tovert. Het is een plant, die het liefst in de halfschaduw groeit op een vochtige plaats. Na de vrij korte bloeiperiode rest het hartvormige, gekartelde blad nog als sierwaarde. Een grote groep van deze plant zorgt er, ook al bent ú geen insect, in ieder geval voor dat de aandacht wordt getrokken. Doronicum pardalianches wordt 40 – 80 cm hoog en is daarmee de reus van de soort. Kleiner van stuk, een 30 – 40 cm hooguit, blijft Doronicum orientale ‘Madame Mason’. Ook deze soort bloeit in dezelfde tijd als z’n grote broer. Het is een prima plant voor een border van geringe afmetingen.

Bergenia, een rood voorjaarsaccent
boven glimmend groen blad

Bergenia cordifolia, de schoenlappersplant, bloeit in vrijwel dezelfde tijd als de voorjaarszonnebloem. De prachtig frisgroen glanzende bladeren in het vroege voorjaar doen vermoeden dat de lente in aantocht is. De paarsrood gekleurde bloemen steken fel en fier verheven boven de bladeren uit. Het hele jaar behoudt de plant z’n glimmende blad, maar ook hier is de bloei van betrekkelijk korte duur. Bergenia is van oorsprong afkomstig uit het hooggebergte van India en China. Vandaar ook dat de plant kort na de koude tijd bloeit om zoveel mogelijk te profiteren van de ook korte, warmere periode in het gebergte.

Allium moly heeft botergele bloemen en… ruikt naar uien

Allium moly is een bolgewas, dat heel rijk kan bloeien. De diepgele bloemschermen overdekken de lancetvormige bladeren. Eind april tot halverwege mei verschijnen de bloemen. Deze sierui leent zich uitstekend om te verwilderen in een door bomen en/of struiken beschaduwde tuin. Een flinke bos van deze planten ruik je op afstand: uien. Allium moly wordt 20 – 30 cm hoog. Heel goed is deze Allium ook te gebruiken in bakken op het balkon. Op vaas is de bloem goed houdbaar, alleen de uiengeur zult u voor lief moeten nemen.

De Kaukasische vergeet-mij-niet, Brunnera macrophylla groeit aan de voet van het Kaukasusgebergte en in Siberië. Een opvallend koelblauwe bloem verschijnt in het vroege voorjaar. Het is een van de weinige planten die zo kort na de winter blauw bloeien.

 
Kaukasische vergeet-mij-niet in een bed van Helxine soleirolii Brunnera bloeit
met blauwe bloemetjes

Voornamelijk gele kleuren trekken in het voorjaar de aandacht. Het frisse blauw is dan een verademing en staat in goed contrast met de overwegend gele voorjaarszweem in de tuin. Halfschaduw of schaduw is favoriet bij de Kaukasische vergeet-mij-niet. De plant vermeerdert zich spontaan met worteluitlopers. Een vochtige standplaats bij de vijverrand zorgt ervoor dat het hele jaar door de bladeren een mooie, groene kleur behouden. Op de foto is de Brunnera geplant als solitair te midden van een tapijt van Helxine soleirolii. Helxine is de Latijnse naam voor het plantje, dat bekend staat als ‘slaapkamergeluk’ (wat dat ook maar mag inhouden). In feite dus een plant die overwegend als kamerplant wordt gehouden. Brunnera is dus goed te combineren met bodembedekkende plantjes, zoals Draba sibirica, Androsace, Armeria, Aceaena etc. De mooie, rond, hartvormige bladeren zijn prima te gebruiken in Biedermeier-boeketjes: o.a. met Lelietjes der Dalen, botanische tulpen en botanische narcissen.