Agastache, anijs- of dropplant

De naam van de plant zet je behoorlijk op het verkeerde been. De naam van echte anijs is Pimpinella anisum. ‘Onze’ anijsplant kan maar beter dropplant worden genoemd.

A. foeniculum ‘Blue Fortune’

Hoewel de dropplant, ook wel anijsnetel of Koreaanse munt genoemd, niets van doen heeft met de echte anijs, is het wel een lekker kruid. Door de blaadjes te wrijven is het aroma al op te snuiven: een mengeling van anijs en drop. Geen slechte combinatie zo te ruiken. Het aroma is goed te gebruiken in salades, in potpourri en thee. Agastache is familie van de lipbloemigen (Labiatae).

Bijenplant

De dropplant (Agastache foeniculum) is een vaste plant voor in de volle zon. Het is een mooie, gezond ogende plant, goed te gebruiken in het midden van een

A. foeniculum ‘Album’

gemengde en vaste plantenborder en is goed te combineren met duizendblad (Achillea) en Phlox.
De nogal stijvige plant heeft lancetvormig tot ovaal geurend blad en wordt tussen de 50 en 90 centimeter hoog. De stengels zijn vierkant en zacht behaard. Vanaf juli tot september staat de plant in volle bloei met langbloeiende bloemaren met buisvormige bloemen in een zachtpaars-blauwe kleur. Bijen bezoeken de dropplant volop, dus mag deze plant zeker niet ontbreken in een tuin waar bijenbezoek hoog wordt aangeslagen.
De plant verlangt een goed doorlatende, vochtige grond en is redelijk winterhard. De minder winterharde Agastache-soorten kunnen buiten overleven als ze een beschutte plaats en een flinke mulchlaag hebben. Jonge planten kunnen maar het beste binnen op een vorstvrije plaats overwinteren.

Vermeerderen

Een dropplant kan in het begin van het voorjaar worden gezaaid. En aan het eind van de zomer kan de plant door middel van stekken worden vermeerderd. Neem daarvoor de halfhoutige delen van de plant.

Echte meeldauw kan in de droge zomers nog wel eens voorkomen. Houd de grond dan goed vochtig, maar giet niet op het blad. Echte meeldauw kan worden bestreden met Baycor van Bayer, AA-meeldauw-ex en Vital van ECOstyle.

Soorten en variëteiten

Latijnse naam Bloemkleur Hoogte (cm)
Agastache aurantiaca ‘Apricot Sprite’ oranjegeel 45
Agastache barberi ‘Firebird’ koperoranje 60
Agastache foeniculum ‘Alabaster’ crèmewit 90
Agastache foeniculum ‘Album’ groenwit 70
Agastache foeniculum ‘Blue Fortune’ diepblauw 70
Agastache foeniculum ‘Spike Snow’ wit 75
Agastache mexicana zalmroze-rood 60
Agastache pringlei purper 70
Agastache pringlei purper 70
Agastache rugosa violetblauw 90
Agastache rugosa ‘Alabaster’ wit 90
Agastache urticifolia blauwpaars 75

Agave striata

Agave striata komt uit Midden-Mexico. Het is een van de vele soorten, die daar groeien als overblijvende, vaste plant. Bij ons zou deze Agave niet misstaan in een grote border of gewoon in een kuip ter versiering van terras of een ruim balkon. In de winter moet de plant binnen overwinteren.

Heel kenmerkend voor Agave striata zijn de stijve, lange bladen, die in een ritmische compositie bij elkaar staan.

De Agave striata bloeit met aarvormige bloemaren die wel bijna 3 meter hoog kunnen worden (Orto Botanico in Napels)

De bladen zijn in de lengte iets gebogen en monden uit in een nare, scherpe doorn. Op die scherpe doorn moet je zeker letten, omdat die een diepe verwonding kan veroorzaken. De randen van de bladen zijn glad en gaaf. De bladen zijn tot 50 centimeter lang en hebben een groene tot dofgroene kleur. Ze staan op heel korte stelen.

Agave striata behoort tot de familie van de Agavaceae/Amaryllidaceae. De plant verlangt een goed humueze grond, die goed water doorlatend is. Daarnaast is een standplaats in de volle zon een absolute voorwaarde om een fraaie ontwikkeling van de bloem te krijgen.

De bloemen zitten aan een lange, spectaculaire aar in langwerpige trossen. De bloemkleur is groenachtig geel, soms ietwat paarsachtig. Uitgebloeide aren worden diep roestbruin.

In de winter kunnen de uitgebloeide aren worden afgesnoeid. Halverwege het najaar moet de plant in een kas of in een kamer overwinteren bij een temperatuur tussen 15 °C en 20 °C. Geef gedurende de herfst en wintertijd eens per maand een beetje water, maar beslist geen voedingsstoffen.

Ajuga reptans, zenegroen is altijd groen

Soorten zenegroen komen van nature in Nederland en België voor. Slechts één soort telt vele variëteiten. De andere soorten leiden hun verborgen bestaan en worden slechts door botanici opgemerkt. Zenegroen is een prima bodembedekkende plant, die zowel in de zon als in de schaduw goed groeit.

Vanaf mei tot ver in oktober bloeit Ajuga reptans meer of minder rijk

In de voortuin is de plant goed te gebruiken als vervanging van een postzegeltje gras.

Ajuga reptans heeft veel variëteiten, waaruit een keuze gemaakt kan worden. De variatie ligt vooral in bladen met verschillende kleuren. Zenegroen neem je vooral ook om het blad, dat er zomer en winter aanblijft. De bloemen zijn licht of diep donkerblauw. Zenegroen behoort tot de familie van de dovenetelachtigen (Lamiaceae).
Ajuga reptans wordt maximaal vijftien centimeter hoog. Als er bloemen aanzitten, wordt de bedekking tot maximaal veertig centimeter hoog. Zenegroen breidt z’n territorium uit door middel van kruipende wortelstokken. De bedekking gaat relatief snel. Plant zenegroen op een onderlinge afstand van twintig centimeter. Na één jaar is de bodem er dan volledig mee bedekt.

In Midden- en Zuid-Europa en Zuidwest-Azië groeit harig zenegroen (Ajuga genevensis. Vooral in Zwitserland zijn er op enkele plaatsen forse aantallen van te vinden. De plant is in Nederland ingevoerd, maar komt nog maar sporadisch voor in droge weilanden en langs bosranden. Vooral de stengel is flink bezet met haren. De plant komt in kleine groepjes voor, maar verbreidt zich niet met worteluitlopers. Piramidezenegroen (Ajuga pyramidalis) komt voor op droge duinvlaktes en op schrale, zure grond. Zowel blad als stengel is zacht behaard. De bloemen zijn opmerkelijk lichter blauw van kleur dan de twee andere soorten. Kruipend zenegroen Ajuga reptans komt in Nederland op tal van plaatsen in het wild voor. Op rijke zand- en leemgrond, in licht vochtige bossen en matig voedselrijke (mesotrofe) weilanden is kruipend zenegroen soms aan te treffen. Deze zenegroen groeit met een vierkante, massieve stengel die onbehaard is.
Zenegroen dankt z’n naam aan ‘zene’ dat geheel of altijd betekent.

Soort/variëteit Hoogte in cm Bijzonderheden
pyramidalis ‘Metallica Crispa’ 20 Blad glanzend purperrood, gekruld. Goede bodembedekker.
reptans 15 Blad groen. Goede bodembedekker.
reptans ‘Atropurpurea’ 15 Blad donker roodbruin tot purperbruin.
reptans ‘Braunherz’ 15 Blad brons bruinkleurig
reptans ‘Burgundy Glow’ 15 Blad driekleurig: groen, brons, bruin.
reptans ‘Catlin’s Giant’ 15 Groot bruingroen blad.
reptans ‘Jungle Beauty’ 15 Groen tot bronsgroen blad. Half-wintergroen
reptans ‘Multicolor’ 20 Blad bronsbruin met roze en witte vlekken. Vormt dichte bedekking.
reptans ‘Variegata’ 15 Met witbont blad.

De wirwar Akebia

Een opvallende klimplant met donkergroene, handvormige bladeren, die je maar zelden in tuinen ziet. Het geslacht Akebia heeft slechts twee soorten, die beide in het

Akebia quinata
Een mooie klimmer

wild voorkomen in China, Japan en Korea. De familie, waar Akebia bij hoort, heeft de nogal opvallende naam Lardizabalaceae als vernoemd naar de Spaanse botanicus Lardizabal y Uriba. Het is een bladverliezende houtachtige slingerplant, die bijzonder goed als klimheester voor een pergola, loggia of lattenrooster kan worden gebruikt. De plant kan vrij groot worden en heeft daarom een stevige steun nodig. In zachte winters is de plant zelfs half groenblijvend. Door koud weer krijgt het blad een mooie, paarse gloed.

Akebia quinata (schijnaugurk), die bij ons het meeste te vinden is, heeft vijftallige, handvormige bladeren (quini = telkens vijf). De afzonderlijke blaadjes zijn ovaal tot eirond, kort gesteeld en voelen een beetje leerachtig aan. De ranken zijn violetbruin van kleur. Vanaf het begin van de lente hangen de chocoladekleurige bloemen in kleine, lange trosjes vanuit de bladoksels naar beneden. Ze hebben geen kroonblaadjes en bevatten ook geen honing, maar ruiken intens en lekker. De bloemen zijn eenhuizig. De vrouwelijke bloemen staan aan de basis van de bloemtros, de kleinere manlijke bloemen aan de top. Plant voor een goede (kruis)bestuiving het liefst twee planten bij elkaar.
Als de zomer zonnig, langdurig en flink warm is, worden de bloemen gevolgd door

Akebia quinata
Intens en aangenaam

worstvormige vruchten, die een purperblauwe kleur hebben. Die worden 5 tot 10 cm groot en zijn eetbaar, maar niet erg lekker. De kern van eetbare, witte pulp bevat honderden zwarte zaden. Wel jammer, in ons klimaat komen de vruchten zelden tot volle wasdom.

Akebia trifoliata blijft kleiner dan A. quinata, heeft grotere bladeren en is wel bladverliezend. Het drietallige (tri = drie) blad is donkergroen, langs de rand wat golvend en aan de onderzijde lichtgroen. De donkerpaarse bloemetjes verschijnen in juni en juli en zijn kleiner dan van A. quinata. In het voorjaar is het blad van A. trifoliata opmerkelijk brons gekleurd.

Verzorging

Beide soorten groeien zowel in de zon als in de halfschaduw en stellen geen bijzondere eisen aan de bodem. Ze verdragen elke vochtige, goed doorlatende grond en zijn betrekkelijk droogteresistent. Zet de plant meteen op zijn definitieve plaats, want hij houdt niet van verplanten. Jonge planten moeten tijdens de winter wat worden afgedekt, oudere planten zijn volkomen winterhard.

Akebia groeit snel en slingert zich makkelijk. De ranken winden zich bij voorkeur om elkaar heen, waardoor er zonder wat extra onderhoud een woeste wirwar van twijgen ontstaat. Wilt u dit niet, leid de jonge planten dan direct in goede banen.
Na de bloei kan er, om de vorm een beetje te behouden, worden gesnoeid. Knip de zijscheuten voor de helft terug en haal zwakke scheuten geheel weg. Te wild en rommelig uitgegroeide planten kunnen in februari flink worden teruggesnoeid tot ongeveer 1½ meter boven de grond. Een nadeel van zo’n rigoureuze snoeibeurt is, dat de plant het volgende jaar niet of nauwelijks zal bloeien.

Vermeerderen kan door afleggen en stekken in de zomer of door te zaaien in potten in een koude bak of vensterbank in de lente. Behalve een enkele luis is de plant nauwelijks vatbaar voor ziekten en plagen. In zachte winters blijven de bladeren zeer lang aan de plant.

Akelei, te mooi voor een boerentuin alleen

Akelei is al sinds de late Middeleeuwen in cultuur. Op schilderijen is de schoonheid van akelei vaak verbeeld. Akelei spreekt tot de verbeelding door de mooie kleur van de bloem en de eigenaardig gekromde, lange sporen aan de achterzijde van de bloem. In een historische en de ‘nette’ tuin bij een boerderij zal akelei vast niet ontbreken. Wanneer de goede soorten en hybriden worden gekozen, is het ook in een stadstuin helemaal geen moeilijk te houden plant.

De bloem van de akelei bestaat aan de buitenkant uit lange (gekleurde) kelkbladen en trechtervormig vergroeide kroonbladen. Aan elk kelkblad zit een gekromd spoor. Amerikaanse soorten hebben een recht spoor. Het vruchtbeginsel is klierachtig behaard. Op basis van de lengte van het spoor ten opzichte van de lengte van de kelk- en kroonbladen en de kleur hiervan worden de soorten en variëteiten van elkaar onderscheiden. Er zijn zo’n honderdtwintig soorten akelei bekend.

   
Eind april beginnen de knoppen te zwellen Bij veel ranonkelachtigen is de bloemknop vaak gekleurd; de sporen zijn al te zien Akelei in volle bloei, een schilderachtig schouwspel

Wilde akelei komt in vrijwel heel Europa in het wild voor in bossen en zoomvegetaties. Naar wordt aangenomen zijn het oorspronkelijk planten, die vanuit tuinen zijn verwilderd. Het zijn overblijvende (vaste) planten. In de Alpen komt akelei vrij veel voor, maar dit is de Alpenakelei (Aquilegia alpina). Wilde akelei (Aquilegia vulgaris) bloeit van mei tot en met juli. Het is veruit de sterkste en misschien wel de mooiste soort van het geslacht. Deze akelei wordt veertig tot tachtig centimeter hoog.
De akelei behoort tot de omvangrijke familie van de boterbloemachtigen (Ranunculaceae). De naam Aquilegia komt van de Latijnse woorden aqua = water en legere = verzamelen.

Cultuur

De bloem van wilde akelei heeft tal van nuances paars en diepblauw

Akelei groeit op alle grondsoorten in de zon of halfschaduw. De plant groeit polvormig. De groene stengels dragen gelobde, iets blauwgroene bladeren; aan de top en zijstengels geknikte bloemen. Variatie in bloemtinten is normaal. De akelei kruist onderling heel gemakkelijk. Zuiverheid van ras of variëteit is hierdoor een moeilijke zaak (verbastering). De akelei houdt niet van een te vochtige grond en evenmin van een winderige plaats. Bloemen zijn goed op vaas te houden. Vermenigvuldigen van akelei kan door scheuren of zaaien. Scheuren van de pollen in het najaar, zaaien in maart – april onder glas. Amerikaanse soorten (Aquilegia caerulea, Aquilegia canadensis, Aquilegia skinneri, Aquilegia chrysantha en de hybriden ‘Mc Kana Giant Hybrids’, ‘Crimson Star’, ‘Haylodgensis’) zijn onvoldoende winterhard in ons klimaat.

Andere soorten

Latijnse naam Bloemkleur Bijzonderheden
Aquilegia alpina lilablauw bloeit einde voorjaar, verdraagt zon of halfschaduw
hoogte: tot 40 cm hoog
Aquilegia flabellata lilablauw kroonbladen geel of wit
Aquilegia fragrans creme met lila geeft geurende bloemen, verdraagt een lichte schaduw
hoogte: tot 40 cm hoog
Aquilegia glandulosa helderblauw plant is nauwelijks te koop
Aquilegia vulgaris
‘Nora Barlow’
bleekgroen met rood rijk bloeiend
hoogte: tot 90 cm hoog
Aquilegia vulgaris
‘Vervaeneana Variegata’
wit, paars of roze met geel gevlekt blad
Aquilegia vulgaris ‘Nivea’ wit compact groeiende soort
hoogte: tot 90 cm hoog
Aquilegia hybr. ‘Helenae’ blauw met wit sterke hybride

Stokrozen, nonchalance ten top

Stokrozen associeer ik meteen met het Deense landschap en de pittoreske witte huisjes, die met rieten daken zijn gedekt. Scherp tekenen in mijn geheugen de op de wind heen en weer wiegende, kleurrijke stokrozen zich af. Een mooier contrast van de zachte kleuren van de stokroos en die witte muren is haast ondenkbaar.

Vroeger heette de stokroos Althaea dat van het Griekse woord althos (geneesmiddel) is afgeleid. Tegenwoordig moet je ze Alcea noemen wil je nog meedoen in het vakjargon.

Enkelbloemige stokroos

‘t Is mij om het even; de plant is er niet minder mooi door. Gelukkig is de familienaam tenminste dezelfde gebleven: kaasjeskruid of Malvaceae. De meeste indruk heeft de stokroos op mij gemaakt bij een bezoek aan het Deense openluchtmuseum Gammle Have in Odense. Enorme ‘bossen’ met stokrozen sierden de tuin, die een immense en indrukwekkende kleurenpracht tentoonspreidde. De stokroos is al heel lang in cultuur en is wat je noemt een ouderwetse bloemplant.
In Nederland begint nu langzamerhand de belangstelling ervoor opnieuw te groeien. Terecht want de stokroos is een uitstekende gast in elke border en ook nog eens een heel andere ‘muurbedekker’ dan wat voor klimplant ook. Waarom de plant een tijdje in ongenade is geweest, ligt misschien aan het feit dat het in principe een tweejarige plant is. Desondanks niet getreurd; de stokroos gaat in veel gevallen wel 3 of 4 jaar mee. In het najaar loopt de plant bij de wortelvoet al opnieuw uit. Zet de snoeischaar daarom aan het einde van het najaar gerust in de uitgebloeide bloemstengel. Wel vervelend kan het zijn dat pas in het jaar nadat geplant is, de stokroos voor het eerst gaat bloeien. Heb dus wat geduld voor het schoons over!

Vele soorten

Van de stokroos Alcea rosea zijn twee typen bloemen bekend: enkelbloemige en dubbelbloemige en halfdubbelbloemige.

Enkelbloemige stokroos

De dubbelbloemige is naar mijn smaak toch echt de mooiste soort. De vele bloemblaadjes liggen sierlijk gekruld in het hart van de bloem. Die is daardoor onwaarschijnlijk mooi en doet sterk denken aan de bloem van een violier. Mengsels van ‘Schotse’ en ‘Chaterse’ zijn vooral dubbelbloemig; Hybrida Semperflorens levert zowel enkel- als dubbelbloemige. Allegheni staat bekend om halfdubbele en dubbele bloemen. Bij de enkelbloemige soorten valt vooral de vooruitstekende stamper in het oog. De bloemen ogen wat teerder dan die van de dubbelbloemige. Het mengsel ‘Indian Spring’ en ‘Nigra’ is typisch enkelbloemig. Een nieuwere aanwinst vormt het ras ‘Silver Puffs’. De planten hiervan worden niet hoger dan 60 cm en vertakken zich in tegenstelling tot alle andere genoemde soorten. ‘Silver Puffs’ is echt een soort die maar één jaar bloeit. Behalve de keuze voor een enkel- of dubbelbloemige stokroos zou ik maar niet te veel drukte maken over al die verschillende soorten. Het gaat tenslotte om de kleurenpracht.
Stokrozen zijn er in vele kleuren: wit, rood, rose, crème en zelfs geel. Slechts zelden worden ze op kleur aangeboden, maar juist die mengeling van kleuren is aantrekkelijk en vloekt nooit met elkaar. Bij het winnen van zaad van een bepaalde kleur heb je er ook later nog niet makkelijk vat op dat de plant kleurecht te voorschijn komt. Onderlinge kruising kan zonder meer.

Warm bed

Stokrozen koop je of je zaait. Zo simpel is dat. Stokrozen eisen een luwe, warme en zonnige plek in de tuin. Een zeer humusrijke grond houdt de groei en bloei in de stokroos, die daardoor echt vitaal blijft.

Enkelbloemige stokroos

Slechte en arme gronden zijn aanleiding voor een ziekte die roest wordt genoemd. Bruinverkleuringen van de bladrand of bruine spikkels erop is het beeld ervan. Zelden is de aantasting zo erg dat de plant erdoor sterft. Maar mooi is het niet. Pluk het aangetaste blad af en vernietig het.
Stokrozen worden lang, dat wil zeggen ten minste 1,50 – 2,50 m hoog. Een betere jaloezie voor een raam en zeker een fraaier (uit)zicht op de bloemen is niet te wensen. Stokrozen hebben ‘iets’ luchtigs en iets nonchalants. Tussen vaste planten of in contrast met keurig geschoren hagen voegen ze een eigen sfeer toe die zeker niet ‘truttig’ genoemd mag worden. Nee… het heeft veel weg van een toevallige passant die zeker gezien wil worden.
En mocht u willen zaaien; wees er op tijd bij om de zaadbollen te oogsten. Anders zaait de stokroos zichzelf wel uit. De bloei is van juli tot oktober. Buiten zaaien in pot of bak kan vanaf eind mei. Verplant de zaailingen begin najaar, de plantafstand onderling is 30 cm.

Groente kan mooi zijn: de ‘eetbare’ tuin rekt je smaak op

 
Eten uit eigen tuin is niet alleen meer een genoegen, voor wie er een volkstuin of groentetuin op na houdt. Er zijn veel manieren om eetbare gewassen aan de siertuin toe te voegen. Een doeltreffende manier is om groenten of vruchten dragende gewassen in pot(ten) te zetten of tussen sierplanten in te planten. Een rage, die zoetjes aan ‘poot aan de grond’ heeft gekregen en, mits goed toegepast, een verrijking van de tuin is.

Zonder het misschien bewust te beseffen raken we internationaal geörienteerd. Dat proces gaat langzaam, maar wie dacht er in het verleden nog aan om China te (kunnen) bezoeken of India, Japan of Mexico? Grenzen lijken haast niet meer te bestaan.

Groenten en sierplanten gaan goed samen

Angstvallig worden grenzen nog op slot gehouden voor zaken die het daglicht niet kunnen verdragen of om ‘wat dan ook’ af te schermen.
Gelukkig kunnen we alles eten wat de wereld zoal te bieden heeft; we importeren via luchtbruggen of verbouwen het zelf als het de moeite loont. ‘Vreemde’, exotische groenten veroveren de markt, zoals paprika in het verleden. We leren eten en leven met instantsauzen, eten bloemen en waarderen of verafschuwen het ‘vreemde’. Paksoi, amsoi, tatsoi, basella en antroewa sieren de groentestalletjes op de markt. We kijken er niet eens meer van op.

‘Onze smaak wordt opgerekt’, ook waar het om tuinieren gaat. Steeds meer planten dienen zich aan om in de tuin gezet te worden. Invloeden uit de hele wereld worden zichtbaar in de cultuur: eten of dineren zoals u wilt beperkt zich niet meer alleen tot typisch Nederlandse gerechten, het sortiment kamerplanten dijt uit, het inrichten van de tuin hinkt van barok tot en met ‘minimal art’, de mode wordt niet meer alleen gedicteerd vanuit Parijs. Bestaande tradities staan onder spanning: verrijking of vervaging?

Eetbare planten zijn ook mooi

Eetbare planten noemen we groente. Naast bladgroenten is er veel meer eetbaar zoals de bloem van het eetbare viooltje of de Oost-Indische kers.
Kruiden zijn ook zo’n voorbeeld, waarvan hoofdzakelijk de bladeren worden gebruikt en gegeten.
Afgezien van het nut, die tal van gewassen voor mensen hebben, zijn er talrijke soorten die

Aardbeiplanten in pot: geen bijzonderheid

beslist het aanzien waard zijn en een plekje in de tuin verdienen. Waarom zou niet ‘het nuttige met het aangename’ kunnen worden verenigd? Sier-, fruit- en groentetuin worden in de tuinkunst nog steeds apart van elkaar gelegd. Maar… dat verandert heel geleidelijk – ‘t sluipt binnen, het ‘vreemde’ is vanzelfsprekend. Het aardbeienbedje in de tuin verheft zich boven de grond, wordt haast tot een sculptuur gemaakt, een aarbeienplant in pot is geen bijzonderheid meer.

Verbouw van verschillende koolsoorten is typisch Nederlands.

Boerenkool door vorst berijpt

In het najaar herken je de ‘koolstreek’ nog steeds blindelings aan de geur die van kool uitgaat. Savooien-, witte en Chinese kool scoren nog steeds goed binnen onze grenzen waar het om het eten ervan gaat. Boerenkool is in trek wanneer het stevig vriest en evenaart snert, waarmee het de strijd moet aanbinden. Een boerenkoolplant is, ook al bloeit die niet, best mooi om te zien en zeker wanneer er een waas van rijp overheen ligt. Een (veel) geziene gast in de border is boerenkool echter nog niet.

In plaats van boerenkool houden we het liever nog even op sierkool, hetzij in pot

De sierkool heeft inmiddels de (sier)tuin al veroverd

of in de volle grond. De veelkeurigheid van sierkool zal daar wel debet aan zijn. In z’n verschijningsvorm heeft sierkool toch alles weg van boerenkool? De veelkleurigheid wint het van de sobere kleur die gewone boerenkool heeft; een associatie met de veelkleurige border? Sierkool is eetbaar, de smaak is niet zo denderend als die van de gewone variëteiten.

Heel veel groenten en kruiden lenen zich goed om in pot te groeien. Als de tuin in grootte

Groenten en kruiden in pot zijn goed in de tuin in te voegen

eigenlijk te klein is om een gedeelte als groentetuin in te richten, bieden potten en bakken uitkomst. Planten in potten is niet alleen voor balkons een noodzaak, ook in de (kleine) tuin laten potten en bakken zich goed invoegen. Een ‘verloren’ hoekje, een open plek in de border laat zich goed en handig vullen met zo’n mobiel stukje tuin. Het is het begin van de eetbare tuin.
Het geschiktst hiervoor zijn compact groeiende planten, die weinig windgevoelig zijn. Kruiden, courgette, tomaat, koolrabi en aardbeien zijn leuke planten om door kinderen te (laten) verzorgen; ze leren zien hoe iets groeit, een praktische plantkundeles.

Voor wie een wat grotere tuin of een ‘verloren’ hoekje in de tuin heeft, is het leuk om door

Zelf worteltjes verbouwen is leuk voor kinderen

(je) kind(eren) worteltjes te laten verbouwen. Op een licht humeuze grond groeien ze goed. Zonder al te veel moeite en werk kan er worden gezaaid op richels in april – mei. De zaadjes moeten op voldoende afstand van elkaar worden gelegd op een diepte van ca 6 – 8 cm. Het loof van wortels is mooi ingesneden en diepgroen van kleur. Het geeft een mooi effect naast grijstinten in de border, zoals die van lavendel en de eenjarige Senecio bicolor. Eind augustus, begin september kan er worden geoogst. Ze smaken nog lekker ook.

Verse kruiden bij de hand hebben is niet alleen plezierig, sommige soorten bloeien ook erg mooi.

Bloeiende bieslook

Alle kruiden zijn zonder meer geschikt om in pot of bak te groeien. In de volle grond worden ze mischien wel wat hoger en breder, maar dat moet toch geen bezwaar zijn om ze niet in pot of bak te houden. Kruiden passen goed in een border met vaste planten: in pot of in de volle grond. Er hoeft niet speciaal een kruidenborder of hoekje met buxushaagjes omheen te worden aangelegd. Niet alle kruidenplanten zijn overjarig. Let daarop als u zaad of plantjes koopt.
Bieslook is een kruid, dat je het beste zaait. De beste tijd is in april, later kan ook. Zaai in kleine hoeveelheden met een tussenpoos van veertien dagen. Dit verlengt de mogelijkheid tot gebruik in de tijd van de verschillende zaaisels. Is bieslook eenmaal afgesneden, dan groeit die nauwelijks meer aan. Van een teveel aan bieslook kan altijd nog een pesto worden gemaakt of je vriest het in.

 
Heerlijk geurend en fraai bloeiend kruid Kruiden kunnen op azijn worden gezet

Dille (links) is heerlijk om bij visgerechten en in sauzen te gebruiken. Het is een eenjarig kruid en al in cultuur sinds mensenheugenis. Zowel het blad als het zaad is een waardevol keukenkruid. Gezaaid (in maart) op een warme en zonnige plaats, gedijt dille het beste. Hou de grond vochtig.
Dille, basilicum en dragon zijn prima kruiden om op azijn in fles te bewaren.

The edible garden
Een avocado aan huis? Hazelnoot, een brede struik
Smullen van eetbare bloemen Snijbiet voor moes- en siertuin
Citrus (niet alle eetbaar) Sierkool
Met zuring zakt de maaltijd beter Vorm en smaak van de artisjok
Aardbeien voor tuin en balkon Dwergkwee
Decoratieve en sappige kruisbes Smullen van aalbessen
Bramencultuur aan de muur De druif, niet voor Bacchus alleen
Voor een vijg hoef je niet ver weg Drank en jam van de vlier
Het witte goud, dat asperge heet Niet krenterig met bloemen
Bottel-, rimpelroos Trakteer jezelf op moerbei
Kalebas Knoflook
Tamme kastanje De ui
Zelf paddestoelen kweken Jostabes door geduldig kruisen
Zwarte bessen: veel vitamine C Walnoot
Frambozen beter zelf te houden Duizelingwekkende mispel
Lapse jam van kornoelje Japanse wijnbes: zomer-bowl

Kruiden
Keukensalies voor de sier Oregano
Basilicum Bonenkruid
Bieslook Kervel
Anijs Koriander
Lavas Rozemarijn
Tijm Onsterfelijkheidskruid