Als ‘t tijd wordt om op te schonen: snoeien van struiken en heesters

Enige kennis van welke struik of heester in de tuin groeit is wel noodzakelijk om op de juiste wijze te snoeien. Doorgaans wordt bij de snoei onderscheid gemaakt tussen vormsnoei en verjongingssnoei. Het gehele jaar door moet worden gelet op beschadigd en dood hout, eventueel zieke scheuten, scheuten die in een ongewenste richting groeien of overlast geven en de bij sommige struiken voorkomende wortelopslag. De hiervoor genoemde onregelmatigheden mogen op elk moment worden verwijderd.

Primair is het van belang om altijd te streven naar een evenwichtige, gelijkmatige ontwikkeling van de struik. Dit mag nooit ten koste gaan van de natuurlijke groeiwijze. Er kan gesnoeid worden in het najaar en gedurende de winter, maar soms ook is snoeien direct na het uitgebloeid zijn van de struik noodzakelijk. Snoeien van heesters verlengt de levensduur, bevordert de gezondheid èn vooral de bloeirijkheid.

~ Vorm snoeien ~
* Basisprincipes: stand knoppenstengels en scheutenverjonging *

[ Lijst snoeiwijzen ]

Vorm snoeien

Vormsnoei heeft te maken met het in evenwicht brengen van de struik op een zodanige wijze dat deze een esthetisch verantwoorde en open vorm krijgt. Door vormsnoei wordt de sierlijke vorm van de struik benadrukt. Deze wijze van snoeien wordt vooral toegepast op groenblijvende struiken. Bij deze struiken wordt vooral gestreefd naar symmetrie van de opbouw van de bovengrondse delen en om een zekere bolvorm te maken en te behouden. Omdat een groenblijvende struik in het algemeen langzaam groeit, is het zaak het vormen vooral geleidelijk te doen. Spreid de snoei over verscheidene jaren en pas alleen zogenaamde correctiesnoei toe.
Alle bladverliezende heesters hebben veel vaker een vormsnoeibeurt nodig. Het snoeien van dit type heester vereist meer kennis van de struik. Die kennis kan echter door eigen waarneming worden opgedaan.
Allereerst is het nodig te weten of de struik op éénjarig hout of op meerjarig hout bloeit.

Voorbeelden van struiken die bloeien op eenjarig hout, zijn onder andere: Hydrangea arborescens (Amerikaanse hortensia), Buddleja (vlinderstruik), Kerria (ranonkelstruik. Op twee- of meerjarig hout bloeien: Philadelphus boerenjasmijn, Deutzia, Ribes, Forsythia. Bloeien op eenjarig hout zegt eigenlijk al genoeg: er moet voor worden gezorgd, dat ieder jaar nieuwe scheuten worden gevormd. Ieder najaar, wanneer de blaadjes van de struiken zijn afgevallen, wordt een groot deel van de scheuten bij de grond af weggesnoeid. Vanaf het voorjaar ontwikkelen zich nieuwe scheuten, die zullen bloeien. Een voorkeur is om heesters, die op eenjarig hout bloeien, direct ná de bloei te snoeien. Een goed voorbeeld hiervan is Buddleja. Het voordeel van direct snoeien na de bloei is dat er in de zomer direct nieuwe scheuten worden gevormd. De bloemknoppen kunnen al aangelegd worden gedurende de resterende groeitijd van het seizoen. In het voorjaar leidt dit zonder meer tot een betere en vollere bloei van de struik.

Heesters die op tweejarig hout bloeien moeten ook ieder jaar (bij)gesnoeid worden. Snoeien moet dan gebeuren om nieuwe scheuten tot ontwikkeling te laten komen. De oudere scheuten, waarop het komende jaar bloei is te verwachten, worden hooguit wat uitgedund om toetreding van zonlicht mogelijk te maken. Aan dit type struik zijn altijd één- en overjarige stengels aanwezig. Snoeien vindt dus plaats om de struik telkens te verjongen.

Basisprincipes

Voor het snoeien van heesters is in de eerste plaats geëigend tuingereedschap nodig: een scherpe snoeischaar en/of een takkenschaar en soms een korte boomzaag. Scherp gereedschap voorkomt onnodige wonden aan de struik, waardoor er ook minder aanleiding ontstaat voor ziekten.

Stand knoppen

Gebruik uw ogen door te kijken. Aan elke stengel zitten knoppen. In de knop is primair in aanleg een nieuwe scheut aanwezig.

Deze knoppen liggen meestal plat op of aan de stengel. Bij verkeerd snoeien wordt het tegengestelde bereikt van wat noodzakelijk is, namelijk de nieuwe scheut groeit naar binnen of in het hart van de struik in plaats van naar buiten. Op de afbeelding is de snoeisnede aangegeven boven een naar buiten staande knop. Dit is de juiste plaats. Snoeien op een buitenoog kan dus de vorm van een struik beïnvloeden.

Het effect van snoeien op een buitenoog is pas het volgende groeiseizoen te zien. Een jonge,

nieuwe scheut is te voorschijn gekomen uit het slapende oog dat nog in de herfst of winter aanwezig was. Hoe meer gesnoeid wordt nabij de hoofdscheut, des te meer invloed is er op het ‘jong’ zijn van een struik. Snoeien op het juiste (buiten)oog en met het juiste oog is bepalend voor het aanzien van een struik!

Verwijder altijd naar binnen groeiende stengels en scheuten

Naar binnen groeiende stengels zorgen er niet alleen voor dat de struik een warrige en rommelige

aanblik biedt; het is ook nadelig voor de bloeirijkheid, de luchtcirculatie en lichttoetreding. Het hart van een heester moet in principe open zijn. Kruisende scheuten kunnen langs elkaar schuren en verwondingen aanrichten. Gevolg: gevoeligheid voor ziekten wordt groot. Verwijder altijd zulke scheuten. Wacht niet te lang met het wegnemen van ‘verkeerd’ groeiende scheuten. Dikke takken geven grote wonden. Op de afbeelding is in rood aangegeven waar naar binnen groeiende stengels worden weggesnoeid.

Verjongingssnoei

Verjongingssnoei wordt toegepast op alle heesters en struiken.

Ondanks regelmatige snoei komt het voor dat stengels verhouten. Het gevolg hiervan is dat er minder zijscheuten worden gevormd en de struik minder gaat bloeien. Ook verschijnselen als vorming van minder en kleiner blad kan hiervan het gevolg zijn.

Daarom is het noodzakelijk om bij snoeiwerkzaamheden altijd te kijken of er verjongd moet worden. In zulke gevallen is een takkenschaar of kleine boomzaag een onontbeerlijk instrument. Bij heesters waar aan de basis veel scheuten staan te dringen, is het ook nodig om in te grijpen. Licht- en zonlichttoetreding zijn absolute voorwaarden voor een goede ontwikkeling van een heester. Snoei zodanig dat de stengels op afstand van elkaar komen te staan. Behoud de hoofdvorm van de heester ten allen tijde. Op de afbeelding linksboven is te zien waar door snoeien ingegrepen moet worden.

Na de snoei zal het resultaat een open heester zijn die weer een aantal jaren mee kan. Houd bij verjongingssnoei zoveel mogelijk jonge scheuten aan.

Hebt u te maken met een wel erg uit de kluiten gewassen struik, dan is het raadzaam deze eens volledig terug te snoeien. Bijvoorbeeld een sering en een amandelbloesemboompje willen nog wel eens lange tijd ongesnoeid worden gelaten. Aan de toppen is dan meer loof te zien dan op de lagere stengeldelen.
Zaag op 30 cm boven de grond de stengels af. Het volgende groeiseizoen komen er talloze nieuwe scheuten te voorschijn op de afgezaagde stengels. Hierna is het een kwestie van de nieuwe scheuten selecteren, die mogen doorgroeien.

Lijst met heesters en struiken met hun specifieke snoeiwijze.

De andere afleveringen:

Scheuren en delen vaste planten ~ Sierbomen verzorgen en snoeien
Snoeien en vormen van klein fruit ~ Boomfruit snoeien
Verzorging van druiven

Als ‘t tijd wordt om op te schonen: snoeitabel struiken en heesters

 

Lijst met specifieke snoeiwijze

Latijn Nederlands Verjonging Vorm Bloei oud hout
Aralia engelenboom *
Aronia appelbes *
Berberis zuurbes *
Broussonetia moerbei *
Amelanchier krent *
Cercis judasboom *
Cornus kornoelje *
Corylus hazelnoot *
Cotinus pruikenboom *
Cydonia kwee *
Euonymus kardinaalshoed *
Hamamelis toverhazelaar *
Hortensia gewone hortensia *
Laburnum gouden regen *
Magnolia beverboom *
Malus sierappel *
Mahonia mahonie *
Prunus sierappel *
Philadelphus boerenjasmijn * * *
Potentilla ganzerik *
Ribes bes *
Rubus braam *
Salix wilg *
Sambucus vlier *
Spiraea spierstruik *
Symphoricarpus sneeuwbes *
Sorbus lijsterbes *
Syringa sering *
Viburnum sneeuwbal *
Rhododendron rododendron * *
Forsythia forsythia *
Pyracantha vuurdoorn * *
Azalea azalea * *
Callicarpa callicarpa *
Chaenomeles dwergkwee * *
Cotoneaster dwergmispel * *
Cytissus brem *
Hippophae duindoorn *
Hypericum hertshooi *
Kerria ranonkelstruik *
Ligustrum liguster * *
Weigelia weigelia * *
Buxus randpalm * *
Abelia abelia *
Acer esdoorn *
Aucuba aucuba * *
Ilex hulst *
Hibiscus altheastruik * *
Osmanthus schijnhulst *
Pieris andromeda *

De andere afleveringen:

Scheuren en delen vaste planten ~ Snoeien en vormen van klein fruit
Snoeien van struiken en heesters ~ Boomfruit snoeien
Sierbomen verzorgen en snoeien ~ Verzorging van druiven

Als ‘t tijd wordt om op te schonen: snoeien en vormen van klein fruit

Onder klein of zacht fruit wordt al het fruit verstaan dat in struikvorm of als laag bij de grond groeiend gewas wordt geteeld. Klein fruit is bij uitstek geschikt om in middelgrote tuinen of speciaal daarvoor aangelegde moestuinen te worden geteeld. Klein fruit vermeerdert zich onder meer door worteluitlopers, is gemakkelijk te stekken of wordt door afleggen vermenigvuldigd. Bij aanschaf van een besdragende struik is het raadzaam een ‘virusvrijcertificaat’ te vragen. Bessen zijn erg gevoelig voor bepaalde virussen.

Besdragende struiken kunnen in het najaar vanaf oktober tot de eerste matige nachtvorst worden geplant. De vruchten komen alleen in landen met gematigde klimaten tot ontwikkeling. Koele zomers met liefst weinig neerslag zijn ideaal om goed en mooi fruit voort te brengen. Klein fruit is goed op z’n plaats in het Nederlandse klimaat. Vruchtzetting komt tot stand door middel van zelfbestuiving. In dit artikel wordt het snoeien van in struikvorm groeiende gewassen behandeld zoals rode bes, zwarte bes, witte bes, kruisbes en aan scheuten groeiende vruchten als braam en framboos. Over de Japanse wijnbes verscheen al eerder een artikel. Dit laatste gewas brengt ook vruchten voort aan scheuten.

~ Waarom snoeien? ~ Vormsnoei ~
~ Bloemknop en bladknop ~ Snoeien en sporen van kruisbessen ~
~ Leivormen voor scheutdragers ~ Snoeien van scheutdragers ~

Waarom snoeien?

Door elk jaar te snoeien wordt een gezonde, goed gevormde en productieve struik in stand gehouden. Oud hout wordt ieder jaar zoveel mogelijk verwijderd om een teruglopende opbrengst en het kleiner in omvang worden van de vruchten tegen te gaan. Al het klein fruit brengt vruchten voort op hout dat ten minste één jaar oud is.
Op oud hout worden ook wel vruchten gevormd, maar beduidend minder in aantal en omvang. Naast snoei die gericht is op veel opbrengst, is snoei om een vorm tot stand te brengen ook nodig. Vormsnoei gebeurt hoofdzakelijk aan struiken. Scheutvormers worden voornamelijk geleid door aanbinden aan gespannen draden. Snoei is er altijd op gericht om zoveel mogelijk (zon)licht en luchttoetreding in de stuik te bevorderen. In een te dichte struik zullen bladeren en vruchten sneller beschimmelen en verrotten. Extra snoeien buiten de normale snoeiperiode, die in oktober tot en met januari valt, is soms nodig om door ziekte aangedane takken en bladeren te verwijderen.

De struik vormen door vormsnoei

De vorm van de struik die het meest voorkomt bij rode, zwarte en witte bes is de meerstammige struik. Kenmerkend hiervoor zijn de vele stengels die uit de grond komen. Er zijn veel meer vormen mogelijk. De vorm heeft echter meer te maken met de situatie waarin de struik in een tuinconcept is/wordt toegepast of de persoonlijke voorkeur van de eigenaar. Op zich doet de vorm niet zoveel toe of af aan de opbrengst van de struik.

   
Meerstammige struikvorm Bolvormige struikvorm Enkel snoer

Op de bovenstaande hoofdvormen komen variaties voor. Zo is het mogelijk dat de meerstammige en bolvorm, die zich als een brede waaier tentoonspreiden, op een lage of hoge stam geplaatst, hetzelfde effect geven. Op het enkel snoer komt de variatie met drie of vier snoeren voor. Alle struikvormen kunnen rondom breed uitgroeiend zijn of worden plat gesnoeid. In het laatste geval groeien de struiken dan meestal tegen een muur. Op de muur gespannen draden (dik nylon of gegalvaniseerd draad) vergemakkelijken het in vorm brengen. Let er bij aankoop van een struik op of deze meerstammig is of op een stam staat en ook op de hoofdvorm. Bedenk voorafgaand aan het snoeien welke vorm de struik later moet bereiken.

Bessen snoeien: letten op een bloemknop en een bladknop

Snoeien is niet zomaar wat takjes wegknippen, die in de weg zitten of de struik fatsoeneren om er een leuke vorm aan te geven. Daar komt wat meer bij kijken. In ieder geval: gebruik goed en scherp gereedschap. Snoeischaar en boomzaag behoren tot de basisuitrusting. Daarna komt de techniek van het snoeien. Maak voorafgaand aan het snoeien het gereedschap schoon met huishoudzeep. Nadat elke struik is gesnoeid moet het gereedschap opnieuw worden schoongemaakt. Dit voorkomt verspreiding van een virus of virussen. Wees daarin nauwgezet!
Er zijn twee belangrijke snoeiperioden: winter en zomer. In de winter wordt het (te) oude hout weggenomen als jongere takken ze kunnen vervangen. Snoei zodanig dat de struik open is en/of wordt. Geef vorm aan de struik door die takken te verwijderen, die het gekozen model zouden verstoren.
Is de vorm eenmaal bereikt, dan moet gezorgd worden voor de vorming van sporendragers. Bij de rode, witte en kruisbes en in zekere mate bij de zwarte bes worden sporendragers gevormd door het inkorten van alle zijscheutjes op een hoofdstengel. De zijscheutjes worden tot op 3-4 knoppen teruggeknipt. De hoofdscheut, waaraan deze zijscheuten zitten, wordt met ongeveer eenderde deel ingekort. Deze wijze van snoeien bevordert vorming van nieuwe scheuten waaraan de vruchten zullen verschijnen. Na enkele jaren moeten deze (oude) hoofdscheuten worden vervangen door jongere scheuten.

     
Snoeiwijze rode, witte en zwarte bes voor ‘sporen’ Juiste snoei bij een oog Onjuiste snoei bij een oog Bloemknop dik, bladknop klein

Let tijdens het snoeien wel op blad- en bloemknoppen. Takjes met veel bloemknoppen kunnen worden behouden; bloemknoppen zijn dikker dan bladknoppen en zijn afstaand ten opzichte van de stengel. De jonge scheuten hebben in hoofdzaak bladknoppen; die liggen aan/op de stengel en zijn veel kleiner en spitser van vorm dan de bloemknoppen.
Snoei een stengel niet schuin langs een oog. Snoei er altijd boven en schuinaf op de stengel. Te dicht op de knop snoeien betekent meestal dat de knop afsterft.

Snoeien en sporen van kruisbessen

Ook kruisbessenstruiken worden in vele vorm gesnoeide modellen te koop aangeboden. Zo komt de kruisbes op (een hoge) stam voor, bestaan er

Inkorten scheuten van kruisbes

kruisbessensnoeren en waaiervormen. Voor de vormgeving aan de struik is hetzelfde van toepassing als bij de rode bes etc. Het meest voorkomende type is de kruisbes op stam. De struik kan tot 2 m hoog worden. Zorg altijd voor een open struikvorm. 6-8 gesteltakken zijn ruim voldoende voor een rijke oogst. De jonge scheuten zijn licht breekbaar. Hierop moet u vooral letten bij het plukken, want dan is de kans op beschadiging en afbreken van de jonge scheuten het grootst. De beste snoeiperiode voor kruisbessen ligt aan het einde van de winter, maar wel voordat de ogen uitlopen. Vogels zijn gek op de jonge knoppen. Vandaar dat kruisbessen later gesnoeid worden dan bijvoorbeeld aalbessen.

Als de struik zijn hoofdvorm heeft gekregen, moet er telkens voor worden gezorgd dat er sporen worden gevormd. De wijze van snoeien

Vormen van sporen aan kruisbes

is gelijk aan die van de andere besdragende soorten.
De later aan de sporen komende vruchten zijn vooral groot. Wenst u een grote hoeveelheid vruchten , die weliswaar wat klein zullen zijn, dan kunt u er beter voor zorgen dat de nieuwe takken worden aangehouden en dat de oude en afgedragen takken telkens worden weggesnoeid. Knip wel de nieuwe takken op tweederde van hun lengte af.

Leivormen voor scheutdragers

De meeste scheuten vormende besdragers zijn oorspronkelijke afstammelingen van bosplanten. De bekendste gecultiveerde soorten zijn de braam, de framboos, de Japanse wijnbes, de boysen-, tay- en loganbessen.
Om mooie en rijpe vruchten te krijgen worden deze soorten vooral uitgebonden. Door ze uit te binden kunnen licht en lucht goed toetreden en verrotten ze niet op de grond. Deze scheutvormers worden vrijwel altijd geleverd zonder virusvrijcertificaat. Al naar gelang uw smaak kunnen de planten op verschillende manieren worden geleid. Geleiding gebeurt door het aanbinden van jonge, buigzame scheuten aan gespannen draden. Het aanbinden op de draad kan met raffia of met speciaal verkrijgbare (plastic) aanbinders. Door het uitbuigen van de scheuten vindt een krachtige groei plaats en worden veel nieuwe scheuten gevormd. Juist door aanbinden worden in het seizoen van groei en vruchtzetting de vruchtdragende scheuten gescheiden van de nieuw gegroeide scheuten. Als u uitbinden gaat gebruiken, dan moeten draden gespannen worden langs en aan muren. Of moeten er palen worden geslagen. Gebruik rondhout rond 7 of vierkante palen van 7×7 cm. De palen moeten minstens 60 cm diep geslagen worden. Wanneer het gewas vol in blad staat en er bovendien nog vruchten aanhangen, dan is dit bij elkaar een reusachtig gewicht dat de palen met draden moeten torsen.

 
Uitbuigen in waaiervorm Uitbuigen gedraaid, horizontaal
Sandinavisch
Uitbuigen gegolfd, geweven Uitbuigen Scandinavisch model

Snoeien van scheutdragers

De vorm waarin wordt aangebonden, heeft bij scheutvormers effect op de opbrengst. Naar mate de scheuten meer horizontaal worden gebogen (recht of gegolfd) wordt de opbrengst in principe meer. Gedurende het hele groeiseizoen vormen scheutdragers nieuwe (grond)scheuten. Na de laatste oogst mogen de oude afgedragen scheuten bij de grond af worden weggeknipt. De jonge scheuten kunnen naar gelang de aanbindvorm worden bevestigd op de draden. Zwakke scheuten worden verwijderd; alleen de sterkste scheuten worden aangehouden. Uitlopers die te ver van de stellage met draden af staan, worden weggehaald door ze af te steken met een spade.
Controleer aan het einde van de winter de planten op vorstschade. De ingevroren scheutdelen wegknippen. Alle scheuten worden met ongeveer 20 cm bekort. Scheutdragers kunnen tegen vorst worden beschermd door ze in het najaar aan te aarden met grove compost. De compost kan in het voorjaar tussen de planten worden uitgespreid. Dit werkt dan meteen als bemesting. Geef nooit te veel stikstofrijke voedingsstoffen. Dit leidt alleen maar tot veel scheuten die weinig tot geen vruchten geven.

De andere afleveringen:

Scheuren en delen vaste planten ~ Snoeien van struiken en heesters
Sierbomen verzorgen en snoeien ~ Boomfruit snoeien
Verzorging van druiven

Als ‘t tijd wordt om op te schonen: scheuren en delen van vaste planten

De nazomer is bij uitstek het moment om je te bezinnen op eventuele noodzakelijke veranderingen in en aan een border met vaste planten. Een goede tuinier maakt de balans op van het kleurenpalet, de uitval van planten en van de vitaliteit van de verschillende geslachten en variëteiten, zoals die in een afgelopen groei- en bloeiseizoen zich toonden. Half augustus tot en met oktober is het meest geschikte seizoen om vaste planten te hergroeperen, te verjongen of een andere plaats in het schouwtoneel te geven.

Experimenteren is noodzakelijk

Nadat een border is ingeplant met vaste planten kun je niet zonder meer op je lauweren rusten. Tenzij de tuinier een genie op het gebied van de kleurenleer is en bovendien de gebruikte planten als z’n broekzak kent, is genieten van de geschapen pracht wellicht op z’n plaats. Voor de meesten is het eindeloos experimenteren. Vallen en opstaan om ervaringen op te doen met de juiste plant op de juiste plaats. Wat zich bij iemand in Groningen voordoet als een fantastische plant op de kleigrond kan in eigen tuin op het zand een regelrechte mislukking zijn geworden. Ondanks de met mondjesmaat bijgevoegde informatie op het etiket bij een vaste plant kunnen nu net die omstandigheden in uw tuin er niet zijn die het gebruik van een soort haast onmogelijk maken. Telkens proberen en op zoek gaan naar die soorten, kleuren, texturen en wat al niet meer om het door de tuinier gewenste arrangement te bereiken vereist veel geduld, inspanning, inventiviteit, creativiteit en een flink portie geluk.

Verjongen is noodzakelijk

De meeste vaste planten moeten toch echt ééns in de 4-5 jaar opgerooid worden om een lang en gezond leven te kunnen leiden. Er bestaan enkele uitzonderingen. Die uitzonderingen zijn op zich al zo uitzonderlijk dat daar in dit verband aan voorbij gegaan wordt. Eén moet toch echt wel vermeld worden en dat is de pioenroos. Het is zo’n oer-Hollandse plant die geregeld in onze tuin opduikt. De pioenroos houdt ervan om juist een zeer lange tijd op één en dezelfde plek door te brengen.
De meeste vaste planten groeien vanuit een middelpunt dat na enkele jaren zo is verouderd dat daaruit geen jonge spruiten meer kunnen ontkiemen. De jonge plantkiemen verwijderen zich jaar na jaar verder naar de rand(en) en daarmee dwaalt de plant steeds verder van de plek af waar deze in onze ‘view’ hoort te schitteren door vooral aanwezigheid. Andere planten lijken zich in de loop der jaren steeds meer van de grond te verheffen. Een bekende soort op dit gebied is bijvoorbeeld de Heuchera en sommige vaste plant geraniums.

Om de plant weer te verjongen moet deze los gespit worden (afb.1). Hierna kan de plant worden gedeeld door die met een spade in stukken te verdelen of met de handen uiteen te rijten. Ook kan het met een stevig mes gebeuren (afb. 2). Selecteer bij het delen van de plant alleen die delen die goede scheuten vertonen. Delen van de plant met weinig scheuten op de wortelpruik kun je beter aan de composthoop toevertrouwen. Mogelijke dikke, houtige wortels die aan de gedeelde vaste plant zitten, kunnen nu ook worden verwijderd (afb. 3). De plant zal zolang de grond in de nazomer nog enige warmte heeft, nieuwe wortels aanmaken (afb. 4). Nadat de planten gedeeld zijn en de plek in de border is uitgezocht, wordt het te beplanten borderdeel goed diep los gespit, nieuwe grond toegevoegd en vooral veel humusaarde gegeven. Bemesten met oude, verteerde stalmest of gedroogde koemest moet nog even worden uitgesteld tot in het voorjaar. Bij een teveel aan makkelijk opneembare organische mest vormen de planten op het laatst van het jaar te veel sappige scheuten. De kans op invriezen en dus afsterven van de plant in de winter wordt er alleen maar groter door. Het grote voordeel van het verplanten van vaste planten in de nazomer is zonder meer dat de plant een goed wortelgestel zal vormen, terwijl de plant in het voorjaar alles kan richten op de vorming van loof en bloemknoppen.

Verplanten in de nazomer geeft de plant een ruime voorsprong op die vaste planten die in het voorjaar op hun plekje in de border worden gezet. Ze bloeien in ieder geval daardoor beter!

De andere afleveringen:

Snoeien van struiken en heesters ~ Sierbomen verzorgen en snoeien
Snoeien en vormen van klein fruit ~ Boomfruit snoeien
Verzorging van druiven

Als ‘t tijd wordt om op te schonen: sierbomen verzorgen en snoeien

Kijkt u wel eens aandachtig omhoog? Naar de bomen in uw tuin? Of geven uw ogen de voorkeur aan het kleurenpalet dat wordt getoverd door bloeiende vaste planten? Schenk dan ook aandacht aan de vorm (habitus) en de kwaliteit van misschien die ene boom of zelfs bomenlaan die u rijk bent. Voor de verzorging van een boom is een visuele beoordeling op conditie en kroonopbouw onontbeerlijk om de juiste maatregelen te treffen.
Bij de kroonopbouw moet gelet worden op dood hout, dubbele top, vertakking, kleeftakken, zwamaantastingen, inrotting en torsiescheuren. De stam kan veel informatie opleveren over de algemene gezondheidstoestand van de boom. Zo verraden ingezonken plekken, holten, zwammen en plaatselijk loslatende schors dat de conditie van de boom niet echt goed is.
Herfst- en winterseizoen zijn een goed moment om gewapend met snoeischaar, takkenschaar, zaag of snoeimes de boom eens onder handen te nemen, opdat deze een langer leven is beschoren.

~ Jeugdsnoei ~ Begeleidingssnoei ~ ~ Uitdunningssnoei ~

* Meerkronig * Kleeftakken * Schuurtak * Codominantie * Plak-oksel *

[ grondboring ]

Wanneer snoeien

Snoeien is vaker nodig dan wordt gedacht. Aan een pas geplante boom moet jeugdsnoei plaatsvinden; tijdens de verdere ontwikkeling moet geregeld begeleidingssnoei worden toegepast en op oudere leeftijd van de boom kan uitdunningssnoei nodig zijn.

* Jeugdsnoei

Het belangrijkste doel bij jeugdsnoei is erop gericht om een boom te krijgen met een enkele top en die tot een rechtstammige en evenwichtig opgebouwde boom te laten uitgroeien. In deze levensfase wordt de boom op de kwekerij meestal met de stam aan een rechte paal vastgebonden. De vorming van zware gesteltakken wordt tegengegaan door middel van het wegsnoeien van zulke takken. De kruin is in feite steeds tijdelijk. Als gevolg van deze maatregelen reageert de boom in de vorm van diktegroei. Kleine loten op de stam worden steeds weggesnoeid.

* Begeleidingssnoei

De snoei omvat alle ingrepen die vanaf de jeugdfase tot het bereiken van het volwassen boom stadium regelmatig noodzakelijk zijn. Zo wordt tegengegaan dat er zich te veel en te zware gesteltakken ontwikkelen aan de stam, die overlast zullen veroorzaken. Takken die tegen een raam of het dak dreigen te groeien; een tak die tot een dubbele top zal kunnen leiden of een onevenwichtige kroonopbouw zal veroorzaken. Daarbij moet voorkomen worden dat de kruin te dicht gaat worden met als gevolg dat de bladmassa binnen in de kruin zal afsterven. Uiteraard wordt steeds al het dode hout verwijderd.

* Uitdunningssnoei

De werkzaamheden vinden plaats wanneer de boom zijn maximale grootte heeft bereikt. Deze levensfase van de boom is te herkennen aan uitgezakte gesteltakken, een strakke contour van de kruin met weinig blad en veel jonge twijgen aan de buitenrand van de kruin.
Snoeien in deze fase is erop gericht om de ‘natuurlijke balans’ en de vorm van de boom niet te verstoren. Uitdunnen door snoeien gebeurt aan de uiteinden van alle takken, zodanig dat een bladreductie van 30% ontstaat. Afhankelijk van de boomgrootte wordt gesnoeid in de buitenste 2 tot 5 meter van de kruinomvang. Door deze wijze van onderhouden kan worden bereikt dat de boom een zeer hoge leeftijd haalt zonder een risico voor z’n omgeving te vormen.

Bladreductie leidt ertoe dat ook oude bomen telkenjare voldoende nieuwe wortels aanmaken. De verankering in de bodem blijft zodoende goed gewaarborgd. Naast snoei van takuiteinden die wortelgroei stimuleert, kan bodemverbetering rondom de boom ook wortelgroei bevorderen.
Wanneer een al oude en hoge boom in uw tuin staat, kan het uitdunnen beter overgelaten worden aan een vakkundige boomverzorger. Veilige klimtechnieken stellen een boomverzorger in staat om vanuit een boom te bepalen hoe en waar uigedund mag worden. U kunt dus maar beter niet uit een boom vallen nadat u die boom hebt misvormd…
Als reactie op het wegnemen van kroontakken vormt de boom vaak jonge loten of scheuten op de stam ter compensatie van het energieverlies door een verminderde bladmassa. Soms ook komen er spontaan grondscheuten te voorschijn vanuit de wortelvoet. In principe worden al deze scheuten verwijderd.

Kijkinspectie

Aan de hand van de hierna volgende – veelvuldig voorkomende – voorbeelden kunt u zelf globaal nagaan of onderhoud in de vorm van snoei noodzakelijk is. Soms kan en moet met behulp van een snoeischaar, takken-, boom- of zelfs met een kettingzaag te werk worden gegaan om een afwijking te corrigeren.
Zichtbare holten, zwammen en diepe scheuren worden bewerkt met een scherp snoeimes. Holten en scheuren moeten worden uitgekrabd tot op het levende hout (pericambium). Hierna de wonden afsmeren met een wondbalsem. Na verloop van enige tijd zal de wond overgroeien met nieuw weefsel (callus). Ook de grote zaag- en snoeiwonden moeten worden behandeld met wondbalsem.

Een "meerkronige boom" brengt de boom in onbalans. Verwijderen van de in alle richtingen groeiende takken is noodzakelijk om het evenwicht te herstellen. De meest rechtopgaande tak moet worden aangehouden. Hieraan groeien uiteindelijk weer nieuwe zijtakken, zodat een goede kroonopbouw tot stand kan komen.
"Kleeftakken" als gevolg van niet op tijd ingrijpen in de vorming van een stam of door verkeerd snoeien. De boomvorm (habitus) is misvormd. Door het teveel aan ‘armen’ te verwijderen èn met veel geduld kan er nog veel gered worden en zal de boom nog een redelijke vorm kunnen krijgen.
"Schuurtak". De zichtbaar scheef groeiende tak had in het jonge stadium al moeten worden verwijderd.
Deze tak groeit niet zoals normaal uit de boom, maar als het ware door het midden van de boom heen naar buiten toe. Bij storm kan de tak letterlijk langs de goede gesteltak schuren en wonden veroorzaken. Wegzagen is de enige remedie.
"Codominantie", een term die staat voor twee- of meerstammigheid. In sommige gevallen is meerstammigheid acceptabel. Te denken valt bijvoorbeeld aan een meerstammige berk.
In andere gevallen is het pure concurrentie. Meerstammigheid leidt in zulke gevallen tot misvormde bomen. Verkleving van beide stammen nabij de basis kan bij zware storm leiden tot uiteenscheuren van de stammen. Als voorzorgsmaatregel is wegzagen van een stam gewenst.
"Plakoksel", een zijtak die vrijwel parallel gegroeid is met de (hoofd)stam. Door het gewicht van de zijtak en zwiepen oefent de tak een voortdurende torsiekracht uit op de ‘aanhechtingsplaats’ met de stam. Het gevolg hiervan is zichtbaar: een callusweefsel dat de scheurende kracht min of meer niet kan bijhouden. Uiteindelijk gaat dit rotten en verziekt de boom. Uitzagen en afsmeren met wondbalsem.

Een grondboring kan gegevens opleveren over de

opbouw van de bodem nabij de boom. Nadere analyse in het laboratorium verschaft gegevens over de voedselvoorraad in de grond. Een juist bemestingsadvies zal bijdragen aan een aanvullende bemesting, waardoor de boom beter zal groeien. Eventuele storende lagen in de bodem en bodemverdichting kunnen hiermee worden opgespoord.

De andere afleveringen:

Scheuren en delen vaste planten ~ Snoeien van struiken en heesters
Snoeien en vormen van klein fruit ~ Boomfruit snoeien
Verzorging van druiven

Als ‘t tijd wordt om op te schonen: boomfruit snoeien

Gelukkig is het niet meer nodig, dat fruitbomen kanjers van bomen worden. Een fruitboom kan weer in de tuin. Door de teelt van onderstammen kan de hoogte beperkt blijven. Appels

of peren plukken met een gevaarlijk wiebelende ladder is haast niet meer van deze tijd. Het type onderstam bepaalt de uiteindelijke hoogte van een fruitboom en ook in de opbrengst speelt dit een rol. Een zelfde fruitras kan op een verschillend type onderstam worden geënt of geoculeerd als ze onderling verenigbaar zijn.

Voor appels is een bekende onderstam van oorsprong afkomstig uit East Malling in Engeland. Dit zijn de M-onderstammen die in Nederland veel gebruikt worden voor tal van appelrassen. Bij perenrassen worden Kwee A- en Kwee C-onderstammen gebruikt. Wilt u een appel- of perenboom planten, overtuig u dan van het type onderstam en vraag informatie over de uiteindelijke hoogte van zo’n boom. Van een hoog groeiende fruitboom kan later geen struikje worden gemaakt.

Boom- en struikvormen

Het is belangrijk voor het aanschaffen een fruitboom een idee te hebben waar deze in de tuin moet komen te staan. Moet het een solitair staande boom worden en hoe hoog mag hij dan worden? Gaat de belangstelling uit naar een struikvorm, moet er een muur mee worden bedekt of wilt u er een soort haag van maken? In principe kan aan al dit soort wensen worden voldaan. In alle gevallen is dan de onderstam waarop het fruitras is geënt belangrijk èn de wijze van snoeien om de uiteindelijk gewenste vorm te bereiken en te behouden. Bedenk wel dat specifieke vormen bewerkelijker in onderhoud zijn dan bijvoorbeeld een in struikvorm groeiend gewas.

De bekendste boom- en struikvormen van appels en peren zijn:
~~ Struik: van deze vorm is het kenmerkend dat er geen doorgaande harttak aanwezig is. De gesteltakken (waaraan het fruit komt) beginnen op eenderde van de stamhoogte. De totale hoogte van een struik kan goed in de hand worden gehouden door middel van snoeien. Maximaal wordt een struik op een hoogte gehouden van 1 – 2 meter. De fruitopbrengst van een struik is hoog.
~~ Piramide: deze vorm kan zowel op boom- en struikvormen worden toegepast. Door middel van snoeien wordt een cilindrische kegelvorm nagestreefd. De vorm is dus taps toelopend naar boven. Het grote voordeel van deze vorm is, dat alle takken goed het zonlicht kunnen opvangen. De hoogte varieert van 2 – 3,50 meter. Dwergvormen hiervan zijn ook mogelijk. Een hoogte van 1,5 – 2 meter wordt dan aangehouden.
~~ Spil: de meest voorkomende vorm in de comerciële fruitteelt. De hoofdvorm is een onregelmatige kegelvorm. Aan de duidelijk aanwezige harttak waaieren rondom van onderen tot boven lange gesteltakken uit. Hoogte 2 – 3 meter. Gesteltakken worden meestal langs gespannen draden aangebonden. De spil is buitengewoon productief in opbrengst en moet daarom alleen al worden aangebonden aan een steunpaal. Dit laatste is meestal geen fraai gezicht in een tuin, tenzij er een aparte ‘oofttuin’ is aangelegd.
~~ Hoogstam: zoals de naam al aangeeft, groeien de gesteltakken op een stam. De hoogte hiervan bedraagt 2 – 3 meter. Daarboven begint pas de kruin van de boom die ook nog eens 2 – 5 meter hoog kan worden. Begrijpelijk is dat voor het snoeien en plukken later een ladder moet worden gebruikt. Er zijn nog steeds veel hoogstamfruitbomen in boomgaarden en tuinen aanwezig. Vanwege de vele tijd die nodig is voor plukken en snoeien, raken veel bomen verwaarloosd en uiteindelijk in onbruik of worden ten slotte omgezaagd. Langzamerhand krijgen hoogstamvormen een museale waarde.
~~ Spalier: een veel gebruikte vorm bij appels en peren en andere steenvruchten, zoals perzik en pruim. De gesteltakken staan op een lage stam van 50 – 60 cm hoog. De gesteltakken worden langs gespannen draden horizontaal geleid. Kenmerkend is de symmetrie: alle takken even lang. Het is een fraaie vorm om ‘lijnen’ en ‘gangen’ in de (moes)tuin te maken. De hoogte bedraagt 2 – 2,5 meter. Een variatie op de spalier is de palmet. De gesteltakken groeien bij deze vorm niet zuiver horizontaal, maar staan onder een lichte hoek ten opzichte van de stam.
~~ Snoer: een fraaie vorm om fruitbomen decoratief te laten zijn. Veel variaties hierop zijn mogelijk. Zo kunnen snoeren bestaan uit één tot wel vier verticale armen op één enkele stam. Een snoer kan ook horizontaal worden geleid. Het is een al oude wijze van vormgeven aan fruit, die in tuinen bij kastelen en landgoederen in zwang was.
~~ Waaier: een heel geschikte vorm voor in de particuliere tuin om tegen een muur te plaatsen. Niet alleen appels en peren kunnen deze vorm krijgen, maar ook een geschikte vorm voor pruimen en perziken. Vanuit een lage stam groeien in principe twee schuin op de stam staande gesteltakken omhoog. Hieraan zitten dan weer kleinere gesteltakken met vruchtlotjes. De hoogte bedraagt 2,5 – 3,5 meter. Deze vorm is decoratief en productief. Het is een niet erg bewerkelijke vorm, neemt weinig ruimte in de tuin in en is daarom heel geschikt voor particuliere toepassing.

Snoeien van appels en peren

De snoei van deze fruitgewassen vindt plaats in het late najaar of in de winter. Wanneer de blaadjes van de boom zijn, bevindt de boom zich in ‘rust’. De sapstroom en assimilatie is dan gering. Het is dan tijd om oud en weinig productief hout te verwijderen. Houd de hoofdvorm van de boom of struik ook bij het snoeien steeds in de gaten. Oud en dik hout kan weggezaagd worden met een boomzaag of een takkenschaar. Het terugzetten van nieuwe scheuten en de vorming van sporendragers gebeurt met een snoeischaar.

Selectie   Terugknippen   Vormen kortloten en sporen
Selecteren van scheuten Terugknippen van nieuw loot
in het 2de jaar
Vormen van kortloten en sporen

Wring nooit bij het zagen of knippen. De verwondingen aan de boom herstellen zich dan moeilijk of gaan kankeren. Zaag of knip te verwijderen takken langs de stam of een hoofdgesteltak zo glad mogelijk daarvan boven de takkraag weg. Een takkraag is te herkennen als een ‘ringvormige’ verhoging aan het ondereinde van zo’n tak. Naderhand vormt zich een wondafdichting, het callus, dat de plaats van de verwijderde tak haast onzichtbaar maakt.
Nieuwe scheuten kunnen oudere scheuten vervangen (vervangingssnoei). Knip de nieuwe scheuten met eenderde deel terug boven een naar buiten staand (slapend)

 
Afgesnoeide tak bij kraag De wond afgedekt met callus

oog. Zorg voor een open kroon of voldoende ruimte tussen gesteltakken, zodat licht en lucht gemakkelijk kunnen toetreden.
Een belangrijke vuistregel bij snoeien is: een zwakke groei van een boom of struik is gekoppeld aan een sterke snoei’ en ook een krachtige groei van een boom of struik is gekoppeld aan een lichte snoei.
Een sterke snoei komt erop neer dat de boom veel minder knoppen hoeft te voeden. Het gevolg hiervan is dat dit aanzet tot een krachtiger ontwikkeling van veel nieuwe scheuten. Helemaal niet snoeien geeft hetzelfde effect. Veel knoppen moeten het doen met weinig voeding. De ontwikkeling van scheuten is miniem en ze blijven klein in lengte. Van een sterke snoei of helemaal geen snoei is het gevolg dat er weinig en klein fruit aan de boom/struik komt. Het gaat dus bij snoeien om het vinden van een evenwicht. Er moeten zich nieuwe scheuten ontwikkelen en de opbrengst moet gemiddeld goed zijn. Aan een goede fruitboom of struik zijn dus zowel oude als nieuwe scheuten te vinden!

Zomersnoei

Aan alle vormbomen moet zomersnoei plaatsvinden. Wordt er geen zomersnoei uitgevoerd, dan kan al snel de specifieke vorm waarin de boom of struik geleid is, verloren gaan. Zomersnoei of Loretta-snoei (genoemd naar het klooster Loretta bij de Burcht in Praag) is een secundaire snoei die na de normale wintersnoei in de zomer gebeurt. Zomersnoei moet gedurende de hele zomer worden uitgevoerd. Hierbij worden alle nieuwe scheuten tot op 2 – 5 centimeter teruggeknipt. Uitlopen van knoppen aan een in eerder stadium teruggeknipt takje is gebruikelijk. Het terugsnoeien van de nieuwe scheuten bevordert de vorming van bloemknoppen. In de winter moet op al deze nieuwe takjes met knoppen een selectie plaatsvinden: welke worden aangehouden en welke geheel worden verwijderd?

Beurtjaren

Het euvel van beurtjaren kan door een juiste manier van snoeien worden voorkomen. Beurtjaren kunnen desondanks voorkomen als gevolg van een zeer koude winter, vorst tijdens de bloei, gebrek aan voldoende voedsel of ziekte(n). Het verschijnsel beurtjaren heeft tot gevolg dat om het jaar de oogst overvloedig is en er het tussenliggende jaar nauwelijks vruchten zijn te bekennen.
Beurtjaren zijn als volgt door snoei te voorkomen: snoei na het arme jaar zoals altijd. Laat de jonge eenjarige scheuten ongesnoeid. Het groeiseizoen erna ontwikkelen zich aan deze scheuten volop bloemknoppen, maar nog geen vruchten. Hetzelfde jaar is er een rijke oogst op de oude takken. Het volgend winterseizoen (het begin van een arm jaar) laat u de tweejarige scheuten nog steeds ongesnoeid en worden de nieuwe eenjarige scheuten sterk gesnoeid. De cyclus van beurtjaren is daarmee verbroken. De volgende jaren worden de bomen zoals altijd gesnoeid. Een andere, meer tijdrovende methode om beurtjaren te doorbreken, is het uitdunnen van bloemknoppen. In het jaar dat een rijke oogst wordt verwacht, wordt het aantal bloemknoppen sterk gedund. De vruchten, die eraan komen, zijn groot, maar minder in aantal dan normaal in een rijk oogstjaar. Het jaar daarop zullen meer jonge scheuten gevormd worden en is elk jaar de oogst gelijkmatig in opbrengst.

Het vormen van sporen

Het vormen van sporen aan scheuten is essentieel om bloemknoppen te laten ontwikkelen, waaraan later appels of peren zullen groeien. De boom aanzetten tot vorming van bloemknoppen bestaat uit het inkorten van zijscheuten, die aan de gesteltak groeien. Door deze vorm van snoeien ontstaan veel zogenoemde kortlotjes. Sommige rassen dragen hun vruchten voornamelijk aan de top van een scheut, terwijl andere rassen verspreid over de lengte van de scheut vruchten dragen. De wijze van snoeien is eenvoudig. Kijk altijd goed naar zo’n gesteltak met scheuten. Let met name op zwak gegroeide, korte scheuten en lange, sterk gegroeide scheuten. Korte en zwakke scheuten moeten flink worden ingesnoeid tot

Vormen van sporen: voor en na snoeien

op 2 – 4 ogen op de scheut. De lange, sterk gegroeide scheuten worden minder ingesnoeid. Snoei deze scheuten tot op 3 – 6 ogen terug. Eind- of topscheuten worden tot op een kwart tot eenderde deel van de lengte teruggezet. Herhaal ieder jaar deze wijze van snoeien.

Er zullen zich veel sporen ontwikkelen. Sporen zijn te herkennen aan dicht bijeenstaande korte takjes met veel knoppen. Het heeft een wat knoestig uiterlijk. Veel knoppen bij elkaar betekent ook dat zich daar veel bloemen en later vruchten zullen ontwikkelen. Bij rassen die grote en zware appels en peren produceren, is het raadzaam de sporen te dunnen. Gebruik hiervoor een scherpe en goed snijdende snoeischaar.

Dun de sporen zo dat het beeld van zo’n takje open van structuur wordt. Licht en lucht moeten goed bij een takje

Dunnen van sporen levert grote vruchten op

kunnen komen. Bij rassen die vruchten aan de toppen van scheuten dragen, worden geen sporen gedund. Voor die rassen is het beter om jaarlijks de afgedragen vruchttakjes terug te snoeien op 2 – 3 ogen. De jonge nieuwe scheuten worden met maximaal eenderde deel ingekort. Aan die scheuten komen dan in een volgend jaar vruchten. Probeer elk jaar de boom te verjongen door oude takken weg te nemen. Aan nieuw schot worden gemakkelijker nieuwe sporen gevormd dan aan oude scheuten.

Pruimen snoeien

Net zoals bij appels en peren worden ook pruimen op een onderstam geënt. Dit maakt ook de pruim een ideaal gewas voor de tuin. Zwakke groei geven de onderstammen ‘Pixy’ en ‘St. Julien A’. Op deze onderstammen geënte pruimen krijgen een stuikvorm met een hoogte van ongeveer 2,50 – 3 meter. Pruimen kunnen worden geleid. De waaiervorm (platgroeiend geleid) is naast de struikvorm het meest voorkomende type. Omdat pruimen zeer gemakkelijk geïnfecteerd raken door de loodglansziekte en kanker moet er altijd zo min mogelijk worden gesnoeid. Loodglans uit zich op het blad in de vorm van een grijze gloed. Voor een rijke oogst is het aan te bevelen verscheidene pruimen aan te planten, omdat pruimen kruisbestuivers zijn. Een probleem bij pruimen is nog wel eens hun vroege bloei in maart – april. In die tijd kan nachtvorst aan de in bloei staande pruimenboom schade veroorzaken door bevriezing van de bloemen. De oogstopbrengst kan hierdoor behoorlijk worden beïnvloed.
Jonge leivormpruimen worden in het vroege voorjaar gesnoeid, wanneer de knoppen gaan zwellen. Kort de lengtescheuten met tweederde in en snoei op een naar buiten staande knop. Bij leivormen wordt de harttak consequent verwijderd. Slecht of naar binnen groeiende scheuten en lot op de stam worden in hun geheel weggesnoeid.
Oudere pruimenbomen of struiken worden midden zomer gesnoeid. De meeste pruimen dragen hun vruchten aan de basis van eenjarige scheuten en langs twijgen van twee jaar en ouder. In de zomer wordt een teveel aan zich ontwikkelende scheuten handmatig verwijderd door de zachte scheuten tussen duim en wijsvinger te nijpen. De overblijvende scheuten worden direct getopt door ze tot de helft van de lengte te nijpen. Onderhoudssnoei aan pruimen moet altijd gericht zijn op het openhouden van de kroon. Vooral in het hart van de boom/struik heeft een pruim de neiging veel scheuten te produceren. Deze dus geregeld weghalen.

Kersen snoeien

Ook de kers wordt in een breed scala aan vormen geleverd. Struikvorm, leivorm (waaier), half- en hoogstamvormen zijn leverbaar. Zwakke groei leveren de onderstammen ‘Canil’, ‘Colt’ en ‘Inmil’. De hierop geënte kersen zijn geschikt voor de (kleine) tuin. Net zoals bij de pruim worden jonge kersen pas in het voorjaar gesnoeid als de knoppen zwellen. Ook de kers is gevoelig voor kanker en loodglansziekte. Oudere kersen worden in najaar en winter in vorm gesnoeid. Haal beschadigde en zieke scheuten en takken wel altijd direct weg. In de zomer na de oogst moet opnieuw worden gesnoeid (zie onder pruimen). Nieuwe scheuten aan takken, waaraan vruchten hebben gehangen, worden het liefst aangehouden, terwijl de afgedragen scheut zo ver mogelijk wordt verwijderd. De jonge scheuten met eenkwart van de lengte innemen.
In het vroege voorjaar worden zo mogelijk enkele oudere gesteltakken verwijderd. Kersen hebben de eigenschap vooral aan de toppen vruchten te leveren. Door het wegnemen van twee tot drie gesteltakken per jaar kunnen zich nieuwe scheuten aan de boom/struik ontwikkelen, waaruit later de gesteltakken worden gevormd. Het euvel van vruchtvorming uitsluitend aan het uiteinde van gesteltakken met scheuten wordt daarmee voorkomen.

Perziken snoeien

De perzik is niet erg populair in de Nederlandse tuin. De perzik verlangt veel warmte een beschutting tegen vorst en regen. Uitsluitend een standpaats tegen een muur op het zuiden en dan nog het liefst omgeven met een muurkas levert veel vruchten op. Een in bloei staande perzikenstruik is wonderschoon. De bloeikleur is zachtrose. De perzik is een vroegbloeier: maart – april. Om vruchtzetting te krijgen is bestuiving door insecten nodig. Dat lukt maar weinig in die periode in ons klimaat. Handmatige bestuiving is dan de oplossing. Handmatig bestuiven door middel van trillen van de bloemen zorgt voor vruchtzetting. Perziken worden in de noordelijke streken voornamelijk in waaiervorm gehouden. In zuidelijke klimaten meestal in struikvorm. De waaiervorm kenmerkt zich door een korte stam van 1 – 2 meter hoog. Daaraan zitten 6 – 8 gesteltakken in een halve cirkelvorm. Aan tweejarige scheuten vindt bloei en de vorming van vruchten plaats. Het snoeien is gericht op de vorming van jonge scheuten op de gesteltakken. Vorm- en onderhoudssnoei kan alleen als de gesteltakken vervangen kunnen worden door jongere scheuten, waaruit gesteltakken kunnen worden gevormd. Snoei net voordat de ogen beginnen uit te lopen. Werk met goed schoongemaakt snoeigereedschap!

Let erop, dat op een spits toelopende naar buiten gerichte knop wordt gesnoeid. De bolle knoppen zijn de bloemknoppen. Bij snoeien in het voorjaar gaat het dus met name

Bloem- en scheutknop perzik
Bloem- en scheutknop perzik

om verjonging van de perzik. De scheuten worden met eennderde van hun lengte ingesnoeid. Zomersnoei moet altijd uitgevoerd worden, waarbij jonge scheuten tot op vier bladparen worden teruggezet door deze tussen duim en wijsvinger te nijpen. De scheuten die zich lenen om een gesteltak te vervangen of een geschikte plaats op de gesteltak hebben om over een jaar vruchten voort te brengen, worden aangehouden en niet genijpt. Blijf telkens alert op de hoofdvorm, waarin de perzik moet groeien.
Een volgroeide perzik wordt na de oogst gesnoeid. De nieuwe scheuten en vervangende gesteltakken worden als ze minimaal 40 cm lang zijn getopt onder het laatste bladpaar. Zijscheuten aan deze scheuten worden teruggeknipt tot op 1 – 2 bladparen. De zijscheuten moeten een onderlinge afstand hebben van 10 – 15 cm. De jonge (hoofd)scheuten moeten worden aangebonden. Bind deze scheuten aan op bamboestengels en bevestig vervolgens de bamboestegels op/aan horizontaal gespannen draden.

De andere afleveringen

Scheuren en delen vaste planten ~ Snoeien van struiken en heesters
Sierbomen verzorgen en snoeien ~ Snoeien en vormen van klein fruit
Verzorging van druiven