Een kruidig ruikende rododendron: Rhododendron nuttallii

Het geslacht Rhododendron is omvangrijk. Meer dan 800 soorten telt het. Er zullen maar weinig mensen zijn, die de weg daarin feilloos weten te vinden. Wij zijn al blij als er een paar soorten zijn te herkennen.

Rhododendron nuttallii wordt
een kleine boom

In het doolhof van nog eens alle variëteiten verdwaal je geheid. Rhododendron nuttallii is echter goed te herkennen, hoewel iemand dacht dat het een soort van Ficus betrof.

Rhododendron nuttallii, met twee t’s, twee ellen en twee i’s, kan een hoge boom worden. Daar gaan dan in ons klimaat tientallen jaren overheen. Op een beschutte plaats groeit de boom fraai uit. Een hoogte van vier tot vijf meter na een jaar of vijftien is goed haalbaar. Kenmerkend zijn de glanzend groene bladen, die tot wel dertig centimeter lang kunnen worden. Het blad heeft een duidelijke hoofdnerf, die in kleur iets afwijkt van het groen van het blad.

Groenblijvend

Rhododendron nuttallii is zeker geen alledaagse boom. Er moet moeite voor gedaan worden om deze soort te kunnen kopen. De boom komt van oorsprong uit de warmere dalen van het Himalayagebergte. De tweede naam – nuttallii – duidt op de licht overhangende takken van de boom. De boom groeit het beste op een humusrijke, goed doorlatende grond in de volle zon. Het is een bladhoudende boom. Het hele jaar is de kroonvorm (habitus) altijd goed zichtbaar.

Bloem

Rhododendron nuttallii bloeit aan het einde van het voorjaar met reusachtige bloemen. De bloem in knop zie je echt niet over het hoofd. Is de bloem eenmaal open, dan zijn er vijf kelkbladen van elk tien tot vijftien centimeter lengte te zien. Centraal staat een bosje witte meeldraden, die aan de top felgeel zijn. De bloem is in open toestand stervormig, iets dat te vergelijken is met de bloei van Magnolia. De bloei vindt plaats als ook het jonge blad uitloopt. Uitlopende bladen zijn in het begin wat roodachtig gekleurd. In de loop van het groeiseizoen worden ze volledig groen. De onderzijde van de bladen is purperbruinpaars van kleur.
Na de bloei is Rhododendron nuttallii vooral mooi na een regenbui. De regeldruppels blijven lange tijd als glinsterende parels op het blad achter.
Deze rododendron hoeft beslist niet te worden gesnoeid.

Salix sepulcralis, treurwilg

In het voorjaar vallen ze het meeste op: de gele tinten in de vorm van bloemen of twijgen. Wie door stad en landschap trekt, wordt regelmatig geconfronteerd met treurwilgen. Treurwilgen zijn er niet alleen als trieste uitdrukking voor een begraafplaats, nee,

Een treurwilg wordt vooral gebruikt om een punt te markeren

ze staan als accenten her en der bij boerderijen, villa’s en buitenhuizen of in parken en plantsoenen. Hun schilderachtige, nimfachtige, zwiepende slierten deinen op de klanken van de brullende wind mee, heen en weer, of hangen statig en roerloos, beschenen door het voorjaarszonnetje.

Er komt geen treurig gevoel over mij heen bij het zien van een treurwilg. Op een

Twijgen van een treurwilg hangen in lange slierten van de takken

begraafplaats krijg je dat gevoel wel. Het is maar net in welke situatie treurwilg is te zien. In parken valt mij op, dat een treurwilg vaak een specifiek punt markeert: een verdraaiing in loop- of zichtlijnen of als accent van een specifieke plaats aan het water. Dikwijls staat zo’n boom ook bij een boerderij, maar ook dan vrijwel altijd in de nabijheid van een sloot of vijver. Een treurwilg en water lijken dan ook altijd aan elkaar gekoppeld te zijn. Behalve door z’n brede specifieke vorm zijn de geelgroen gekleurde twijgen een blikvanger van jewelste.

Een treurwilg plant je natuurlijk in vochtige grond, maar vooral op een plaats waar je iets wil zeggen. Je wilt, dat mensen daar iets zien of kunnen zien. Als jij dat niet doet, maken de kleur en de verschijningsvorm van de boom wel, dat mensen hun blik erop richten of ernaartoe lopen. Een treurwilg is bij uitstek een accentboom met een bijna dichterlijke betekenis.

 
Vroeg in het voorjaar verschijnen katjes en blad van de treurwilg Verminking door snoeien
van een treurwilg

De treurwilg is de meest gekweekte wilg van alle wilgen. Het is wat je noemt een karakterboom. Een volledig uitgegroeide treurwilg wordt tot twintig meter hoog. Vanaf half februari begint de boom uit te lopen. De aanvankelijk geelgroene, lancetvormige bladen worden in de loop van het seizoen diepgroen en hebben een opvallend gele nerf aan de bovenkant van het blad. Met het uitlopen verschijnen de katjes, weinig opvallend vanwege hun identieke kleur met het jonge blad.

Treurwilg snoeien

Om u maar meteen voor fouten te behoeden: snoei een treurwilg niet. Op de foto linksboven is het resultaat te zien van het verkeerd hanteren van de snoeizaag. Kort geen takken in, omdat de boom naar uw smaak te breed uitgegroeid is. Bij inkorten lijkt het resultaat voor eeuwig op een slechte amputatie. Op de plaats van afzagen groeit een pruik. Een ordeloze, maar meer nog hopeloze wirwar van takken. De karakteristieke afhangende lange slierten verdwijnen vrijwel voorgoed.

Beter is het om een tak volledig bij de stam weg te zagen, maar… ‘bezint eer

Laantje met treurwilgen

ge begint’. Kijk goed of de verschijningsvorm (habitus) van de boom niet al te zeer wordt aangetast door het rigoureus verwijderen van één of meer takken. Behandel de zaagwond met boombalsem om inwateren te voorkomen. Wie het balsemen nalaat, kan er zeker van zijn dat de boom zal wegrotten.

De treurwilg behoort tot de familie van de wilgachtigen (Salicaceae). De treurwilg neemt een even belangrijke plaats in als de knotwilg (Salix alba), die een al even architecturale verschijningsvorm heeft.
De (gele) treurwilg luistert naar de prachtige naam Salix sepulcralis ‘Chrysocoma’. De oude naam luidde Salix alba ‘Tristis’, die misschien wat meer tot de verbeelding spreekt. Met de nieuwe naamgeving is de treurwilg ontdaan van een wat al te triest stempel en dat is wat mij betreft prima.

Taxus baccata als zuil, haag of figuur

Taxus komt in Europa van nature voor. In tuinen, bij boerderijen en begraafplaatsen is deze ‘wachter’ veel aangeplant. Bij voorname huizen en kastelen vormen meters hoge hagen de kabinetten, de coulissen van een openluchttheater of het ingewikkelde gangenstelsel van een doolhof.

Taxus baccata ‘Fastigiata’ is een zuilvormige vorm van Taxus

In de oudheid speelde Taxus een rol in religies en maakte men bogen van het bijzonder taaie hout. Om nog maar niet te spreken van de giftige pijlpunten, die ook uit bestanddelen van Taxus werd bereid. Taxus laat zich goed snoeien en vormen en is daarom in het bijzonder geliefd als haag of een in figuur geknipt beeldhouwwerk.

Van Taxus of venijnboom (Taxus baccata) bestaan veel cultuurvariëteiten. Zo zijn er met een opgaande groeiwijze: Taxus baccata ‘Fastigiata’, Taxus baccata ‘Fastigiata Aureomarginata’, ‘Fastigiata Robusta’, ‘Raket’, ‘Standishii’. Met spreidende takken: Taxus baccata ‘Dovastonii’, ‘Dovastonii Aurea’, ‘Overeynderi’, ‘Summergold’. Met korte naalden: Taxus baccata ‘Adpressa’, ‘Adpressa Stricta’. En met gekleurde naalden: Taxus baccata ‘Semperaurea’, ‘Washingtonii’. Daarnaast zijn er nog andere soorten Taxus, die zeer geschikt zijn voor de tuin, zoals Taxus cuspidata (Japanse Taxus) , Taxus cuspidata ‘Nana’, Taxus cuspidata ‘Rustique’, Taxus media, Taxus media ‘Hicksii’ en Taxus media ‘Hillii’.

Een reeks hagen gemaakt van Taxus …geeft een goede omsluiting
van de tuin
 
Een uitstekende achtergrond voor een border; geeft diepte aan wat erachter groeit

Giftig zaad

Taxus behoort tot de familie van de taxusachtigen (Taxaceae). Taxus komt van nature ook voor in Nederlandse bossen. Een enkele keer komt Taxus in beukenbossen voor in de boom- of struiklaag. Taxus staat het liefste op een licht beschaduwde plaats. Ze zijn zeer goed bestand tegen zeer strenge winters. De bomen of struiken van Taxus hebben graag wat kalk in de grond, waarin ze groeien. Die grond moet bovendien licht vochthoudend zijn. Taxus kan enkele honderden jaren oud worden. Jonge bomen zijn kegelvormig. Naarmate ze ouder worden krijgen ze een min of meer ronde kroonvorm. Dikwijls zijn ze meerstammig of hebben een dikke doorlopende stam. De stam heeft een roodbruine kleur en afschilferende bast. De korte bladen zijn donkergroen en staan in rozet bijeen. Taxus is tweehuizig. Er zijn mannelijke en vrouwelijke bomen. De mannelijke bomen dragen beschubde kegels. Vrouwelijke bomen dragen felrode bessen. De rode zaadmantel is niet giftig. Het zaad daarin is echter buitengewoon giftig. Na het wegrotten van de zaadmantel kan Taxus worden gezaaid. In een natuurlijke omstandigheid zaait Taxus zichzelf moeizaam uit.

Hagen

Taxus baccata leent zich goed om perfecte hagen mee te maken. Afhankelijk van

Taxus kan in figuur worden geknipt

de grootte bij aankoop zijn er drie struiken per strekkende meter nodig om een goede sluiting te bereiken. Wie een brede haag wil vormen, plant twee rijen in driehoeksverband. De afstand tussen de rijen bedraagt vijftig centimeter tot één meter. Taxus is een langzame groeier. Wie een haag van Taxus plant, plant deze voor het nageslacht. Een taxushaag wordt meestal maar één keer per jaar in de zomer in vorm geknipt. De uiteindelijke hoogte kan worden ingesteld. Voor een hoge haag zul je jaren en jaren geduld moeten hebben. In kleinere tuinen kunnen met Taxus poefs worden gemaakt in blokvorm of in ronde vorm. Er kan een esthetisch spel mee worden gespeeld door blokken onderling te schakelen en/of in hoogte te laten variëren. Taxus is niet erg gesteld op honden en katten, die ertegen plassen. Scheuten en bladen worden geel en kunnen zelfs afsterven. Taxus moet beslist niet worden gebruikt als omheining van een wei, waarin paarden lopen. Voor paarden is het loof giftig.
Mooie taxusfiguren zijn te bewonderen op het landgoed Twickel bij Delden. Daar staan taxusfiguurbomen van meer dan honderdvijftig jaar oud. Op het landgoed Groot-Engelenburg bij Brummen staan eeuwenoude exemplaren met een omvang van meer dan vijf meter.

Ziekten en plagen

Dopluis – Deze luizen zuigen aan de naalden. Naalden worden dan geel en sterven af. Bestrijding van dopluis moet vroeg in het voorjaar gebeuren. Behandel Taxus met Baythroid-plantenspray of Promanal van ECOstyle.
Mijten – Een enkele keer worden scheuten misvormd of lopen knoppen niet uit of zijn knoppen verdikt. Deze aantasting wordt veroorzaakt door mijten (rondknopziekte). Spuit in dit geval met Spruzit van ECOstyle of knip vroegtijdig aangetaste scheuten af.
Taxuskever (lapsnuittor) – De kever is zwart of bruin van kleur en ca 10 millimeter lang. Ze vreten aan bladen en jonge uitspruitende knoppen. De witte larven brengen schade toe aan wortels. Taxus kan door deze aantasting uiteindelijk afsterven. Soms zijn de kevers al aanwezig bij aanschaf van Taxus. Controleer plantgoed daarop en weiger de koop bij het vermoeden van de aanwezigheid van de taxuskever. De taxuskever is moeilijk te bestrijden met de huidige middelen. Spruzit (ECOstyle) en Decis vloeibaar of Pyrethrum (Bayer/Asef) wil weleens helpen.

Catalpa: de imposante trompetboom

Je kunt je geen mooiere boom voorstellen, die zo uitblinkt in verschijningsvorm, frisgroene of goudgele bladkleur en verrassend mooie bloemen als de trompetboom. Een decoratieve boom of struik, die zich heel gemakkelijk in toom laat houden door snoeien. De hartvormige bladeren kunnen aan de basis wel 20 centimeter breed worden. Laat je de trompetboom uitgroeien, dan kan hij een hoogte bereiken van 15 meter of zelfs meer. Catalpa is bladverliezend. Ze behoren tot de familie van de trompetboomachtigen of Bignoniaceae. Van oorsprong is de boom via Engeland ingevoerd uit China.

  Bloemen van Catalpa bignonioides 'Aurea'
Catalpa bignonioides ‘Aurea’ Bloemen van
C. bignonioides ‘Aurea’

De trompetboom is de laatste tijd (1998 – 2002) wat je noemt in de mode. Dit is niet alleen te danken aan de opvallende verschijningsvorm, maar vooral ook aan de gezondheid, die gewoonweg van het blad afstraalt. Kenmerkend is dat de bladvorming laat op gang komt. Ongeveer vanaf eind april begint de Catalpa uit te lopen. Logisch want dan stijgt ook de temperatuur buiten. Om deze reden is het een prima boom of struik om als jaloezie te dienen: er is nog weinig blad aan als de eerste voorjaarszon weldadig het lijf verwarmt, terwijl in de zomer de felle zon wordt getemperd. Echt een boom/struik om dicht bij het huis in de buurt van de ramen te planten.

Een echte solitair

De trompetboom of catalpa is te koop als boom of struik. In principe zijn er twee "uitvoeringen" verkrijgbaar: de soorten met groene bladeren en met goudgele bladeren. De bladkleur van de groene soorten varieert van donkergroen tot vijgenbladgroen. De goudgele variant is in het begin bij het uitlopen lichtgeel van kleur. Naarmate het seizoen verstrijkt, wordt de bladkleur intens goudgeel. Over het algemeen is het blad van de Catalpa groot: 10 – 25 centimeter lengte en dito breedte.
Als boom is Catalpa heel goed toepasbaar als solitair op een groot gazon. De kroon is dermate breed van vorm dat rekening gehouden moet worden met een flinke vrije ruimte rond de boom. Een uiteindelijke kroonomvang bij vrije uitgroei van 15 – 20 meter is heel normaal.
Catalpa vereist een humeuze en vooral kalkrijke grond. Een warme standplaats is ook een belangrijke voorwaarde voor een goede groei. Een warme plek zal er ook voor zorgen dat de boom jaarlijks tot bloei komt.

Er zijn twee soorten Catalpa die een gedrongen, bijna ronde kroonvorm hebben. Die zijn zeer geschikt om in blokvorm of als parasol te worden toegepast. Een paar op rij en in een vierkant geplant vormen dan een fraai dak.
De vorm in de trompetboom kan door middel van snoeien volledig naar de hand worden gezet. Afsnoeien van de jaarlijks gevormde nieuwe scheuten verdraagt de boom of struik buitengewoon goed. Bovendien komen er door jaarlijks te snoeien frisse nieuwe takken. Laat op de ‘stompen’ twee à drie ogen zitten. Uitlopers van 1 – 2 meter zijn geen zeldzaamheid. Catalpa is dus ook als struik te koop. Ook hiervoor gelden dezelfde groeiplaatseisen als die van de boomvorm. Vooral een warme plek is door Catalpa geliefd.

Bijzonder aan boom en struik zijn de schitterend crème-witte bloemen. Die verschijnen eerst in juli. De bloemen hangen in tros aan de takken. De bloemen zijn zo fraai, omdat ze sterk lijken op die van een orchidee. De stamper is bruin van kleur. Daaroverheen ligt een patroon van bordeaux-rode spikkels met aan de uitlopers ervan twee opvallend diepgele honingmerken.

In Nederland zijn er hoogst zelden vruchten te bewonderen; het klimaat is er te laat warm en wisselvallig voor. In streken met een landklimaat komen vruchten alleen tot ontwikkeling bij lange perioden met warmte.
Een bijkomende eigenschap van Catalpa is dat deze muggen en vliegen weghoudt. Je zou een Catalpa daarom dicht bij het slaapkamerraam kunnen zetten.

Schimmel

Een trompetboom kan worden aangetast door een meeldauwachtige schimmel. De aantasting lijkt vooral te maken te hebben met weersomstandigheden. In perioden met wisselende omstandigheden – warmte gevolgd door vocht – neemt de kans op aantasting door de schimmel toe. In ernstige gevallen kunnen delen van de boom of struik afsterven.

Eerste fase: bobbelig blad duidt al op schimmel
Tweede fase: schimmel
op het blad
Derde fase: smeulen van het blad

Dit verschijnsel doet zich bijvoorbeeld ook sterk voor bij de roos, de appel en de peer. Het is lastig om de aantasting geheel en al uit te bannen. Zodra de aantasting wordt herkend, is een bespuiting met Vital (Ecostyle), Sulphon (Ecostyle) of Exact Vloeibaar (Bayer) op zijn plaats.

De schimmel openbaart zich vooral aan of nabij de top van één of meer scheuten. Opvallend is dat vooral jong, nog niet geheel volgroeid blad wordt aangetast. Zelden volgroeide bladen. De eerste fase van aantasting uit zich in bobbelig blad. Bespuit zo snel mogelijk de scheuten, waarop de aantasting zichtbaar is met Vital (Ecostyle).
De schimmel op het blad uit zich in een wit-grijzige waas over (delen van) het blad. Het blad begint zich in deze fase naar binnen te krullen. Wanneer het blad nat is of wordt gemaakt, voelt de schimmel over het blad heel glibberig aan. Een bespuiting met Sulphon (Ecostyle) of Exact Vloeibaar (Bayer) is nodig. Herhaal de bespuiting om de week.
Wanneer niets aan de bestrijding van de schimmelaantasting wordt gedaan, dan begint het blad vanuit de randen zwart te worden. Deze fase wordt ‘smeulen’ genoemd. Langzaam maar zeker verdwijnt het blad geheel. In deze fase moet of het blad worden verwijderd of worden gespoten met Sulphon (Ecostyle) of Exact Vloeibaar (Bayer).

Enkele soorten en cultuurvariëteiten

Catalpa bignonioides De boom wordt breed en heeft een schermvormige kroon. De hoogte is ca 12 meter. Geschikt als solitaire boom en als struik. De bloemen hebben gele strepen op de witte bloemkelk.
Catalpa bignonioides ‘Aurea’ – De kroon wordt op den duur breed ovaalvormig. De hoogte is ca 12 meter. De bladeren zijn bij uitlopen eerst goudgeel; later worden ze lichtgeel. Geschikt als solitaire boom.
Catalpa bignonioides ‘Nana’ – Een aardig, klein blijvend boompje. Deze variëteit is goed toepasbaar in blokvorm of om als parasol te gebruiken. De hoogte wordt ca 4,50 meter. De breedte van ca 3.50 meter is door snoeien heel goed kleiner in omvang te houden. De bladeren zijn licht frisgroen.
Catalpa bungei Ook een klein blijvend boompje met een brede, eironde kroon. De hoogte kan ongeveer 10 meter bedragen, tenzij flink en jaarlijks wordt gesnoeid. Heel geschikt als klein blijvende solitair of als (oprij)laantje toe te passen. Heeft opvallende bladeren, omdat de voet niet hartvormig is. Deze soort is ook te koop als struik. Witte bloemen.
Catalpa speciosa Meer geschikt om in struikvorm geplant te worden. De hoogte kan toch nog zo’n 10 meter worden. De struik groeit schermvormig op. De bladeren zijn opvallend dik en toegespitst van vorm. De schors wil nog weleens barsten door vorst. De bloemen zijn wit en hebben geen paarse vlekken.
Catalpa ovata Een echte boom met een brede, schermvormige kroon. Kan ongeveer 12 meter hoog worden en is dan om en nabij 18 meter breed. De bladeren zijn drielobbig en hebben opvallende oranje strepen. Kenmerkend is dat in de late zomer de lange zwartbruine vruchten als peulen aan de boom hangen. De boom bloeit ook heel fraai met geelachtig witte bloemen.

Tetradium daniellii hupehensis

In oude parken kom je bomen tegen, die wat je noemt ‘in onbruik’ zijn geraakt. In het ‘Mouwtje’ in Bussum, een langgerekt park naar een

T. daniellii hupehensis is als solitair een prachtige boom
T. daniellii hupehensis bloeit in mei – juni met schermen rozewitte bloemen.

ontwerp van D.F. Tersteeg, staat Tetradium. In een catalogus van een boomkweker zul je deze fraaie boom zelden aantreffen. Er is zeker onvoldoende vraag naar. Misschien moet de vraag ernaar daarom maar worden aangewakkerd.

Tetradium daniellii hupehensis behoort tot de familie van de ruitachtigen (Rutaceae). De boom is in 1907 voor het eerst in de Verenigde Staten van Amerika uit Centraal-China ingevoerd. De Fransman L.A. Dode (1875 – 1945) heeft de boom voor het eerst beschreven, maar het was de Duitser G. Forster (1754 – 1794), die de boom in China ontdekte. Tetradium behoort tot dezelfde familie als de lederboom. Voorheen werd de boom Evodia of Euodium genoemd.

Tetradium daniellii hupehensis is een boom van de derde grootte en wordt niet hoger dan zes meter. De bladen zijn vijf tot tien centimeter lang en eirond tot toegespitst. De stelen, waaraan de bladen staan, zijn diepgroen. De bladen hebben wat je noemt een scheve voet. De hoofdvorm (habitus) van de boom is breed opgaand. Eind mei tot ver in juni bloeit de boom met breed piramidale pluimen. Individuele bloemen staan ver uiteen. De kleur is aanvankelijk oranjebruin. Naarmate de bloei vordert, wordt de kleur meer geelgroen. Na de bloei verschijnen weinig vruchten, die qua vorm op kleine noten lijken. Het is een bladverliezende boom.
Tetradium is een gezond uitziende boom, die als solitair in een kleine voortuin of op een groot gazon gezien mag worden. Behalve wat begeleidingssnoei om een goede harttak te vormen is er geen snoeiwerk vereist.

Andere soorten

Tetradium daniellii ‘Moonlight’ heeft bont blad, draagt witte bloemen en bereikt een hoogte van circa 3 meter. Bloei in juli en augustus, goed winterhard.
Tetradium glabrifolium is een sterk aromatische, kleine boom met veervormig tegenoverstaande bladeren, die in lengte variëren van 14 tot 30 cm. Hij draagt tijdens de bloei dichte clusters van kleine, witte, geelgroene bloemen en heeft graag een beschutte plaats in de halfschaduw tot volle zon.
Ook een sterk geurende stuik is Tetradium ruticarpum met zijn glanzend geveerde bladeren, die wel 40 cm lang worden. De bloei is met dichte, eindstandige bloemhoofdjes van kleine groen- of, geelwitte bloemetjes.
Tetradium henryi is een kleine boom of struik met dun, geveerd blad en wordt tot circa 5 meter hoog. Het boompje bloeit in juli met witroze bloemen en is goed winterhard.

De rode vruchtjes verschijnen na de bloei (foto Dick Rakhorst)

Een begin herfst met witte bloemen bloeiende soort is Tetradium velutinum, die circa 3 meter hoog wordt. De bladeren van deze soort zijn zacht behaard. Het boompje is goed winterhard.
Bij de meeste soorten verschijnen na de bloei ronde, vlezige zaadpeulen, die openspringen, waarna de rode vruchtjes te voorschijn komen.

Juglans regia, walnoot

De bakermat van de walnoot (Juglans), ook wel okkernoot of gewoon noot genoemd,

ligt in het zuidoosten van Europa en de gematigde streken van Azië. Vandaaruit is de boom over grote delen van Europa verspreid. Een walnoot wordt 15 meter of meer hoog en zeker 10 meter breed.

Walnotenboom

Het is bepaald geen boom voor een kleine tuin. Je moet er de ruimte voor (over) hebben. Voor de siertuin is de productie van noten minder belangrijk, de fraaie kroon is daar belangrijker. Door het vroege bloeitijdstip en de kwetsbaarheid daarvan voor nachtvorst, wagen zich maar weinig mensen aan het planten van een noot in de tuin. Inmiddels zijn er goede selecties van walnoot, die – geënt op onderstam – een goede notenproductie hebben. En elke noot die eraan komt, is dan mooi meegenomen.

Nutswaarde

In tuinen bij kastelen en buitenplaatsen kreeg de walnoot een voorname rol toebedeeld: pronken met een majestueuze exoot. Bij boerderijen had de walnoot meer een functie om muggen bij de koeienstal weg te houden. De bladeren bevatten juglandine, een stof die muggen op afstand houdt. In de meubelindustrie diende wortelnotenhout voor het fineren van meubelen en werden kleine voorwerpen, zoals dienbladen, ervan gemaakt. Voor de bereiding van notenlikeur worden noten gebruikt.

Onvoorspelbaar

Wie een walnoot eenmaal heeft geplant, moet engelengeduld hebben om de boom te zien bloeien en vruchten te oogsten. In de periode april tot en met mei bloeit de boom. Aan een en dezelfde boom verschijnen zowel manlijke en vrouwelijke katjes. De boom is eenhuizig. Manlijke katjes bloeien soms ver, voordat de vrouwelijke katjes rijpen (protogynisch); vandaar dat de bevruchting soms moeilijk is. In andere gevallen rijpen vrouwelijke vruchtbeginselen eerder dan dat er manlijk stuifmeel vrijkomt (protogynisch). Schommelingen in de temperatuur in het voorjaar zijn verantwoordelijk voor een onvoorspelbaar bloeigedrag en ook vruchtzetting. De vruchtzetting kan ook plaatshebben zonder bestuiving (apomixie).

Bodemkieskeurig

In de eerste plaats moet het walnotenras geschikt zijn voor het heersende klimaat. Geringe verschillen kunnen tot mislukking van de vruchtzetting leiden. Naast een fraai ogende boom is een nootje op z’n tijd toch wel welkom. Een walnoot houdt van een goed ontwaterde, water doorlatende en vruchtbare bodem. De grond mag absoluut niet zuur zijn en moet veel kalk, magnesium, sporenelementen en fosfaat bevatten.
Licht en ruimte zijn de tweede belangrijke eis, waaraan voldaan moet worden, wil je op den duur een goed gevormde boom krijgen. Houd rekening met een kroondoorsnede van tussen de acht tot vijftien meter. Voorafgaande aan het planten moet de grond diep worden losgemaakt, het liefste tot aan het grondwater; een walnoot groeit zowel in de diepte als in de breedte.

Snoeien

Een walnoot moet zo min mogelijk worden gesnoeid. Als snoeien nodig is, beperk de snoeibeurt dan tot het verwijderen van dood hout en het bijstellen van de kroonvorm of -opbouw. Noten worden het beste in volle bladstand gesnoeid: van begin juni tot uiterlijk begin winter of direct na de bloei. Snoeien op een later tijdstip maakt de boom buitengewoon kwetsbaar voor vorstschade. De sapstroom komt al vroeg weer op gang en de boom zal overmatig bloeden met een grote kans op het afsterven van delen van de boom.

Vruchten beschermd met een dikke bolster

Bij het snoeien is het belangrijk geen stompen te laten zitten, die zullen afsterven. Bepaalde soorten verdragen zelfs geen snoei. Snoei nooit terug in overjarig hout. Knoppen op overjarig hout lopen heel moeilijk of niet uit.

Oogsten

Rijpe noten moeten vanzelf uit de boom vallen; plukken is absoluut onnodig. Andere manieren van plukken maken de kans op beschadiging van takken groot met als resultaat het bloeden van de boom. Noten zijn omgeven met een groene bolster, die de eigenlijke vrucht beschermt. De bolster bevat een okergele kleurstof, die moeilijk uit kleding is te verwijderen. Geraapte noten moeten enkele weken worden gedroogd in een goed geventileerde ruimte. Hierna is de eigenlijke vrucht ten minste twee jaar te bewaren.

De vorm van de vrucht hangt samen met de walnootsoort. Zo heeft elke Juglans-soort zowel een eigen verschijningsvorm als tekening op de noot.

     
Vrucht van okkernoot (Juglans regia) is de bekendste noot Vrucht van
Juglans cordiformis
Vrucht van de grijze walnoot
(Juglans cinerea)
Vrucht van de zwarte walnoot
(Juglans nigra)

Ziekten

De walnoot kan worden aangetast door bladluis: de bonte okkernootbladluis (Chromaphis juglandis) en de gele okkernootbladluis (Chromaphis juglandicola). Door het zuigen van bladluizen kan een walnoot gevoelig worden voor de bacterieziekte (Xanthomonas juglandis). De ziekte veroorzaakt bruine vlekken op blad en bolster. De vruchten binnen de bolster kunnen zwart worden en verslijmen. Een late infectie veroorzaakt nauwelijks schade. Een walnoot wordt gevoelig voor bacterieziekte als te veel wordt bemest. Op een schrale grond komt de ziekte veel minder voor en is sterk afhankelijk van het ras. De aantasting is te bestrijden met een koperoxychloride houdend middel of Asepta Nexion, Kerex-insecticide en Thiodan emulgeerbaar.

Rassen

De onderstam waarop een noot is geoculeerd, bepaalt de vruchtbaarheid, de vorstgevoeligheid en de resistentie tegen ziekten. Vraag bij aanschaf van een walnoot naar:
a. de eigenschappen van de onderstam
b. de herkomst van de boom – in hetzelfde (woon)gebied geteelde bomen zijn beter geschikt voor aanplant

‘Amphyon’ – Ras is geschikt voor Noord-Nederland. De boom loopt laat uit, zodat er minder kans is op vorstschade. Boom met tot tien meter brede kroon, breed uitgroeiend. Op jonge leeftijd draagt de boom al redelijk goed. De vrouwelijke vruchtbeginsels zijn zelf bevruchtend. Vruchten rijpen vanaf half oktober. Noot is langer dan breed en heeft diepe groeven. De vruchten vallen van de boom zonder bolster. Smaak van de vrucht is uitstekend. Weinig gevoelig voor ziekten.
‘Broadview’ – Boom afkomstig uit de Karpaten. Zeer winterhard, maar weinig geschikt voor noordelijke streken. Uitstekend geschikt in gebieden beneden de grote rivieren. Zeer productief ras, zelfs op jonge leeftijd. Boom met matige groei. Op latere leeftijd neemt de groei sterk af en wordt veel kortlot gevormd. De bloemen zijn niet zelf bevruchtend; nabijheid van een ander ras is nodig om vruchtzetting te garanderen (protandrisch). Vruchten langwerpig met weinig groeven. De vruchten vallen uit de boom zonder bolster. De noot is iets bitter van smaak. Plant de boom met de plaats van veredeling net onder de grond. Dit voorkomt een scheve groei.
‘Buccaneer’ – Boom sterk opgaand, met smalle, hoge kroon. Er worden geen kortloten gevormd. Minder geschikt voor noordelijke gebieden. De productiviteit is matig, maar treedt vroeg in. De boom is zelfbestuivend (protogynisch). Met een andere noot in de buurt is de vruchtzetting beter. Door het late uitlopen van de knoppen is de boom weinig vorstgevoelig. De noten zijn groot, maar kort en breed en hebben weinig groeven. Vanaf eind september tot half oktober vallen de noten uit de boom. De smaak is iets bitter. Weinig ziektegevoelige boom. Ooit was deze noot een van de beste (Nederlandse) selecties.

Prunus padus, de vogelkers

De vogelkers is een aantrekkelijke boom voor gebruik in een middelgrote of stadstuin. Het is zeker een boom die op prijs gesteld wordt door mensen, die niet te veel onderhoud aan een boom willen hebben. Probleemloos is de boom niet; wortelopslag komt nogal eens voor.

Plaats de boom daarom in een brede border met daaronder heesters, dan is er minder

Prunus padus is pas na de bloei in trek bij vogels

overlast door worteluitlopers. De vogelkers (Prunus padus) staat bekend om zijn rijke voorjaarsbloei. De overdadige, witte bloesem in april tot begin mei is aantrekkelijk. De bloemen staan in lange trossen tot twintig centimeter lang. De bloemen zijn stervormig, tweeslachtig en hebben vijf kroonbladen. In het najaar zijn de zwarte, erwtgrote steenvruchtjes zeer in trek bij vogels; bij mensen niet. Vruchten zijn of onderstandig of bovenstandig.
De vogelkers (Rosaceae) komt van nature voor in Zuidoost- en Midden-Nederland en is te vinden op vochthoudende zand- en leemgrond. Langs boszomen en op open plaatsen in het bos is een vogelkers meestal struikachtig van vorm. Voor de tuin wordt een vogelkers op stam gekweekt of is als struik te koop. Van oorsprong komt de vogelkers uit Eurazië en wordt daar tot vijftien meter hoog. In de tuin wordt de struik of boom (gewone Prunus padus) tien tot twaalf meter hoog en zes tot acht meter breed. De kroonvorm is breed piramidaal. De bladen zijn mooi donker olijfgroen en zijn langs de rand fijn gezaagd en licht behaard. In het najaar verkleurt het blad naar opvallend geel tot oranjegeel.

Variëteiten

Prunus padus ‘Albertii’, met eivormige kroon. Tot acht meter hoog.
Prunus padus ‘Colorata’, kroon met breed uitstaande takken. Tot twaalf meter hoog. Blad loopt bruinrood uit, later is de bovenkant donkergroen en de onderkant wijnrood. Bloemen zuiver roze.
Prunus padus ‘Watereri’, heeft een breed overhangende kroon. Tot vijftien meter hoog. Bloemen wit.
Prunus padus ‘Pandora’, kroon zuilvormig. Geschikte boom voor een voortuin. Wordt tot vijf meter hoog en drie tot vier meter breed. Blad loopt bruinrood uit, later groen. Bloem lichtroze.

Ptelea trifoliata, de lederboom

‘t Is jammer, dat sommige bomen niet gekend worden. Dat kan zeker gezegd worden van de lederboom. Een enkele keer is de boom te zien in negentiende-eeuwse parken. In ontwerpen van Zocher en Springer, bekende tuinarchitecten van enkele bekende parken in Nederland, komt de boom wel voor.

De lederboom heeft een brede,
ovale kroon

Een lederboom is geschikt voor een middelgrote tuin. ‘t Wordt tijd, dat de lederboom wordt gekend.

De lederboom behoort tot de familie van de ruitachtigen (Rutaceae). De boom bloeit in hoofdzaak in mei – juni met tamelijk platte schijnschermen vol witte bloemen. De bladen zijn ovaal en hebben een gave rand. Het blad doet bij een vluchtige beschouwing denken aan dat van sering. Ptelea is in 1704 in Engeland ingevoerd uit het herkomstgebied Noordoost-Amerika. Daar groeit de boom in gebieden met een koel klimaat. De boom groeit langzaam en wordt tot ongeveer acht meter hoog.

De lederboom is familie van Poncirus. Het blad bezit oliehoudende klieren, die bij kneuzing een tamelijk onaangename geur verspreiden. Zoals de tweede naam aangeeft, staan de bladen met z’n drieën bij elkaar.

Ptelea trifoliata bloeit met geelgroene schermen

De stengels zijn sterk vertakt, waardoor de boom in de zomer door het vele blad een bossig karakter heeft. In het najaar verkleuren de bladen naar goudgeel. Een lederboom groeit met name op rijke humusgrond. In ieder geval moet de bovenlaag vocht goed kunnen vasthouden. Een dikke laag met bijna verteerd blad kan in een wijde cirkel rondom de stam worden gelegd. Hierdoor ben je verzekerd van goede regulatie van vocht, waar de boom beslist niet zonder kan. In natuurlijke omstandigheid groeit de boom vrijwel altijd in de halfschaduw van hogere bomen, maar het is niet beslist noodzakelijk deze biotoop na te bootsen. Een andere bijzonderheid van deze boom is de mooie, diepbruine bast. De bast is op oudere leeftijd vrijwel glad en vertoont dan nerven, die voor doorleefd leer ook zo karakteristiek zijn.

Snoeien

Een lederboom heeft geen begeleidende vormsnoei nodig. De snoeischaar kan in de kast blijven liggen. Wie een lederboom als struik koopt, kan een scheut opleiden tot stam/hoofdspil. In dat geval worden alle overige scheuten verwijderd. Deze hoofdspil moet worden aangebonden aan een stevige stok of paal om steun te geven en een rechte stam te vormen. Scheuten van de lederboom zijn in jonge toestand nogal slap. De zijscheuten van de spil worden ongemoeid gelaten. In principe verdraagt een lederboom sterke snoei. Als er al gesnoeid moet worden, is de periode einde winter – begin voorjaar daarvoor het aangewezen tijdstip.

Pterocarya fraxinifolia, de vleugelnoot

Kaukasische of gewone vleugelnoot is een boom, die het beste als solitair in een grote tuin uitkomt. In parken zie je de boom meestal als solitair, maar je kunt er ook een indrukwekkende laan mee maken. De boom wordt 20 tot 25 meter hoog.

Karakteristiek voor vleugelnoot is de veelarmigheid van de kroon

De naam van vleugelnoot heeft te maken met twee vleugels waartussen de vrucht zit.

Vleugelnoot vormt een dicht bladerdak. Het nadeel is dat onder de boom weinig wil groeien. Een ander nadeel is dat de boom met regelmaat worteluitlopers vormt. Her en der verschijnen dan kleine ‘boompjes’ op de worteluitlopers.

Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) komt uit de Kaukasus en Armenië. Hoe ouder de boom wordt, des te meer kurklijsten komen er op de stam en takken.
Andere vleugelnoten zijn: Chineese vleugelnoot (Pterocarya stenoptera) en Japanse vleugelnoot (Pterocarya rhoifolia). Beide soorten zijn in Nederland onvoldoende winterhard. Pterocarya behoort tot de familie van de okkernoten (Juglandaceae) en is dus een stamgenoot van onder andere de walnoot.

 
Blad van vleugelnoot staat in paren Knoppen van vleugelnoot hebben geen knopschubben. Ze zijn bezet met sterharen

Blad

Karakteristiek voor vleugelnoot zijn de lange stelen (25 – 40 cm) met daaraan de jukken met bladparen. Aan het einde van de steel staat één blad haaks op de jukken. Het blad is aan de rand fijn gezaagd. Aan de onderzijde van het blad zijn de bladhoeken bezet met sterharen. Het blad is in de zomer donker olijfgroen, in de herfst goudgeel gekleurd.

Knoppen

Nieuwe knoppen zijn bruin. Ze staan verspreid op de takken en stengels. Al in het najaar zijn de knoppen goed te zien. Dit maakt de toekomstige uitlopers kwetsbaar voor vorst. De knoppen zijn naakt en worden licht beschermd door een dichte tooi van bruine sterharen.

  Vrucht van vleugelnoot heeft vleugels
Vruchten van vleugelnoot hangen in lange slierten overal in het rond Van dichtbij is duidelijk de ronde vrucht (noot) met vleugels te zien

Vrucht

In mei bloeit de boom met kleine citroengeel gekleurde bloemen. De bloemen hangen in trossen als katjes verspreid door de hele boom. Daarna zwellen de trossen op, de vruchten worden zichtbaar en krijgen vleugels rondom de noten. De vleugels zijn bijna even lang als breed en soms wel een centimeter dik. Bij hevige storm waait de gevleugelde noot van de tros af of waait de tros in z’n geheel van de boom.

Onderhoud

Verwijder zo snel mogelijk alle opslag op worteluitlopers. Hoe langer je daarmee wacht, des te meer opslag komt er boven de grond. Verwijder de opslag zo diep mogelijk; het beste is tot op de worteluitloper(s).

Snoeien

Snoeien uitsluitend aan het einde van de winter. Snoeien in de herfst veroorzaakt verdroging van bast (cambium) en merg en leidt tot scheuren. Een eventuele snoeibeurt kan het beste worden uitgevoerd als de kans op (nacht)vorst voorbij is. Vleugelnoot is en blijft gevoelig voor vorst. Snoeien is alleen nodig om laag hangende takken te verwijderen. Takken die de grond raken, kunnen in de grond gaan wortelen. Bij oude bomen worden knoppen, die de kans op de vorming van nieuwe laag hangende takken groot maken, van de stam afgewreven.

Pyrus calleryana ‘Chanticleer’, de sierpeer

Een peer hebben we allemaal wel eens zien bloeien. Sierpeer in bloei is één en al bloesem vergeleken bij de matige hoeveelheid bloemen die een gewone peer voortbrengt. Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ is een prima straatboom en goed te gebruiken als solitair in een middelgrote tuin.

Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ (Rosaceae) is een half groenblijvende boom uit China.

Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ bloeit einde maart tot halverwege april

Het is een boom uit het dertig soorten tellende geslacht. Deze boom groeit met een vaasvormig opgaande kroon. De uiteindelijke hoogte ligt tussen tien tot achttien meter. De bladen zijn breed elliptisch en glimmend groen. In de herfst kleuren de bladen prachtig van magentarood naar oranje en geel. De boom is uitstekend bestand tegen hitte, droogte en felle wind. Daarom is het een geliefde straatboom en zonder meer geschikt als solitair in de tuin. Deze sierpeer heeft geen last van ziekten,

Pyrus heeft vijftallige bloemen

die in het algemeen kunnen voorkomen op perenrassen, zoals schurft.

De bloei begint omstreeks half maart.Takken en stengels zijn overdekt met een massa witte bloesem. Tot ongeveer half april lijkt de boom overdekt te zijn met laat gevallen sneeuw. De bloemen hebben vijf kelkblaadjes met in het midden de stamper met meeldraden. Na de bloei verschijnen kleine, bruine, maar niet eetbare vruchten.
Pyrus calleryana heeft weinig snoei nodig. Hooguit worden aan het eind van de winter beschadigde of dode takken verwijderd. Zorg ervoor, dat licht goed in de kroon kan vallen. Snoei zo nodig in de kroon enkele takken weg. Wie deze boom op rij wil planten, houdt een onderlinge afstand van acht à negen meter – hart op hart – aan.