Stippelmot spint zich in

Aan het begin van de zomer, wanneer alle bomen en struiken weer getooid zijn met fris nieuw blad, valt een kaal gevreten boom of struik des te meer op. Larven van de stippelmot vreten aan zaden en bladeren van appelachtigen

Stippelmotten overdekken in mei sommige bomen of struiken met hun nesten

(Rosaceae) en spinnen zich helemaal in. Enorme nesten van gesponnen draden geven bomen of struiken een spookachtige gedaante. In deze nesten verpoppen de larven zich eerst tot rups en later tot vlinder.

De stippelmot of spinselmot (Hyponomeuta padellus (syn. Yponomeuta padellus) is een ware plaag. In korte tijd worden o.a kers, sierkers, appel, meidoorn, kardinaalsmuts of peer van hun groene bladeren ontdaan door de vraatzucht van de larven en rupsen. Ook de olijf kan door een stippelmot (Prays oleellus) worden aangetast, al komt dat in Nederland zelden voor. Gelukkig brengt stippelmot maar één generatie per jaar voort. Volwassen exemplaren van de vlinder zetten een reeks eitjes in groepen van twintig tot vijftig stuks af. De eieren worden dakpansgewijs op de takken van de boom afgezet. De uitkomende larven bevrijden zich in eerste instantie niet uit het ei, maar doorboren op een punt de schaal.

 
Stippelmot leeft in het stadium van jonge rups in een dicht spinsel Hyponomeuta padellus, in het stadium van rups, leven in kolonies

Met de beschutting van de schaal en wat spinsel daaromheen, brengen ze de winter door. In mei verlaten de larven de beschutting van de eischaal. In deze gedaante omgeven ze zich met een wirwar aan spinseldraden en beginnen te vreten aan alles, wat van hun gading is. In de volgende cyclus veranderen ze van gedaante en worden rups. Wat dan nog groen is, vindt geen genade bij deze onverzadigbare rupsenkolonie. Ze hebben dekking tegen vogels binnen het dichte spinselnet.

De stippelmot of spinselmot ontwikkelt zich in later stadium (juni) tot een onaanzienlijk klein vlindertje. De hoofdkleur van de vlinder is wit met

Ook op de meidoorn (Crataegus) komen nesten van stippelmot voor

zwarte spikkels op de vleugels. De stippelmot richt grote schade aan. Sierheesters herstellen zich meestal in de loop van de zomer en krijgen opnieuw blad. Wie toch van het leed door stippelmot wil worden verschoond, zal een bestrijdingsmiddel moeten gebruiken. De bestrijding moet plaatsvinden, voordat de spinselwebben met rupsen worden gevormd.

Bestrijdingsmiddelen:

Bromofos, een weinig giftig middel, dat niet giftig is voor bijen. Merk: Asepta Nexion.
Deltamethrin, een giftig middel tegen tal van insecten. Giftig voor bijen en vissen. Merk: Denka Decis.

Lees altijd de voorschriften op de verpakking, voorkom ongelukken!

Slakkeninvasie is ongelijk aan slakkengang

Op het veld, in de tuin en ook in hun blootje: slakken kunnen een ware plaag zijn. Door aangevreten bladeren en stengels verraden ze hun aanwezigheid. Een enkele soort laat een zilvergrijs spoor na op tegels en andere verhardingen. Hun dagelijks leven lijkt een mysterie? Een tipje daarvan lichten we hier op. Aan de hand van de bekendste slakken: de tuin-, de veld- en de naaktslak. En mocht u last hebben van een invasie – door natte zomers voelen ze zich héééérlijk: we eindigen met een remedie.

Een beetje anatomie

Van alle in Nederland voorkomende slakken is de tuinslak wel de bekendste. De tuinslak, veldslak en naaktslak behoren alle tot de familie van de Gastropoda, dat zoveel betekent als ‘over de buik bewegend’ (gaster = buik,maag; poda = voet). Ze behoren tot de orde van de Stylommatophora of landlongslakken. De tuinslak, de wijngaardslak, de veldslak en de naaktslak behoren op hun beurt weer tot de onderfamilie van de Pulmonata en dat verklaart het woord long (pulmon = long).

1. Mantel
2. Anale opening
3. Afgescheiden schelp in de mantel
4. Sluitspier
5. Voet (voor voortbeweging)
6. Darm
7. Mond
8. Voelhorens

Van alle slakkensoorten leeft maar een beperkt deel op het land; de meeste leven in het water. Ook niet alle slakken hebben een typische spiraalvormige schelp. Wanneer een schelp het omhulsel vormt van deze weekdieren, dan kan die heel verschillend van tekening en kleur zijn. Soms ook heeft de schelp scherpe stekels of vertoont ronde bobbels. Ook niet alle schelpen hebben dezelfde vorm: er zijn torenvormige, grof kegelvormige, afgeplatte en ronde schelpen. De schelp is – populair gezien – het huisje, waarin het dier leeft. Het heeft als doel om het weke en weerloze dier te beschermen tegen vijanden en al te felle zonneschijn.
De schelp is opgebouwd uit drie lagen: de buitenste laag (periostractum) bestaat uit een chitineachtige stof die afgedekt is met parelmoer, de tweede laag is opgebouwd uit kleine kalkprisma’s die loodrecht op het oppervlak staan. De derde laag bestaat uit een afwisselende reeks van kalkprisma’s en chitine. De opening in de schelp, waardoor het lichaam van de slak naar buiten steekt, heet de mondrand (peristoom) (peri = buiten; stoma = opening). De slak kan deze opening afsluiten met een slijmerige stof (epifragma), die behoorlijk hard kan worden.

Slakken kenmerken zich door een goed ontwikkelde voet en de kop. In de voet bevindt zich een huidplooi, de mond, die in verbinding staat met de buitenwereld. De mond staat ook in verbinding met de darm en die eindigt uiteindelijk in de anale opening. Achter de mond zit een soort rasptong (radula), die uit een reeks hoornen tandjes bestaat. De tandjes staan in drie rijen naast elkaar. Het eerste deel van de slokdarm is verwijd en wordt krop genoemd. In de maag is een grote, dikke klier (hepato-pancreas) aanwezig, die een stof afscheidt om het voedsel te verteren.

De voet is een langgerekte spiermassa en voorzien van een voetzool. De voetzool sleept over de grond. De voortbeweging vindt plaats door een afwisselend samentrekken en ontspannen van de spiermassa in de voet, waarbij het middendeel (mesopodium) het leeuwenaandeel verzorgt. Op de kop van een slak staan de twee typerende ‘voelhorens’. De ogen liggen aan het buiteneinde van die voelhorens. In de mantelholte van de schelp bevindt zich het hart, de ingewandszak, het ademhalingsorgaan, het reukorgaan, het voortplantings- en uitscheidingsorgaan.

Frisse en schaduwrijke plaatsen

Bijna alle slakken leven vrij en een klein aantal parasitair. In volwassen stadium kleven de landslakken zich aan de bodem vast door een stof die ze afscheiden van hun schelp. Slakken ontvluchten altijd de felle zonnestralen en zoeken frisse, koele plaatsen op. Het schelpvormige omhulsel helpt ze te beschermen tegen uitdroging. Vochtige plaatsen zijn dan ook favoriet als schuilplaats. Na een regenbui is het opvallend dat ze de beschutte plaatsen snel verlaten; immers, alles is vochtig geworden. Tegen de winter, wanneer het kouder wordt, zoeken de slakken een geschikt plaatsje onder

De tuinslak: een veel geziene, maar ongenode gast

bladeren of in de grond om te kunnen overwinteren. Ze sluiten de schelpopening af met het epifragma. In feite kunnen slakken een heel lange tijd koude weerstaan zonder daar te nadelige schade van te ondervinden.

Tuin- en naaktslakken

De lekkerste slak is ongetwijfeld de wijngaardslak (Helix pomiata), de vervelendste zijn de tuinslak (Cepaea nemoralis) en de veldslak (Helix nemoralis) en de vraatzuchtigste is de akkeraardslak (Limax agrestis), die bovendien ook nog eens naakt is.

De tuinslak is overwegend bruin met gele of crème strepen of

De naaktslak: de vraatzuchtigste

spikkels op de schelp. Beide soorten leven of op de grond of op planten. Hun hoofdvoedsel bestaat uit verkauwde gronddeeltjes die worden aangevuld met sappen van planten.

De naaktslak heeft geen schelp maar soms een verhoornd middendeel op de rug. Echt vraatzuchtig wordt grote schade toegebracht aan allerlei groeiende gewassen.

De veldslak is de meest voorkomende slak in Nederland. De schelp is niet groter dan 3 cm, gedraaid en met gele, roze en bruine lengtestrepen getooid.

Remedie

Hoeveel slakken u in uw tuin hebt of krijgt, kan nog wel eens van jaar tot

De veldslak: een weinig opvallende scharrelaar

jaar verschillen. Dit heeft te maken met temperatuur en vocht en vooral de combinatie van die twee op een voor de slak gunstig moment. In droge zomers is het aantal slakken beduidend minder dan in vochtige en warme zomers. Bij het optreden van grote aantallen speelt de beschikbaarheid van voedsel een grote rol: planten moeten het dan extra ontgelden. Desondanks zijn er planten in de tuin waarop slakken zich so-wie-so graag ophouden om zich er te goed aan te doen. Onder andere Hosta, Ligularia, Iberis, sla enzovoort worden steevast bezocht.

Bestrijding

De bestrijding van slakken is geen eenvoudige zaak. Denk je de plaag onder de knie te hebben, dan kunnen ze plotseling weer, en in grote aantallen, verschijnen. Voortdurende waakzaamheid is zonder meer geboden. Natuurlijke vijanden hebben slakken ook wel zoals de egel, kraaien en eksters. Waar die beesten zich echter ophouden en wanneer het hun behaagt om de tuin eens te ontdoen van die lastige slakken, is een vraag die zoveel tijd vergt om een antwoord op te bedenken, dat het aantal slakken zich in die tijd wel verdrievoudigd heeft.
Een huis-, tuin- en keukenmiddeltje is letterlijk ‘zout op slakken leggen’. Maar dat is alleen van toepassing op naaktslakken en… het werkt. Het is geen aantrekkelijk gezicht om een slak zo te zien verschrompelen. Oppakken en via de vuilnisemmer afvoeren kan natuurlijk ook nog. De tuin- en veldslak kunnen worden geraapt of met een middeltje worden bestreden. Tegenwoordig zijn er goede (biologische) bestrijdingsmiddelen te koop. Het bijeenrapen kan wat versneld worden door een schotel of ondiepe pot met wat bier te vullen. Het gist in het bier lokt slakken naar ‘de val’ toe. Zolang het bier niet verslagen of verdund is door regenwater, werkt het redelijk goed. Eenvoudiger is het om een middel te strooien: dan heb je er geen omkijken meer naar en de slakken verdwijnen vanzelf. Die middelen zijn onschadelijk voor kat, hond en mens.

Middelen

– Naaktslakken
Te bestrijden met behulp van Nematoden (Phasmarhabditis). Middel onder de merknaam ‘Nemaslug’ van Brimex (postbus 4784, 4803 ET Breda). Het is werkzaam bij een bodemtemperatuur van tussen 5 – 20° Celcius. De aaltjes worden in een kleisubstantie geleverd. De klei moet in water worden opgelost. De verpakking is goed voor 40 m². Gebruik 1 liter per m².
Strooimiddelen: Escar-Go van ECOstyle of Slakkendood van ASEF.
Het middel Escar-Go bevat als werkzame stof ferrifosfaat. Het middel is onschadelijk voor kinderen, huisdieren, egels, padden en vogels. Na toepassing blijven er geen resten van de slak of slijmsporen over. In de natuur komt de verbinding vrij voor in de bodem; het wordt in de bodem omgezet tot voedingsmiddel voor gewassen.
– Tuin- en veldslakken
Te bestrijden met Slakvrij en Escar-Go van ECOstyle en Slakkendood van ASEF.

Het duist’re leven van pissebedden

Pissebedden (Oniscus asellus L.) zijn tamelijk platte, grijze, veelpotige dieren. De rug van een pissebed bestaat uit over elkaar liggende schubben, die een pantser vormen. Aan iedere kant van de onderbuik bevinden zich zeven poten. Toch bewegen deze beestjes zich wat sloom. Bij aanraking hebben ze zelfs de neiging zich als een balletje op te rollen.

Dat is geen probleem, want met de maaibeweging van hun poten kunnen ze zich laten kantelen, zodat ze weer op hun pootjes terechtkomen. Het rugpantser is in het algemeen grijs-zwart of bruin. De onderbuik (ook geleed met schubben) is meestal grijs of licht-bruin. De over elkaar liggende schubben hebben een functie in de verdediging tegen vijanden. Bij aanraking of aantikken van het pantser schuiven de schubben razendsnel over elkaar; het volume wordt teruggebracht tot een bolvorm. In normale toestand is de pissebed langgerekt van vorm.
Aan de voorzijde, bij de kop, bevinden zich tussen de ogen twee lange voelsprieten. Zowel voelsprieten als poten zijn de meest kwetsbare delen. Ze zijn echter niet van belang in het voortbestaan van de pissebed. Uiteraard kunnen niet alle poten worden gemist, essentieel als ze toch wel zijn om voedselbron en schuilplaats te bereiken…

Voortplanting

Pissebedden planten zich voort door middel van eieren. Zelden kun je deze met het blote oog waarnemen. Uit de eieren komen de larven voort. Deze lijken op de oudere dieren, maar zijn aanvankelijk wit van kleur.

Waar en waarvan leven pissebedden?

De beestjes zult u zelden overdag waarnemen. Ze zijn het meest actief bij donker weer en vooral in de nacht. Het is daarom niet zo verwonderlijk dat ze aan te treffen zijn onder gevallen blad, onder puin en onder los geplaatste bloempotten. In ieder geval zijn het bewoners van schemerige situaties, die vooral enigszins vochtig zijn. Kenmerkend is verder dat ze in groepen leven. Overigens is er betrekkelijk weinig bekend over de pissebed, dus veel literatuur is er niet.
De belangrijkste voedingsbron wordt gevormd door het uitkauwen van humeuze grond. De bijna verteerde humeuze resten in de aarde bevatten kennelijk voldoende stoffen voor een goed, maar kort leven. Bij gebrek aan voldoende humeuze aarde wil het voorkomen dat de beestjes vraat veroorzaken aan vooral vlezige plantendelen. Pissebedden leven ongeveer één tot anderhalf jaar, mits ze een goede schuilplaats om te overwinteren vinden. Al in het vroege voorjaar wordt gezorgd voor nakomelingen. Ze vermenigvuldigen zich voortdurend, behalve in hete zomers.

Wat doe je ertegen?

Pissebedden veroorzaken weinig schade aan planten in pot of tuinplanten. Is er wel schade, dan kan dit waargenomen worden aan afstervende plantendelen. De schade zal echter nooit groot zijn!
De natuurlijke vijand van pissebedden is de egel. Deze scharrelt ook bij uitstek in de avond en nacht z’n voedsel bij elkaar. Op een balkon zal echter geen egel kunnen komen, zodat bij grote overlast een andere manier van verdelgen nodig is. De eenvoudigste manier is de beestjes te vangen. Snel een bloempot oplichten en ze met stoffer en blik bij elkaar vegen. Dit wel later geregeld herhalen!
Lukt dit niet voldoende, dan is er een aantal middelen, ook milieuvriendelijke, te koop. Onder andere pissebeddenlijmvallen (de lijmvellen hiervoor zijn los te koop) en ongediertesprays van diverse fabrikanten ter bestrijding van kruipende insecten, zoals pissebedden, kakkerlakken, mieren e.d.

De topvijftien van lastige onkruiden

Wat zijn onkruiden? Voor de één is onkruid een acceptabele plant, voor de ander een plant waar je het liefst zo snel mogelijk vanaf wil. In ieder geval ga ik er maar van uit dat het woordje ‘on’ op ongemak, onmogelijk, ongewenst of ongepast slaat. Onkruiden zijn dan planten die we niet willen hebben naast wel gewenste planten. Waarom willen we ze niet hebben?
Meestal omdat we ze niet mooi vinden of omdat ze met andere, mooiere planten in concurrentie staan. Concurrentie op leven en dood. Daarmee speelt de wet van de jungle ofte wel het recht van de sterkste zich ook af in ons miniparadijs. Met de mens als intermediair en beslisser over leven en dood.

Selectie is er in het milieu altijd. Bodem, vochtgehalte en temperatuur zijn belangrijke factoren in het voorkomen, waar ook ter wereld, van vegetaties. Daarin heeft de mens zich gemengd. In de beheersing van de natuur slaagt hij maar ten dele. Selectie van welk kruid mag en welk kruid niet, is bijna een dagtaak geworden. Naast de taak om zelf te overleven. Van oudsher speelde de hak (landbouwwerktuig) een belangrijke rol in de totstandkoming van cultuurlandschappen. De vindingrijkheid van de mens heeft ertoe geleid dan een systematische uitroeiing binnen zijn mogelijkheden is gekomen. Chemische onkruidbestrijding leek het einde en was ook bijna het einde geworden van diezelfde mens. De schadelijke gevolgen van al die tovermiddelen bleven niet uit; stapeling van negatieve milieu-effecten leidde ertoe dat de voedselketen van de mens in het geding is gekomen. Terug naar af?

Met een lans breken voor weer gaan schoffelen of ongewenste kruiden handmatig verwijderen, word je niet populair. De mens heeft haast en weinig geduld. Zeker wanneer het inzicht groeit dat het in feite vechten tegen de bierkaai is. Ongewenste kruiden komen en groeien, daar hebben wij geen vat op. Grijpen naar chemische bestrijding, ook al hangt het etiket ‘verantwoord biologisch’ eraan, is het inslaan van de weg van de minste weerstand. Gewin op korte termijn, dat zeker. Op langere termijn gezien een heel schadelijke manier met als afloop vernietiging van complexe (eco)systemen, waarvan wij nota bene zelf onderdeel zijn.

Het motto is dan ook: grijp de schoffel, de schrepel of steek de handen uit de mouwen om niet gewenste kruiden te verwijderen, ook al is de strijd ongelijk.

Wortel- en een- of meerjarige onkruiden

Het verschil tussen wortelonkruid en onkruidgroei die voortkomt uit zaden, zal u waarschijnlijk een zorg zijn. Wie serieus, ongewenst kruid te lijf wil

Haagwinde groeit in hagen en bomen. Het is een snel woekerend onkruid, dat met aardige, witte bloemen bloeit

gaan, zal toch iets moeten weten over hoe zo’n kruidje groeit.
Wortelonkruid blijft (meestal) meer jaren uit de grond naar boven komen. Ze hebben een uitgebreid wortelgestel of penwortels.
Een- of meerjarige kruiden zaaien zich meestal uit. Je moet goed opletten wanneer ze uitgebloeid raken en ingrijpen door te wieden nog voor ze zaad kunnen vormen.
Beide vormen van onkruid zijn lastig om ervan af te komen. Zaadvormers zijn ons vaak te snel af. Voordat je er erg in hebt, staat de tuin weer vol met ongewenste nakomelingen. Schoffelen van wortelonkruid staat gelijk aan vermeerdering ervan. Zolang de (pen)wortel niet volledig is weggehaald, blijven het komen.

Bestrijding

De meest gestelde vraag rond het thema onkruid is wel: ‘Hoe kom ik ervan af?’ Definitief begrijpen wij dan meestal. Het antwoord is teleurstellend: nooit. Hulpmiddelen, in de vorm van een chemisch middel helpt natuurlijk wel, al is het soms maar voor even. Ook hier geldt het motto opgestaan, plaatsje vergaan. Is het ene lastige kruid verdwenen, dan staan er weer andere kruiden klaar om hun plaats in te nemen. De consument (en de natuur) armer, de chemische industrie rijker. In dit geval: gebrek aan tijd en geduld kost geld. Na al dit trieste is er ook nog wel iets positiefs te melden over onkruiden. Sommige kruiden zijn indicatoren voor een bepaalde gesteldheid van de bodem.

‘Klaproos’ is een indicatorplant voor een opengemaakte, losse grond. ‘Muur’ groeit op vette, voedingsrijke grond. ‘Zevenblad’ staat voor losse grond. ‘Schapenzuring’ is typisch voor arme, uitgemergelde grond. ‘Brandnetel’ komt aan z’n trekken op stikstofrijke grond.

Een- of meerjarige onkruiden

    Kleine veldkers
Muur groeit op goede grond Canadese fijnstraal groeit op zandgrond Kleine veldkers is bijna onuitroeibaar

– Muur (Stellaria media)
groeit op voedselrijke grond, vooral na een bemesting met stalmest. Het kruid is gemakkelijk te schoffelen of met de hand te rapen. Voordat het bloeit, is de beste tijd om het te verwijderen.
– Canadese fijnstraal (Erigeron canadensis)
kan worden gewied en met de schoffel worden verwijderd. Het groeit op verwaarloosde grond.
– Kleine veldkers (Cardamine hirsuta)
groeit en bloeit het hele jaar. Door de kleine bloempjes springt de bloei nauwelijks in ‘t oog. Voordat je het weet staat de tuin er vol mee. Het kan worden weggeschoffeld.

 
Kruiskruid loopt zelfs nog in het zaad, nadat er is geschoffeld Tuinwolfsmelk komt algemeen
in tuinen voor

– Kruiskruid (Senecio vulgaris)
is een veel voorkomend onkruid. Op vochtige en voedinghoudende grond groeit die als de beste. De bloemhoofdjes bevatten honderden zaden. Zelfs als de plant wordt geschoffeld, kan er zich nog zaad vormen. Voor je er erg in hebt, staat je tuin er vol mee.
– Tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus)
komt algemeen voor. Het is door schoffelen en handmatig wieden goed onder de duim te houden. Enkele keren per jaar is wieden wel nodig. Hoe meer de grond door gewenste kruiden is bedekt, des te minder is het nodig om te wieden.

Wortelonkruiden

   
Kweekgras verspreidt zich razendsnel met ondergrondse worteluitlopers Zevenblad brengt menig tuinier tot wanhoop, maar het is net zo lekker als spinazie Akkermelkdistel moet met wortel en al worden gerooid

– Kweekgras (Elytriga repens)
is een lastig onkruid. Het woekert door andere planten heen om zo snel mogelijk territorium te veroveren. Laten we het uitgroeien, dan verstikken andere planten. Rooien met een riek en eventueel zeven van de grond is een goede manier om er vanaf te komen.
– Zevenblad (Aegopodium podagraria)
hanenpoot is een heel lastig onkruid. Als je er eenmaal mee bent opgezadeld is het moeilijk er weer vanaf te komen. Via worteluitlopers zwermt de plant in een hoog tempo over grote oppervlakten uit. Zijn ze uitgegroeid, dan verstikken de bladeren en het ondergrondse wortelgestel al het andere leven. Ze bloeien met witte bloemen. Het jonge blad is voor sommige mensen een lekkernij en wordt als spinazie bereid. Telkens opnieuw rooien van de wortels is de enige manier om er vanaf te komen.
– Akkermelkdistel (Sonchus arvensis)
moet met wortel en al worden gerooid. Achterblijven van de wortel leidt onherroepelijk tot een nieuwe plaag. Rooien met een greep is het beste om alle worteldelen boven de grond te krijgen. Het onkruid groeit niet overal.
– Haagwinde (Convolvulus sepium)
slingert zich in bomen, struiken en hagen. Het kruid is algemeen voorkomend en soms lastig te bestrijden als je er niet op tijd bij bent. De witte bloemen worden bezocht door bijen, hommels en avondvlinders.

    Brandnetel
Paardebloem moet met penwortel worden gerooid Adelaarsvaren komt op zure grond voor; worteluitlopers zorgen voor een ware plaag Brandnetel kent iedereen wel, al is ‘t maar door de brandharen

– Brandnetel (Urtica dioica)
kan gemene jeuk veroorzaken bij aanraking. De plant moet met wortel en al worden gerooid. Van de brandnetel kan brandnetelgier worden gemaakt. Brandnetelgier wordt als bestrijdingsmiddel tegen onder meer bladluis gebruikt. De gier is stikstofrijk en als biologische meststof te gebruiken.
– Adelaarsvaren (Pteridium aquilinium)
kan een hardnekkig onkruid worden als je hem niet tijdig rooit. De plant gedijt op zure grond en schaduwrijke plaatsen. Worteluitlopers verspreiden de plant over een groot gedeelte van de tuin. Geregeld afknippen van het loof vermindert de groeikracht van de plant, maar daarmee ben je hem nog niet kwijt.
– Paardebloem (Taraxacum officinale)
leeft op een penwortel. De penwortel moet zo diep mogelijk worden weggestoken. Paardenbloem groeit in open vegetaties zoals op weiden en in gazons. Voor de bloem het mooie wolkje witte pluis krijgt, moet die toch echt worden gemaaid of gerooid worden. In het voorjaar is de paardenbloem in grote aantallen in het weidelandschap te zien; een gele steppe.

   
Stinkende gouwe is eerder een welkome plant dan een onkruid Kruipende boterbloem is niet moeilijk te bestrijden; de plant groeit met wortelrozetten Paardestaart lijkt wel op een miniatuurdennenbos

– Stinkende gouwe (Chelidonium majus)
is een papaverachtige. De plant groeit langs randen van struwelen of bossen op voedselrijke en dichtgeslagen grond. Het blad is prachtig olijfgroen van kleur.
In bloei valt de plant extra op. Het oranjegele melksap uit de steel schijnt te helpen tegen wratten. Een groepje stinkende gouwe in een verloren hoek van de tuin kan geen kwaad. Wanneer het een plaag wordt, kan er worden geschoffeld of helpt regelmatig plukken van het loof.
– Kruipende boterbloem (Ranunculus repens)
heeft bladeren in rozetvorm. De (boter)gele bloem staat in het midden van de krans. De plant groeit op een penwortel. Krijgt boterbloem eenmaal de kans zich uit te breiden, dan verstikt het andere vegetaties. Uitgraven of uitsteken met een onkruidsteker.
– Paardestaart (Equisetum arvense)
groeit op vochtige gronden. Geregeld het loof afsnijden dringt de aanwezigheid uiteindelijk terug. De bladnaalden staan etagegewijs op een gelede steel. Het lijken wel kleine dennenboompjes.

Toch chemisch bestrijden?

Bedenk wel dat een chemisch onkruidbestrijdingsmiddel

niet zelf kan kiezen. Bespuiten van onkruid moet zeer nauwlettend worden uitgevoerd, zodat alleen het te vernietigen kruid wordt geraakt en niet de te handhaven vaste planten, heesters of bomen. Voor gebruik altijd goed de gebruiksaanwijzing lezen.

Middelen zijn onder andere:

Merknaam Toepassingsgebied
Roundup (glyfosaat) tegen hardnekkige wortelonkruiden
TopGun op verhardingen, onder heesters en bomen, op onbeteelde grond
AATisin op verhardingen; doodt onkruid en voorkomt kieming
AANETOS-M Vloeibaar tegen brandnetels en ridderzuring
AA MIX Vloeibaar tegen onkruid in het gazon
AA KARMEX tegen onkruidgroei, mossen en algen
AA KARMEX Granulaat tegen onkruid, mos- en algengroei
AA KARZOL tegen onkruid en onkruidkiemen, mos
Casoron G tegen onkruiden op wegen en paden, onbeteelde terreinen en onderhoutige gewassen
Corsage tegen onkruiden onder heesters
Rokade tegen kweekgras, eenjarige onkruiden, werkt selectief

Help! Een mol in de tuin!

‘Die mol moet dood.’ Had het laatste uur van een mol werkelijk geslagen? Een tuin met een geteisterd gazon en een met heuvels gesierde bloemenborder grensde aan een weiland, vanwaar kennelijk al het onheil vandaan kwam. Tenminste, het weiland lag er al even pokdalig en heuvelachtig bij. De vrijwel nieuwe tuin was in de ogen van de trotse tuinbezitter

Is hier nog wat eetbaars?

geruïneerd. Een goed verhaal over het nut van de mol kon hem kennelijk niet deren. Hij werd er niet koud of warm van. ‘t Zal je ook maar gebeuren, je wordt er wanhopig van. Of is er wel iets tegen te doen?

Wat wij als mollenschade ervaren, heeft meer van doen met schade die is toegebracht aan ons netheidssyndroom. Ja, het staat natuurlijk niet mooi al die hopen op onderling keurige afstanden van elkaar. Zo’n beest moet ook leven, maar vooral niet in ons knusse territorium. Helaas staat er geen verwijzingsbord waar de mol wel z’n gangen en hopen kan maken. Het beestje is gewoon op zoek naar een geschikt eigen territorium waar voedsel te over is.
Goed, we vinden het niet mooi wat hij in onze tuin doet. Toch doet de mol wel degelijk goed werk. Dat daarbij gangen en hopen grond ontstaan, is het beestje eigen. ‘Hij’ heeft er ook niet om gevraagd dat wij juist ‘daar’ onze tuin wilden hebben. Een beetje bezitterig gedrag vertonen wij wel; van ongevraagde indringers moeten wij niets hebben.

Stel, dat uw planten plotseling omvallen en doodgaan. Wat doet u dan? In paniek raken of NEÊRLANDs Tuin vragen hoe dat kan en of we even een bestrijdingsmiddel aan de hand kunnen doen? Zeker weten, dat u op zoek gaat naar de oorzaak van dat alles met het doel een einde te maken aan die plotselinge verandering in uw territorium. En… misschien komt u er wel achter dat veenmollen de planten mollen of dat engerlingen de boosdoeners zijn van die gele plekken in het gazon. Toch bepaald niet leuk allemaal. In plaats van naar een chemisch of biologisch verantwoord middeltje te verwijzen zou ik u ook het advies kunnen geven om eens een mol aan te schaffen. Jawel, u leest het goed, gewoon een mol. Zo’n lief, zacht, zwart diertje dat onder de grond leeft. Eenmaal losgelaten heb je er geen omkijken meer naar. ‘Het’ redt zichzelf door wormen, engerlingen, veenmollen, ritnaalden, emelten en wat niet allemaal nog meer voor eng spul te verorberen.
Vreselijk nuttig, toch?

Wat ondergronds levend, eng spul

     
Een veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa) knaagt aan wortels en stengels   Emelt (Tipula-soort) is de larve van de langpootmug; in de nazomer en het voorjaar vreten de larven wortels aan   Ritnaalden (Elate’ridae) (koperwormen) zijn de larven van de kniptor. Ze leven van vlezige plantendelen   Engerling (Scarabae’idae) is de larve van de mei- en junikever. Ze vreten aan ondergrondse plantendelen

Echte graversuitrusting

Een mol scharrelt per dag een hoeveelheid voedsel bij elkaar, die gelijk is aan wel drie keer z’n eigen lichaamsgewicht. In de kaken van de mol staan scherpe tanden, waarmee met z’n prooi direct korte metten wordt gemaakt. Kikkers, slakken en muizen staan ook op het menu, mochten die onverhoopt in het gangenstelsel ronddolen. Een volwassen mol is ongeveer veertien cm lang en weegt tussen de tachtig en honderdveertig gram. Z’n zachte pels bestaat uit een dichte zwarte vacht, die op z’n buik grijs is. Van vocht of kou heeft de mol geen last, daar zorgt z’n (water- en zand)dichte jas wel voor. Alleen de vier poten zijn aan de onderkant onbehaard. De bleekroze huid ziet eruit als het velletje van een pasgeboren baby. De vijf tenen aan de vier schopvormige voeten zijn uitgerust met elk een scherpe, platte nagel waarmee al het onheil, zoals het graven van tunnels en het opwerpen van molshopen, wordt uitgevoerd. Twee miniscuul kleine

Een spoor van ‘vernieling’: molshopen zijn ervoor de beluchting van het gangenstelsel

ogen, zo groot als een flinke speldenknop, heeft de mol wel, maar geen oren. ‘Horen’ doet-ie met z’n tast- en snorharen, die ingeplant staan boven de spitse snuit.

Grotendeels solitair

In de paartijd en als er jongen zijn, leeft de mol samen met z’n vrouwtje. In mei – juni worden drie tot vier jongen geboren. Zolang de jongen nog niet hun eigen kostje bij elkaar kunnen scharrelen, genieten ze gastvrij onderdak. Daarna is het afgelopen en leeft elke mol strikt solitair. De jongen worden grootgebracht in een kogelronde ruimte, die aan een apart gemaakte zijgang ligt. De gang wordt door vader mol goed bewaakt tegen ongewenste indringers.
Om voedsel te verzamelen is een uitgebreid gangenstelsel nodig. Graven wordt dus gedaan om voedsel te verzamelen. De verblijfsgangen en holtes waar voedselvoorraden worden aangelegd, waar wordt geslapen en waar het nest wordt gemaakt beslaan een lengte van om en nabij honderdvijftig meter. Ondergronds heeft de mol maar één vijand en dat zijn zijn soortgenoten. Het eigen territorium wordt fel verdedigd tegen andere voedselzoekende mollen. Iedere dag worden de gangen geïnspecteerd op aanwezig voedsel en op indringers. Zo nodig wordt een ingestorte gang gerepareerd. Bij het graven van het gangenstelsel wordt regelmatig grond omhoog geduwd. Dat zijn de voor ons mensen nare molshopen, die geheel onverwacht her en der opduiken. Voor de mol betekent zo’n molshoop letterlijk een adempauze: de hoop luchtige aarde dient als luchttoevoer voor de gangen.

De mol leidt een geregeld leven: vier uur werken en eten worden gevolgd door vier uur rusten. Boven de grond waagt de mol zich

Het enige nare van een mol is dat het gazon naar de bliksem gaat door flinke hopen grond

zelden. Alleen wanneer een onoverkomelijke barrière op z’n gangpad ligt, moet hij wel eens boven over. Natuurlijke vijanden (predatoren) heeft hij ook: de vos, buizerd, kiekendief, uil en reiger lusten graag een molletje.

Het leven zuur maken

Behalve dat je gazon moeilijker te maaien valt door de verspreid liggende bulten grond of omdat je meent nu net in die ene mollengang je been te moeten breken, valt de schade die een mol veroorzaakt reuze mee. Overigens: de grond die een mol opwerpt in de vorm van een heuvel is prima potgrond.

Een mol met geavanceerde techniek verjagen

Wie een permanente bewaking wil instellen tegen overlast van de mol/mollen,

 
Aandrijving via zonnepaneel Schematische weergave

zonder zelf in het geweer te moeten komen, kan een anti-mollenapparaat aanschaffen. De voeding van de mollenverdrijver ("moller"…) gebeurt met behulp van een zonnepaneel (doorsnede 15 cm).

De mollenverdrijver heeft een effectieve werking voor 800 m2 oppervlakte. Elke dertig seconden wordt ondergronds een irritante hoge toon voortgebracht. Het apparaat is te koop voor € 49,95 (incl. btw).
Leverancier: Olman Handelsmaatschappij BV, tel. 0172 424100, of Shop4Home.

Hieronder nog wat andere manieren (?) om mollen te verjagen, opgetekend uit de monden van door mollen geplaagde tuiniers.

Een mol vriendelijk verjagen:

Graaf een fles in de mollengang. De open fles brengt een fluittoon voort.
Laat de gangen vollopen met water; zet de tuinslang de hele dag erop.
Strooi visafval in de mollengang.
Strooi uiensnippers.
Leg mottenballen in de gangen.
Mollen houden niet van hoge tonen. Koop een mollenverdrijver.
Plant keizerskronen (Fritillaria imperialis).
Graaf ‘dubbeltjesgaas’ in rondom je tuin.
Trap elke dag de gang(en) dicht.
Steek zoveel mogelijk stokken in de gangen.
Drum de hele dag op een ijzeren staaf, die in de mollengang is geslagen.

Helpt dit allemaal niet – meer – en u bent ten einde raad?

Laat de mollenvanger ‘hem’ nu eindelijk eens vangen.
Breng ‘Mollenschrik’-geurstaafjes aan (ECOstyle).
Gebruik Luxan-mollenpatronen.
Gebruik een mollenklem.

Bladluizen zijn vervelende zuigers

Wie wordt er niet geconfronteerd met bladluizen? In huis en tuin. Het zijn vraatzuchtige, gele, groene of zwarte nauwelijks zichtbare individuën. Ze komen in grote grote groepen voor op vooral jonge delen van planten. Hun enige natuurlijke vijand is het lieveheersbeestje.

Bladluizen
Bladluizen zuigen voedingsstoffen uit de plant of – nog erger – brengen virussen over

Omvangrijke familie

Bladluizen behoren tot de familie van de Aphididae. Daarvan zijn enkele andere welbekende plaaggeesten ook lid: bloedluis, druivenluis, rozenluis en zwarte perzikluis. Ze behoren allemaal tot de onderorde van de Homoptera en de orde van de snavelinsecten (Hemiptera). Ze zijn goed georganiseerd, althans op papier. Aan hun eigen verdediging doen ze weinig. Dat wordt overgelaten aan hun gastheren, de mieren. Bladluizen zijn een halve tot zeven millimeter lang. Hun mondapparaat is uitgerust met een snavel (rostrum), waarmee ze kunnen prikken en zuigen.

Luizen worden aan de hand van hun ingewikkelde mondorgaan gedetermineerd. De onderlip is langer dan dan de bovenlip. In de onderlip zit een gleuf, waarin steekborstels zitten. Met deze steekborstels kunnen weefsels, zelfs zeer

Bladluis
Een sterk vergrote bladluis. De poten, voelsprieten en ogen zijn goed te zien. De twee buisjes op het achterlijf scheiden een wasachtige stof uit

harde, worden doorboord. Elk van de twee kaken heeft een holte, die niet met elkaar verbonden zijn.

Het ene kanaal dient om lymfe uit de weefsels te zuigen en als adempomp. Het andere kanaal om speeksel in het weefsel te brengen. De snavelinsecten zijn eierleggend, eierlevendbarend of levendbarend. De jonggeborene ondergaan verscheidene gedaanteverwisselingen. In het eerste stadium (als neanide) vinden 2 à 3 verwisselingen plaats. Hierna komen ze in het nymfestadium met nog eens 3 tot 7 verwisselingen.
Als volwassen luis doen ze niets anders dan eten en zich vermenigvuldigen. Voor hun eigen verdediging kunnen ze niets anders dan hun wasafscheiding inzetten. Een glibberige en plakkerige suikerafscheiding via de twee buizen aan het achterlijf.

Hoe kom je eraan?

Sommige mensen denken dat tocht de oorzaak is. Dat is niet helemaal waar. Bladluizen hebben door hun metamorfose soms vleugels. Je ziet die generaties dan ook door elkaar bestaan. In de lente brengen vleugelloze vrouwtjes, de stichtsters, andere vrouwtjes voort. Ze hebben wel of geen vleugels al naargelang de hoeveelheid voedsel die er beschikbaar is èn de weersomstandigheden. De bladluizen die kunnen vliegen, gebruiken luchtstroming om van de ene naar de andere plant te verhuizen. Daar worden dan weer nieuwe kolonies gesticht. Al die kolonies ontstaan zonder dat de vrouwtjes zijn bevrucht. Ook mieren verhuizen bladluizen naar andere planten.

Hoe kom je ervanaf?

Bladluizen kunnen grote schade toebrengen aan planten. Die schade ontstaat vrij snel door de grote massa’s, waarin ze opereren. Het beeld van de aantasting van blad bestaat hoofdzakelijk uit:
– glimmend en plakkerig worden
– verwelken
– verkleuringen of verminkingen
Een plant kan hierdoor zelfs afsterven.

Mieren gebruiken luizen als ‘koeien’; ze zuigen de zoete uitscheiding van de luis op. Die uitscheiding wordt honingdauw genoemd. Mieren prikkelen bladluizen door ze over het achterlijf te strelen. Omdat ze de uitscheiding door de suiker zo lekker vinden, verdedigen ze hun bladluizenkolonie tegen ongewenste indringers van dezelfde soort. Soms ook worden bladluizen door de mieren van hun vleugels beroofd en meegenomen in de mierenhoop om daar een kolonie bladluizen te stichten. Blijft er toch nog honingdauw over op bijvoorbeeld blad, dan ontfermen schimmels zich erover. De bladeren krijgen hierdoor een zwart, roetachtig uiterlijk. Deze fase heet roetdauw.

Bestrijdingsmiddelen

Een natuurlijke vijand van luizen is het lieveheersbeestje. Die heb je in de vrije natuur niet

Lieveheersbeestje
Een lieveheersbeestje, de natuurlijke vijand

zomaar bij de hand. In kas of woning kunnen ze wel worden uitgezet om luizen te verslinden. Buiten ben je meer aangewezen op een bestrijdingsmiddel.

Eenvoudige middelen:

* Bladluizen houden niet van kou. Een stevige waterstraal doet ze verkleumen. Soms helpt het als de aantasting niet al te groot is.
* Een mengsel van 1 eetlepel groene zeep plus een eetlepel spiritus en in water opgeloste nicotine kan over de luizen verneveld worden. Herhaal deze bespuiting om de 3 – 5 dagen.

Biologische middelen:

Buiten

* Vloeistofconcentraat van Alsem of vlier helpt ook redelijk goed.
* Kook pijptabak of shag in water. Spuit het concentraat op de bladluizen. Herhaal de bespuiting een week lang om de dag.
* Plantschoon Rozen (voor rozen), Plantschoon Fuchsia (voor Fuchsia’s), Pomanal (tegen wolluis, schildluis, dopluis en spint), ECO Luisspray en Spruzit zijn allemaal middelen van ECOstyle, die tegen bladluiswerken. Het zijn biologisch afbreekbare middelen.
* Brimex Insectenspray (voor planten, rozen of Fuchsia)

In huis

* Nuttige Insecten (van ECOstyle). Wordt geleverd als strips.
* Biobest Insectenspray (voor planten) van Brimex.

Chemische middelen:

* Bromofos, Primicarb, VBC (voor fruitgewassen), Diazinon (voor groentegewassen) en Pyrethrine (voor groente- en fruitgewassen).

Veilig werken met chemische middelen

Het gebruik van chemische middelen tegen ziekten en plagen moet tot een uiterste worden beperkt. Maar al te gemakkelijk wordt er gegrepen naar onschuldig lijkende preparaten. Chemische middelen hebben een lange werkingsduur en het is nauwelijks te voorspellen welke veranderingen deze op termijn zullen veroorzaken. Zelfs over de zogenaamde biologisch afbreekbare middelen moet je sceptisch zijn. Middelen lijken in het algemeen selectief te werken. Je ziet voor je ogen dat het werkt of gewerkt heeft. Welke narigheid het nog meer teweegbrengt, glijdt weg uit ons gezichtsveld en daar schuilt nou juist het gevaar.

Vrijwel alle chemische middelen die in de land- en tuinbouw worden gebruikt zijn min of meer giftig. Er zijn middelen bij die in een bepaalde hoeveelheid gebruikt ernstig giftig zijn voor de mens. Op z’n minst moeten er afdoende maatregelen worden getroffen om jezelf en anderen te beschermen.
In "Het Landbouwveiligheidsbesluit" en diverse publicaties van de Arbeidsinspectie – o.a. "Veiligheidsmaatregelen bij het werken met bestrijdingsmiddelen in de Land- en Tuinbouw" – is ruime aandacht besteed aan de opslag, verwerking en het voorkomen van vergiftiging.

Lees altijd eerst de aanwijzingen op de verpakking.
Daar staat welke voorzorgsmaatregel(en)
moet(en) worden genomen.

Voorkom vergiftiging

– Voorkomen van opneming door de huid
Chemische middelen worden gespoten, gestrooid of gestoven. In alle drie de gevallen is het mogelijk dat de huid in aanraking komt met de werkzame stof. Draag niet alleen rubberen of plastic handschoenen; ons hele omhulsel bestaat uit huid. Draag ook beschermende kleding zoals rubberen laarzen, een bril (liefst een gelaatscherm) en gladde, ondoorlatende kleding (met capuchon), die na uitvoering van de bestrijding direct kan worden schoongespoten.
Met name fosforachtige verbindingen kunnen gemakkelijk door de huid binnendringen. Bindvlies van het oog en de slijmvliezen zijn uitermate ontvankelijk voor schadelijke stoffen.

– Voorkomen van inademing
Inademen gebeurt door de neus of de mond. Bij gebruik van een chemisch middel kan de lucht schadelijke damp, nevel of stof bevatten. Via de longblaasjes kan de giftige stof in het bloed komen. Ook via de mond, spijsverteringswegen komt de giftige stof uiteindelijk in de bloedbaan terecht. Bij spuit- en stuifmiddelen dient men te letten op de windrichting. Werk niet tegen de wind in, maar juist met de wind mee. Spuit zo mogelijk met windstil weer. Dit voorkomt dat ook anderen gevaar lopen.
Gebruik bij (ver)spuiten of stuiven een goed aan het gezicht sluitend masker met een filterpatroon. Reinig na gebruik het masker (en kleding) met zeep en water.
Rook en eet nooit tijdens de uitvoering van verneveling of verstuiving. Was hierna de handen goed met lauw water en zeep alvorens te eten of te roken. Beter is het langdurig te douchen en direct van kleding te wisselen.

– Voorkom vergiftiging van onbedoelde dieren
Wild, vogels, vissen, bijen (en andere insecten) en vee weten niet dat er een chemisch middel is/wordt gebruikt. Zij zijn afhankelijk van een schoon, niet verontreinigd milieu. Waak ervoor dat het toe te passen chemisch middel ‘binnen de perken’ wordt gebruikt.

Eerste hulp bij vergiftiging

Waarschuw een arts. Geef hem de werkzame stof door.

Vergif

De patiënt is NIET BEWUSTELOOS
Op de huid: De huid zorgvuldig eerst met koud water wassen, daarna met lauw water en zeep. Natte kleding uittrekken.
In de ogen: Ogen uitspoelen met lauw water in geval van bijtende stoffen.
In de maag: Water laten drinken (geen melk!). Ga na of de patiënt zelf water kan drinken. Wek braken op. Is dit nauwelijks mogelijk, geef de patiënt dan lauw water met zout of verdunde mosterd te drinken. Laat de patiënt Norit – opgelost in water – drinken.
Ingeademd: Breng de patiënt zo snel mogelijk in een omgeving met zuivere lucht.
De patiënt is BEWUSTELOOS
Leg de patiënt op de rug met het hoofd opzij.
Verwijder eventueel kunstgebit, maak knellende kleding los.
Geen braken opwekken en geen drinken geven.
Reinig zo nodig ogen en huid.
Bij schijndood kunstmatige ademhaling toepassen (behalve bij sterk prikkelende gassen).
Breng de patiënt in een omgeving met zuivere lucht.

Te allen tijde blijven bestrijdingsmiddelen schadelijk voor de gezondheid:

Gevaar(symbool) Waarschuwing
(geen symbool) * geen
* ontvlambaar
* licht ontvlambaar
* zeer licht ontvlambaar
* irriterend voor de ogen
* irriterend voor de huid
* kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing
* kan overgevoeligheid veroorzaken op de huid
* schadelijk bij opneming door de mond
* schadelijk bij inademing
* schadelijk op de huid
* gevaar voor oogletsel
* veroorzaakt brandwonden
* veroorzaakt ernstige brandwonden
 + * giftig bij opneming door de mond
* giftig bij inademing
* giftig bij aanraking met de huid
* zeer giftig bij opneming door de mond
* zeer giftig bij inademing
* zeer giftig bij aanraking met de huid

LD 50

De giftigheid van een middel wordt uitgedrukt in het L(ethale) D(osis) 50-getal. Hoe lager het getal, dès te giftiger is het middel. Het LD 50-getal is de hoeveelheid of dosis die voldoende is om 50% van de proefdieren binnen veertien dagen te laten sterven. In plaats van een getalsaanduiding staat op een verpakking meestal alleen maar het gevaarsymbool.

Indeling bestrijdingsmiddelen in groepen

Chemische bestrijdingsmiddelen zijn in te delen volgens waarop ze (voornamelijk) werkzaam zijn. Men onderscheidt:
– Fungiciden –
Werkzaam tegen schimmels, virussen en sommige bacteriën. Middelen zijn o.a. bitertanol, chloorthalonil, koperoxychloride, troforine, tolyfluanide, vinchlozolin, zwavel en zineb.
– Herbiciden –
Werkzaam op blad of wortels van gewassen. Bladherbiciden worden door de plant via het blad opgenomen alleen daar waar het blad door het middel is geraakt. Zo’n middel kan selectief worden toegepast: alleen die kruiden die ongewenst zijn worden bespoten.
Grondherbiciden worden gespoten of gestrooid. De plant neemt via het wortelstelsel de werkzame stof op en sterft af. Grondherbiciden zijn moeilijk stuurbaar en hebben een lange werkingsduur. Middelen zijn o.a. Plantschoon, Onkruid totaal, Corsage, Casoron G en Rokade.
– Insecticiden –
Werkzaam tegen insecten. In principe een gevaarlijke stof, omdat insecten deel uitmaken van de voedselketen van hogere diersoorten. Na verloop van tijd kan blijken, dat insecticiden niet meer werken: insecten kunnen immuun worden voor de werkzame stof. Zwaardere chemische verbindingen of andere samenstellingen zijn dan nodig. Middelen zijn o.a. Bromofos, Carbofuran, Chloorpyrifos, Delthamethrin, Diazinon, Endosulfan, Etrimfos, Primicarb, Propoxur, Pyrethrine en Trichloorfon.

Gebruik chemische bestrijdingsmiddelen zo min mogelijk. Zeker waar het gaat om verdelgen van onkruid als schoffelen of omspitten nog altijd de veiligste manier is om er vanaf te komen. Aantasting door insecten is meestal niet zo ingrijpend, dat daarvoor al direct naar een afdoend middel hoeft te worden gegrepen.

Afrikaantjes tegen wortelaaltjes

Aaltjes zijn meercellige diertjes (nematoden). Ze komen niet alleen voor in de bodem, maar ook in planten, mensen, dieren en water. De wetenschappelijke verzamelnaam is Nematoden. De meeste soorten die in de grond leven, zijn niet groter dan 1-2 millimeter. Met het blote oog zijn aaltjes niet waarneembaar.

Aantasting door aaltjes verzwakt de plant of doet die zelfs afsterven. Maar er is geen reden voor paniek, want Afrikaantjes, Tagetes, bezitten een werkzame stof die door wortelaaltjes besmette grond kunnen ontsmetten.

Meer aaltjes dan mensen

Onder de microscoop blijken ze niet dikker te zijn dan 1/20 millimeter. In een gezonde bodem leven naar schatting 20-50 aaltjes per kubieke centimeter; dit betekent dat er per vierkante meter bouwgrond toch al gauw zo’n 4 tot 10 miljoen van die beestjes aanwezig zijn!
Aaltjes leven van organisch materiaal, schimmels, bacteriën, bodeminsecten en parasieten. Ze bewegen

zich in de grond voort in het hangwater van de poriën rond een aardkorrel. Dauw en regen zijn gunstige factoren voor aaltjes om zich snel te verplaatsen. In het water zijn het langgerekte buisvormige beestjes die zich door samentrekkende bewegingen van het lichaam verplaatsen. Aaltje is een verzamelnaam voor een groot aantal verschillende soorten meercellige dieren met elk hun specifieke eigenschappen.

Grote verschillen in aaltjessoorten zijn bijna recht evenredig met de wijze waarop zij schade veroorzaken aan planten. Planten worden onder meer gebruikt als ‘kraamkamer’. De ontwikkeling van ei tot volwassen aaltje duurt slechts 10-13 dagen (afhankelijk van de soort). Ieder vrouwelijk dier kan wel 25-30 eieren leggen. Er groeien verscheidene generaties per jaar. De groep aaltjes die planten schade toebrengen, hebben allemaal als kenmerk dat ze een stekel voor op het lichaam hebben, waarmee ze plantencellen kunnen aanprikken. Sommige aaltjessoorten dringen in de cel en leven daar endoparasitisch, anderen daarentegen prikken alleen de cel aan en blijven aan de buitenkant en leven dus ectoparasitisch.

Schade

Dat hangt af van de soort/groep aaaltjes. Beelden die samenhangen met aantastingen zijn onder andere: rotten van de plant, woekeringen aan het blad of de wortel, gallen op bladeren, knollen en wortels, een slechte toestand van een of meer planten en dikwijls verkleuringen in het blad van planten door weefselaantasting.

Bladaaltjes

(Aphelenchoides-soorten) tasten vooral bladeren aan. Daarnaast veroorzaken zij ook afwijkingen aan bloemen, stengels, bollen en knollen. De aantastingen beginnen meestal aan de onderste bladeren. In het blad ontstaan verkleuringen die vanuit de bladvoet uitstralen naar de rest van het blad. Tussen het nog gezonde bladdeel en het bruin verkleurde deel in vindt de sterkste vermenigvuldiging van aaltjes plaats. Vochtig weer is er de oorzaak van dat bladaaltjes zich vanuit de grond of vanaf plant verder omhoog over de plant kunnen verplaatsen. In droge perioden is aantasting door aaltjes veel minder. Planten die last hebben van bladaaltjes zijn onder meer: chrysanth, Anemone, aardbei en voorjaarszonnebloem.

Stengelaaltjes

(Ditylenchus-soorten) veroorzaken gekromde stengels met verkleuring en verkroezing van blad. Uiteindelijk kan verrotting van de plant het gevolg zijn. Onder vaste planten komt deze aantasting nogal eens voor. Gevoelige soorten zijn bijvoorbeeld: v uurpijl, Liatris, Phlox, Anemone, anjer-soorten en wederik.

Wortelknobbelaaltjes

(Meloidogyne-soorten) dringen in de wortels en veroorzaken galvormige of knobbelvormige aantastingen. Als reactie hierop vormt de plant merkwaardig genoeg veel meer zijwortels dan normaal. Soms ontstaat hieruit wortelrot maar op z’n minst blijft de groei van de bovengrondse delen van de plant sterk achter. De aantasting is zeer besmettelijk voor veel andere planten. Aantastingen komen nogal eens voor op: Pyrethrum, Anemone, koeienoog, chrysanth, phlox, scharnierplant, schurftkruid, maagdepalm, viooltje, zenegroen, pioen, ridderspoor en duifkruid.

Vrij levende wortelaaltjes

(Pratylenchus- en Rotylenchus-soorten) zijn het meest voorkomend onder vaste planten. Door aantasting ontstaan bruine vlekjes aan wortels, die zich snel kunnen uitbreiden, zodat de hele wortel bruin wordt en afsterft. Doorgaans vormt ook hierbij de plant veel meer wortels dan normaal. Die hebben bij nadere beschouwing veel weg van een warrige pruik. Een afdoende bestrijding is nog niet goed mogelijk. Een extra gift stalmest heeft weleens een gunstig effect op de groei van de plant.
Een buitengewoon opvallende aantasting van dit type aaltje is dat de groei sterk terugloopt.

Bij de teelt van bollen vermindert de opbrengst en de omvang van de bloembollen. Ook blijft de opbrengst bij de oogst van aardappelen achter en wordt de (bewaar)kwaliteit minder, wanneer de grond door dit type aaltje is aangetast.
Vaste planten die gevoelig zijn voor deze aaltjessoorten zijn onder andere: anjer, Pyrethrum, scheefbloem, trollenbloem, korenbloem, lelietje der dalen, voorjaarszonnebloem, kerstroos, schurftkruid, scharnierbloem en naald van Cleopatra. Voor aaltjes gevoelige bolgewassen zijn: narcis, ranonkel, lelie, tulp, gladiool, hyacint, crocus, crocosmia en amaryllis. Den en levensboom zijn coniferen die er ook door aangetast kunnen worden.

Afrikaantjes helpen

Spanjaarden voerden het afrikaantje vanuit Mexico in. Binnen Europa is vanuit Tunesië en Spanje de plant verder verspreid ten tijde van keizer Karel V. Van de afrikaan zijn in Nederland twee soorten van het geslacht Tagetes van belang: Tagetes patula en Tagetes

erecta. In de tuin worden afrikaantjes als eenjarige aangeplant. De plant bloeit zeer rijk en is verkrijgbaar in vele kleuren: geel, oranje, bruinrood of mengingen daarvan. Afrikaantjes worden door zaaien verkregen of in pot gekocht.
De dodende werking van afrikaantjes op wortelaaltjes (Pratylenchus-soorten) berust op de reactie van wortelcellen in de endodermis. In deze endodermis komen zwavelverbindingen (thiofenen) voor. Als een aaltje deze cel binnendringt vormt de plant peroxidase. De combinatie van peroxidase en de zwavelverbinding zorgt ervoor dat er ozon (O3) wordt gevormd. Deze agressieve vorm van zuurstof leidt tot ‘verbranding’ van het aaltje.

Het planten van afrikaantjes blijkt dus een veilig en natuurlijk middel om ingezet te worden in de strijd tegen wortelaaltjes. Vooral plaatsen in de tuin waar ieder jaar bloembollen worden geplant, zijn gebaat bij het in de zomer houden van afrikaantjes.

Wortel- of plantenextracten van afrikaantjes hebben overigens geen enkel effect op het doden van aaltjes.

Hottonia palustris, de waterviolier, is inheems

In weteringen, sloten en veenpoelen bloeit in mei tot ver in juni de waterviolier. De plant is inheems, maar het verspreidingsgebied is niet alleen beperkt tot onze contreien. In grote delen van Europa en het noorden van Azië is deze waterplant te vinden.

Een waterviolier bloeit met lange stengels, waarop kransen
met bloemen

Een waterviolier heeft niet alleen mooie bloemen, maar het is ook een uitstekende zuurstofleverancier en vissen schieten graag kuit in het loof.

De waterviolier (Hottonia palustris) groeit onder water (submers). Voorwaarde is, dat de bodem in de winter niet bevriest. Op beschutte plaatsen kan de plant ook overwinteren in een moeras. Vanwege uitstekende eigenschappen als fraaie bloem, zuurstofproducent en geschikte plant om eieren door vissen op af te zetten is het een gewilde plant voor een natuurlijke vijver. In Europa komt maar &eacuteén soort waterviolier voor. In Noord-Amerika groeit een andere soort, Hottonia inflata. Deze plant blijft lager en heeft beduidend kleinere bloemen. De waterviolier behoort tot de familie van de primula-achtigen (Primulaceae).

De bloeistengels van de waterviolier kunnen boven de waterspiegel tot 60 centimeter hoog worden.

Een waterviolier groeit in stilstaand
of langzaam stromend water

Elke plant kan verscheidene bloemstengels voortbrengen. Soms ook kan de bloei onder water plaatshebben. De bloemen staan onderling ver uiteen in bloemkransen. Elke krans bestaat uit ongeveer zes bloemen. De bloemen hebben een stervorm en zijn bleekpaars tot wit van kleur en tot ruim twee centimeter groot. De bloemen verbloeien vrijwel altijd naar een witte kleur. In het hart van de bloem staat een gele vlek nabij de kroonbuis. Daar waar veel bloeiende planten bij elkaar staan, ontstaan gemakkelijk bastaarden als nakomelingen. Dit kan leiden tot geringe afwijkingen aan en in de bloemen (dimorf), variërend tot bloemen in overwegend een witte of bleeklila bloemkleur of afwijkingen in de lengte van de stijl en de plaats van de helmknoppen. De bladen van een waterviolier bevinden zich of onder water of aan de oppervlakte. Het zijn kamvormige, diep ingesnden bladen, bestaande uit zeer fijn loof. Aan een stengel bevinden zich veel van die kamvormige bladen.

Als u een waterviolier in een vijver wilt planten, moet u er rekening mee houden, dat de plant circa 30 centimeter breed wordt. Plant op een waterdiepte van 30 tot 90 centimeter. De waterviolier is volkomen winterhard en verlangt een plaats in de zon of halfschaduw. Een waterviolier is te vermeerderen door bewortelde stengelstukken in de modder te planten. Lichtzuur water is wel aan te bevelen om mooie planten te krijgen en te houden.

Het cleistogame moerasviooltje

De vrolijke en frisse kleuren van violen spreken iedereen aan. In het voorjaar of al in de herfst wordt tuin of balkon ermee opgevrolijkt. Deze violen (Viola tricolor) vallen op door de grootte van de bloem. Omstreeks half mei rekken deze violen in de lengte, tot de dood erop volgt.

Viola palustris heeft een vrijwel cirkelvormig blad

Anders is het gesteld met het moerasviooltje, dat in het wild voorkomt en met helder lichtpaarsblauwe bloemen bloeit op soms ongeziene plaatsen in moerassen en langs greppels in bossen.

Van nature groeit het moerasviooltje (Viola palustris) in door zure veenmos – rietland gekenmerkte situaties of in door veenmos op pleistocene zandgrond getypeerde situaties. Samen met Tormentil (Potentilla erecta), ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia) en blauwe knoop (Succisa pratensis) is het moerasviooltje dan te vinden. Het

Viola palustris groeit hier samen met dotterbloemen in een heempark
(Jac.P. Thijssepark, Amstelveen)

moerasviooltje is soms te koop bij een in moeras- en waterplanten goed gesorteerd en gespecialiseerd tuincentrum.

Het moerasviooltje groeit in natte situaties. Daarom is dit plantje te gebruiken op een plek nabij vijvers of in drassige situaties. Zowel in de volle zon of in de halfschaduw is de groei en bloei uitstekend. Voorwaarde is een zuur milieu. Dit is na te bootsen door gebruik te maken van een mengsel van tuinturf vermengd met verteerde bladgrond. Een groep moerasviooltjes bij elkaar geplant is uiteraard aantrekkelijker dan een enkel plantje.

Het moerasviooltje behoort tot de viooltjesfamilie (Violaceae). Het bloeit vroeg in april tot halverwege juni. Zoals het geval is met alle blauw bloeiende viooltjes, worden de bloemen op twee manieren bevrucht: door bijen, wespen of vlinders of door zelfbevruchting. Bij zelfbevruchting

Viola palustris bloeit met bleekblauwe bloemen.

groeien de stuifmeelbuizen al, voordat de bloemknop zich heeft geopend, het vruchtbeginsel binnen. Dit worden cleistogame bloemen genoemd. Het onderste bloemblad is bij viooltjes verlengd tot een spoor. Twee van de vijf meeldraden scheiden honing af, de overige niet. In het centrum van de bloem staat de stempel, omgeven door de meeldraden. Zaden van het viooltje zijn eenhokkig. Als ze rijp zijn, worden ze ver weg geslingerd. Aan het zaadje zit een aanhangsel, dat mieren aantrekt. Mieren zorgen dan ook voor de verspreiding van de zaden. De kleine groene blaadjes van het moerasviooltje zijn rond tot niervormig of soms zwak hartvormig en onbehaard.

Het moerasviooltje is geen zeldzame plant. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van IJsland en de Noordkaap tot in de landen langs de zuidkust van de Middellandse Zee en in vrijwel heel Noord-Amerika.