Winterhardheid, een rekbaar begrip

De mooiste planten, die het echter net niet in uw tuin doen… Als je als tuinliefhebber boeken en tijdschriften openslaat, dan ben je niet zelden aan de goden overgeleverd. Altijd weer die prachtige plaatjes – inclusief alle mogelijke kunstgrepen – in combinatie met wollig geschreven artikelen.

Ik weet er alles van, want ik bezondig mij als publicist hier ook regelmatig aan. En altijd weer vragen de lezers, die een poging doen om al dat fraais uit tijdschriften en boeken zelf te realiseren, zich vertwijfeld af: waarom lukt

Abutilon vitifolium is een snelle groeier, die aan het begin van de zomer bloeit

het mij niet? Wat doe ik fout? Waarom kan ik die plant niet in leven houden?
Dikwijls, te vaak eigenlijk, overschaduwen de teleurstellingen de positievere resultaten. Daarom is het heel verstandig ook eens inhoudelijk op bepaalde zaken in de tuin in te gaan. Het tuinleven houdt tenslotte niet op bij alleen maar aantrekkelijke foto’s. Juiste informatie over de mogelijkheden, expliciet in Nederland, kan veel teleurstellingen voorkomen.

Triomf en teleurstelling

Hieronder een poging om een van de mogelijke oorzaken van het uitblijven van succes te ontrafelen. Zie het ook als een poging om eerlijk te zijn. Het gegeven, dat veel planten het in uw tuin niet redden, kan te maken hebben met een complex van factoren. Een van die factoren kan een foute interpretatie van het begrip winterhardheid zijn. Veel boeken en tijdschriften zijn immers vertalingen en bewerkingen van artikelen, bestemd voor de Engelse tuinliefhebber. Dat wil dus zeggen, dat ze al eerder in Engeland zijn gepubliceerd. Tuinieren in Engeland is echter een zaak, die terdege van Nederland en België verschilt. Niet alleen een andere mentaliteit, maar ook een andere grondsoort en – vooral – een sterk afwijkend klimaat. De Warme Golfstroom koestert een groot gedeelte van dit eiland met alle gevolgen voor de te houden beplanting.

Subtropische beplanting in Schotland tot en met echte, tropische beplanting in Cornwall: hier is veel mogelijk. De gemiddelde vertaler houdt echter nauwelijks rekening met de verschillende klimaten van Engeland en bijvoorbeeld Nederland. Een vertaler beheerst meestal de Engelse taal dermate goed, dat er in de vertalingen geen storende fouten sluipen. Dat betekent, dat ook de graden, in Engeland dikwijls gemeten in Fahrenheit, keurig worden omgerekend in de ons meer bekende Celsiusaanduidingen, maar daar houdt het dan bij op. Toch is er ook dan nog een flink verschil tussen de Engelse en de Nederlandse 15 °Celsius. Het is het grote verschil tussen een eilandklimaat inclusief de Warme Golfstroom en een overgangsklimaat naar een veel kouder landklimaat, zoals dit in grote delen van Nederland heerst. De vertaler, die meestal niet geschoold is in het groene vak, zal dit echter een zorg zijn: zijn of haar werk zit erop met het afleveren van een foutloze, goed leesbare vertaling.

 
Phygelius rectus ‘Devil’s Tears’
Phygelius-soorten zijn halfwinterhard en kunnen daarom het beste als kuipplant worden gebruikt
Phygelius capensis ‘Yellow Trum’
Phygelius in de volle grond: tijdens strenge vorst kan de bovengrondse groei afsterven om in het voorjaar meestal weer terug te komen

Toch weet de tuineigenaar, gewapend met een uit het Engels vertaalde plantenencyclopedie, altijd weer moeiteloos die planten als gewenst aan te wijzen, die uiteindelijk in Nederland gewoon niet winterhard blijken te zijn. De beschrijving in zo’n gemiddelde plantenencyclopedie geeft een winterhardheid aan van minstens -10 °Celsius. Dit blijkt echter niet de Nederlandse realiteit. Stelt u zich voor: een stenige, droge grond in Engeland in vergelijking met een zompige, venige grond met een uiterst hoge grondwaterstand in Nederland. Een vaste plant als Euphorbia houdt bijvoorbeeld van een droge, zonnige standplaats. Fijn grind rond de wortelhals wordt zeer op prijs gesteld. Nu planten we een dergelijke plant aan op een wat vochtigere standplaats. In de zomer zijn er weinig problemen, de plant groeit voorspoedig dankzij het overvloedige water inclusief alle groeistoffen. Nederlandse winters zijn echter dikwijls uitermate nat.
Dit kan voor veel planten fataal zijn, zeker in combinatie met enkele vorstperioden en een hoge grondwaterstand. Zelfs planten als Lavendel hebben het dikwijls met dergelijke omstandigheden te kwaad en gaan zienderogen achteruit. Dus deze halfheesters kunnen op vochtige gronden met een hoge grondwaterstand dan ook beter niet worden aangeplant.

Conclusie: het is bij het planten dus verstandig altijd goed de aanwezige groeiomstandigheden te vergelijken met die omstandigheden, die de aan te planten nieuweling prefereert. Om eindelijk eens de bekende teleurstellingen te voorkomen.

Verkennen van grenzen

Het ligt echter in de aard van vele tuinliefhebbers om altijd de uitersten van de mogelijkheden te verkennen. De meest exotische verschijningen, de meest bijzondere planten, ja, die willen we hebben. Denk echter niet, dat dit verschijnsel zich tot Nederland beperkt. Dit geldt gewoon voor alle liefhebbers. Zo onderzoekt men in Ierland, een land gezegend met een uitermate mild klimaat, welke roodbloeiende Eucalyptus het winterhardst is. Witbloeiende Eucalyptus-bomen doen het prima, maar juist die roodbloeiende wil men daar hebben. Die hebben echter beduidend meer moeite om de vorst van enkele graden, die een enkele keer Ierland treft, te overleven. Het is daarom overal hetzelfde: tropische planten, zoals Protea (het Zuid-Afrikaanse suykerbossie) worden in Tresco Abbey (Cornwall) succesvol gehouden, maar een enkele gure voorjaarswind die de temperatuur in één klap met 10 °C laat zakken,

Clematis armandii ‘Appleblossom’

kan hier forse schade aanrichten. Daar recht men echter daarna weer de rug, plukt wat speciaal hiervoor gereserveerd reservemateriaal uit de kas en begint weer opnieuw.

Wat is winterhardheid?

Hieronder wordt de weerbaarheid van beplanting tegen vorst verstaan. Elke plant beschikt in meer of mindere mate over de mogelijkheid de vorst het hoofd te bieden. Sommige beschikken over veel antistoffen om zich tegen vorst te wapenen, andere nauwelijks. Dit is geheel afhankelijk van de afkomst van de betreffende plant. Komt die uit een tropisch land – lees: een sterk afwijkende klimaatzone – dan zijn deze antistoffen in vele gevallen vrijwel afwezig en bevriezen de plantencellen al bij een enkele graad vorst. Is deze plant van nature al uitgerust met meer mogelijkheden om de vorst het hoofd te bieden, dan is de kans op overleven veel groter. Planten, die uit andere klimaatzones afkomstig zijn, kunnen hier trouwens zeer afwijkend reageren. Zo bloeit Hamamelis mollis in West-Europa in januari. Diezelfde Hamamelis, afkomstig uit Japan, laat daar echter nooit zijn bloemen zien, voordat het echt lente is. Zelfs een plant die uitermate winterhard is in Canada met z’n strenge winters, hoeft daarentegen weer niet tegen onze West-Europese winters bestand te zijn.

Winterhardheid in Nederland

Zelfs of juist in ons kleine land zijn extreme verschillen in temperatuur en klimaat te meten. Is er in Zeeland bijna sprake van een eilandklimaat, het noorden kent net als het oosten geheel andere groeiomstandigheden. We zouden in deze gedeelten van Nederland beter kunnen spreken van een overgang naar een landklimaat. Tuinliefhebbers in het oosten van Nederland zijn soms terecht jaloers op degenen, die in het westen en zuiden wonen.

Dit is te danken aan de klimaatverschillen, die zelfs in zo’n klein land als het onze kunnen optreden: verschillen, die bijna niemand voor mogelijk houdt. Om in extremen te denken: in Terschelling kan er nog ijs op het strand liggen, terwijl in het zuidwesten het merendeel van de bomen al in blad staat. Kenners menen dan ook, dat er op de noordelijkste Waddeneilanden eerder een arctisch klimaat heerst, vergelijkbaar met dat van Noorwegen, Zweden en Finland. Toch is ook daar weer het nodige mogelijk. Zo zag ik ooit op het kerkhof van het Terschellinger dorpje Midsland op een graf Phygelius capensis (Kaapse fuchsia, afkomstig uit Zuid-Afrika) rijkelijk bloeien. Natuurlijk vermoedde ik, dat het om een eenmalige zomeraanplant ging, die bij de eerste de beste winter onder de daar heersende, gure omstandigheden zou bezwijken. Toch kwam deze vaste plant echter elk jaar trouw weer op: zeker zes jaar verscheen hij op hetzelfde graf. Toen ik dit eindelijk op de foto wilde vastleggen, bleek het graf net geopend. Nu maar hopen, dat de plant na de teraardebestelling weer is teruggezet…

Onzichtbare grens

Omdat ik tuinontwerpen en beplantingsplannen door heel Nederland en ook daarbuiten maak, kan ik wel op enige ervaring bogen met uiterst grote verschillen per locatie. Ik heb dan ook wel eens de indruk,

Cytisus battandieri is niet geheel winterhard, verlangt daarom beschutting tegen kou en uitdrogende wind

dat er een soort onzichtbare grens door Nederland loopt. Die bevindt zich voor mij ter hoogte van Utrecht (stad). De beplanting daarboven kan veel minder vorst verdragen dan een in een tuin onder die grens. Natuurlijk moet u deze grens niet al te letterlijk nemen: het is slechts mijn ervaring. Elke situatie is immers weer verschillend en niet vergelijkbaar met welke andere dan ook.

Onbekend maakt onbemind

Vooral in het noorden en oosten van Nederland moet er dus terdege meer rekening worden gehouden met het klimaat. Oude rozen moeten daar voor het invallen van de winter worden aangeaard en ook de veredeling van de stamrozen moet worden beschermd, zaken die in het westen nauwelijks nodig zijn. Bomen als Morus en Gleditsia hebben het daar in het open veld moeilijk en kunnen veel beter op een beschutte standplaats worden aangeplant. Wat in het westen kan – Cytisus battenderi, Tracheliospermum jasminoides, Fremontodendron californicum, Jasminum officinale en Clematis armandii staan al vele jaren gewoon buiten in mijn tuin in het zuidwesten (zij worden in de winter niet afgedekt, noch op enige andere wijze tegen vorst beschermd)- behoort in het oosten en noorden van Nederland tot een onmogelijkheid. Daar staat tegenover, dat we ons soms goed kunnen vergissen in de winterhardheid van een plant.

Nog niet zolang geleden was het ondenkbaar, dat Viburnum tinus en Photinia fraseri ‘Red Robin’het in de Nederlandse winters zouden kunnen uithouden. Nu (2005) trotseerden ze moeiteloos de laatste zes, zeven winters. Ook hoorde ik van een kweker, dat hij een uitgebreid sortiment Cistus – voor mij

Photinia x fraseri ‘Red Robin’
past mooi in een heesterborder
of plant hem als solitair
Photinia x fraseri ‘Red Robin’ heeft in de zomer trosjes kleine, witte bloemen

toch ook zeer mediterrane planten – buiten, nota bene in potten opkweekt. Huiverig zijn we ook van planten, die we in Nederland niet kennen. Cornabutilon vitifolium bijvoorbeeld, een soort Abutilon, die in een beschutte stadstuin op een zonnige plaats de Hollandse winter moeiteloos trotseert en in de voorzomer uitbundig bloeit.
Net als alle Malvacea en bijvoorbeeld ook Lavatera leeft deze plant maar kort. Na enkele jaren moet je hem daarom weer uitzaaien of stekken, zodat deze snelgroeier weer kan worden vervangen door een jong en vitaal exemplaar. Cornabutilon groeit binnen twee groeiseizoenen rustig uit tot een polsdikke boom. Toch zal een echt strenge winter – een Elfstedentochtwinter – de nodige slachtoffers opleveren. Dat risico moet dan maar door de liefhebbers worden ingecalculeerd.

Conclusie

Winterhardheid is dus een zeer rekbaar begrip. We moeten dit aspect daarom op een juiste wijze inschatten. Dat kan voor een ieder verschillend zijn en iafhankelijk, waar een tuin zich in Nederland bevindt. Lees de fraai uitgevoerde tuinboeken kritisch en houd terdege rekening met het gegeven, dat dit dikwijls een letterlijke vertaling uit het Engels betreft. Het slagen van een aanplant heeft echter ook te maken met de voor de plant uitgekozen plaats. Als die niet geschikt is, zal de plant het snel opgeven. Deze uitval hoeft dus niet alttijd alleen maar aan de winterhardheid te liggen, maar is vaak het eindresultaat van meer factoren, waar de winterhardheid er één van is.

Planten die meer winterhard zijn dan tot nu (2005) gedacht:

Photinia fraseri: wintergroen, met witte bloemen en rood, nieuw blad
Viburnum tinus: inmiddels bekende verschijning met winterse bundels, witte bloemen, die uit rode knoppen komen
Jasminum officinale: de echte jasmijn, een enkel bloemetje aan deze klimplant en de hele tuin ruikt ernaar
Cytisus battenderi: ananasbrem, lijkt op ananas, ruikt naar ananas en heeft trouwens schitterend zilvergrijs blad
Magnolia grandiflora: wintergroen en met crèmewitte, zoet ruikende bloemen in de zomer
Butea, de meest winterharde palm
Cornabutilon vitifolium: neefje van de bekende kamerplant Abutilon
Cistus: een geslacht van rijkbloeiende planten
Clematis armandii: groenblijvende, in het vroege voorjaar witbloeiende Clematis, de bloemen geuren sterk

Regenwormen, de onzichtbare grondverbeteraars

"Slechts weinig andere dieren hebben een zo grote betekenis voor de geschiedenis van de aarde als deze zo eenvoudig georganiseerde wezens." (Charles Darwin)

De sportvisser tussen de rietkraag van een veenriviertje keek mistroostig voor zich uit. Vissend op baars en snoekbaars voor het nodige tegenspel werkten de wormen niet mee. "De pieren zijn zo slap als een vaatdoek,"

De gewone aardworm of regenworm (Lumbricus terrestris) heeft z’n verspreidingsgebied over de gehele aarde

vertrouwde hij ons toe. Net als de veenoever, die trillend had meegegeven toen wij op hem af liepen.

De pieren bleken te zijn gekocht en niet, zoals vissers vroeger deden, in een weiland naar boven getrild. Pieren kweken is tegenwoordig big business. Ze worden met kilo’s tegelijk geëxporteerd. Nee, wereldwijd niet alleen naar sportvissers, maar ook gewoon naar boeren om hun grond te verbeteren. Vooral om meer lucht in de grond te krijgen, want spitten en graven kunnen wormen als de beste; ook al zien wij er geen snars van.

Wie over de grond loopt, beseft nauwelijks dat er honderden wormen onder onze voeten bezig zijn met spitten, graven en wroeten. ‘t Is jammer, dat we dit hele kleine, dit stille dat verwondering wekt, niet kunnen zien. Soms kunnen wij niet anders dan oppervlakkige beschouwers zijn…

Zwoegen

Wormen zwoegen niet voor niets door de aardkost. Ze moeten ook eten. Organisch materiaal zoals half vergane blaadjes, zaden, micro-organismen en resten van allerlei dieren die ze tegenkomen, worden door de aardworm verslonden. Daar is niets op tegen. Als dank scheiden wormen een grote hoeveelheid uitwerpselen af. Die afscheiding komt uit het laatste lichaamssegment: het pigidium. Vier kilogram per vierkante meter is gewoon. Goed verteerd voedsel, dat luchtig van samenstelling is en nog voedzaam voor planten ook. De grond wordt er beduidend beter van structuur van, kruimelig en goed luchtig. Precies wat elke boer en tuinier zich wenst.

Wormen leven en werken het liefst in het duister. Tot aan het grondwater is hun werkterrein. Gangen tot een diepte van wel twee meter zijn geen uitzondering. Het meeste voedsel is in de bovenlaag van de bodem te vinden, dus daar houden ze zich ook het meeste op. In de winter en in droge tijden trekken ze dieper weg; op weg naar betere oorden en betere tijden. In noodgevallen scheiden ze een vochtige kleefstof uit en pakken zich met aarde en al in tegen uitdrogen.
En wordt het de worm te nat, dan kruipt hij z’n gang uit en waagt zich even bovenin of boven de grond. Merels en lijsters staan de wormen dan al op te wachten. Een gemakkelijk te verschalken, glibberig maaltje is hun deel. Tenslotte moeten ook zij leven. Een weerzinwekkend tafereel voor wie het wil zien. Even weerzinwekkend als de worm is voor de meeste mensen.

Tweeslachtig

Wel eens de tuin (om)gespit? Een regenworm doormidden gekliefd? Zou die worm gewoon weer verder leven? Nee. De regenworm gaat dood, basta. Hoewel er wormsoorten zijn die dan gewoon verder leven. En nog weer andere soorten vermenigvuldigen zich ongeslachtelijk juist door splitsing.
Wormen hebben een kop, een middenlijf en een staart. Dat kun je, oppervlakkig gezien en als je het niet weet, niet zomaar zien. Ter verduidelijking een plaatje van een (parend) wormstel:

Ze houden hun koppen bij de paring van elkaar afgewend. De kop zit aan het kopeinde, het is het langgerektste en toegespitste deel van de worm. Het achtereinde is dikker en afgeplat. Daartussen het middenlijf met spierbundels die in breedte- en lengterichting kunnen werken.
Wormen bewegen zich voort met behulp van borstels. Ze hebben er maar weinig

Een regenworm van het geslacht Allolobophora; de samenstellende segmenten zijn goed te zien

van per lijfsegment. Ze behoren tot de familie van de Lumbricidae uit de klasse van de Oligochaeta, dat letterlijk uit het Grieks vertaald weinig borstels betekent. De weinige borstels staan in de lengterichting op het lijf van de regenworm. Regenwormen verplaatsen zich door samentrekkende bewegingen van de borstels.
Regenwormen paren, zijn hermafrodiet (tweeslachtig). Ze paren het hele jaar door, vooral bij aangenaam weer en als de bodem op de goede temperatuur is. De vrouwelijke regenworm legt eieren. De eieren worden keurig bij het ‘zadel’ (Clitellum) in een gelatineachtig zakje of cocon uitgescheiden.

Delicatesse

Wormen hebben maar weinig te duchten van – ondergrondse – vijanden: de mol, loopkevers en duizendpoten zijn de belangrijkste belagers.
In Nederland zijn er twee geslachten van de regenworm in de bodem actief: Lumbricus terrestris en Allolobophora.

Regenwormen zijn buitengewoon nuttige wezens in je tuingrond. Verwen ze af en toe met verse humus of zelf gemaakte compost. Een delicatesse is verse stalmest of kippenmest, daar zijn ze echt gek op.
Gebruik geen varkensmest of gier van varkens. Daarvoor gaan ze op de loop of leggen het loodje door de grote hoeveelheid koper, die deze meststof rijk is.

Als u ‘s winters een blaadje rechtop in de aarde ziet staan… zeker weten, dat daar een worm z’n gang onder heeft.

Een pergola als zonnescherm of een loggia als buitenkamer

In Nederland is de zon over het algemeen (nog?) een sporadische gast. Zeker als winterweer grauwe en saaie dagen te zien geeft, denken we misschien wel aan de lekkere zoele zomeravonden. Wanneer het daglicht weer in duur toeneemt en de eerste zonnestraaltjes verschijnen, krijgt menige tuinbezitter weer de kriebels om aan de slag te gaan. Voorzichtig worden de eerste blaadjes die nog herinneren aan de herfst, tussen de plantjes weggehaald. De herfst- en winterherinnering moet worden uitgebannen.

Wordt de zon krachtiger en worden de warmtestralen voelbaar, dan haasten we ons naar het tuincentrum en kunnen de verleiding van de vroeg bloeiende plantjes niet weerstaan. Het grauwe uiterlijk van de tuin wordt met die plantjes wat ‘opgeleukt’ en geeft het gevoel dat de zomer nu echt mag komen.

Wanneer het dan eindelijk zomer is en de zon z’n best doet om een ieder een intens warm gevoel te geven zoeken we juist weer de koelere plekken op of sluiten ons af in air-conditioned ruimten. Nee, in Nederland moeten we eigenlijk niet zoveel van die zon hebben. De zon mag pas als we schaars gekleed luieren op het verblindende zand van wat voor een subtropisch paradijs ook. Thuis filteren we de zon weg: achter de moderne verticale jaloezie of het in kleur pijnlijk opvallende uitrolgordijn, elektrisch bediend nog wel. In de tuin zet je de parasol op. Daar is natuurlijk niks op tegen. Aan de felle zon en de schadelijke ultraviolette stralen zijn nu eenmaal gevaren verbonden. De vindingrijkheid van de mens stelt ons in staat min of meer onze eigen biotoop naar believen te regelen.

Van pergola tot lattenrooster
Van lattenrooster tot buitenkamer

In nog jonge tuinen kan de zon aanleiding zijn om naar zo’n handige verplaatsbare met katoen bespannen ‘boom’ te grijpen. In oudere tuinen kunnen bomen zorgen voor de juiste tempering van het teveel aan zonlicht. Helaas is de gemiddelde tuinruimte die bij nieuwbouw aan de bewoner wordt toegemeten, nou niet bepaald zo ruim dat je het voor het kiezen hebt, waar je wil gaan zitten. De zitplek is gefixeerd nabij de dichtst bijzijnde deur of schuifdeur. Dat is meestal tegen het huis aan. Voor veel tuinbezitters is en blijft een boom de mooiste en handigste parasol: in de zomer schaduw en in de overige seizoenen wordt het laag staande zonlicht door de kale takken aangenaam gefilterd. Afhankelijk van de soort boom, die gekozen is, kan de schaduw intens diep zijn of levert halfschaduw op. Een flinke boom, zoals een beuk, zou zelfs volledig een tuintje van stadsformaat van schaduw kunnen voorzien. Meestal kan niet gewacht worden op het volwassen zijn van een boom: ‘boompje groot, plantertje dood’.
Het planten van verscheidene bomen bij aanleg kan op tijd voor de gewenste schaduw zorgen. Voor tuinbezitters die met het probleem van een teveel

aan zon zitten, zijn er meer oplossingen te bedenken dan alleen een zonwering te kopen.
Een eenvoudige constructie van latwerk waarover een druif, blauwe of gele regen zich kan slingeren, geeft al spoedig het gewenste effect en past goed in de ruimte die het buiten zijn heet. Toch heb ik met een dergelijke constructie vaak het gevoel dat zij ‘tijdelijk’ lijken te zijn. Zelden onstaat er een architectonisch fraaie samenhang met de gevel, waartegen zulk latwerk is aangebracht. Liever zie ik ze daarom bijvoorbeeld vrijstaand ergens achter in de tuin staan.

Van pergola tot lattenrooster

Op onderstaande beeldjes ziet u een traditioneel gebruik van pergolaconstructies, zoals deze vaak worden gemaakt. Om aan te tonen dat er wat meer met pergola-achtige constructies in de tuin gedaan kan worden dan alleen dat ene plekje van hoognodige schaduw voorzien, moet u maar even naar de volgende plaatjes kijken. De beeldreeks laat zien dat pergolaconstructies ‘iets’ kunnen toevoegen aan de tuin, nl.

  Traditioneel
Het pergolascherm als compositie over de tuin heen gezet Pergola traditioneel aan het huis vast: als zonnescherm en carport

een gevoel van ruimtelijkheid, waardoor de tuin groter, langer of breder lijkt. Nu zullen de beelden misschien niet zonder meer in uw tuintje kunnen worden toegepast; het gaat om het idee dat er meer te koop is dan een zonnescherm of parasol.

Met wat handigheid in het hanteren van een duimstok, zaag en een handvol schroeven kun je heel ver komen. Behandel het latwerk ook eens met een verfje, dat aansluit bij de kleurstelling van het huis. Het hout hoeft echt niet ten eeuwigen dage de kleur te behouden, die het in het tuincentrum al had. Het gaat om de samenhang tussen huis en tuin. Kleurverwantschap van de constructie legt de nadruk op die samenhang. De planten, bomen en grassprietjes zorgen er toch wel voor dat je weet dat je buiten bent.

 
Losse pergola aan huis
Losse pergola
Pergola als verlengstuk
van het dak
Huis en tuin verenigd

En mocht u een ‘dakje’ over uw tuin heen willen zetten, dan nog wat informatie over de onderlinge afstand van de planken/latten over de liggers van de pergola: een onderlinge afstand van 7 cm is voldoende. Wanneer de planken/latten plat op de liggers worden vastgezet, is de kans op doorlaten van de zon groter dan wanneer de latten met de grootste breedte verticaal worden vastgezet. In het laatste geval zijn er uiteraard meer planken/latten nodig dan in het geval van een platte constructie. De verticale lamellen geven een mooier aanzien en zijn dus effectiever tegen veel zonlicht.

Van lattenrooster tot buitenkamer

Een flinke stap verder vormt een ‘loggia’ in de tuin. Deze verlengde buitenkamer ademt de sfeer van een serre-uitbouw maar is het net niet. Tenzij de wanden rondom van glas worden voorzien is en blijft het een perfect ingepast buitenterras. Door een oplopende verhoging van de tuin rondom het terras geeft het echt een gevoel van in de tuin zitten. Voor een dergelijke uitbreiding met muren om het terras en aansluitend op het huis is een vakman onontbeerlijk.

Juiste plant, juiste plaats

Aan dit zeer belangrijke aspect van een beplantingsplan wordt dikwijls veel te weinig aandacht geschonken. Toch gebeurt het maar al te vaak, dat planten in de tuin binnen een seizoen na aanplant al zijn verdwenen, louter omdat ze gewoon op de verkeerde plaats zijn aangeplant. Het slagen van een tuin hangt samen met een zorgvuldig uitgekozen beplanting. Hierbij komen zowel beperkingen als mogelijkheden om de hoek kijken. Uw afweging kan bepalend zijn voor het succes van de uitgekozen planten. Maar hoe weet u waar u allemaal op moet letten? Hieronder volgen enkele zaken, die normaliter niet of nauwelijks worden aangekaart, maar waarmee u wel terdege rekening moet houden.

Winterhardheid

Allereerst is het belangrijk waar uw tuin zich bevindt. Is dat in het oosten van Nederland, waar eerder een sprake is van een overgang naar een landklimaat, of is dat in het westen, waar de tuinliefhebber nog profiteert van de invloed van de Warme Golfstroom? Verschillen, die in ons kleine land zelfs zeer groot kunnen zijn. Winterhardheid is een van de factoren, die bepalend zijn voor het succes van uw aanplant.

Standplaats

Los van het gegeven, waar uw tuin zich in Nederland bevindt, kunt u ook

Plant Actinidia sinensis het liefst tegen een muur op het westen

rekening houden met het kiezen van de juiste standplaats in uw tuin zelf. Muren worden bijvoorbeeld vaak gebruikt om de aan te planten exoot een beschutte standplaats te geven. Daarbij denkt iedereen aan een muur op het zuiden, omdat dit nu eenmaal de warmste plek is. Toch verdient een westmuur de voorkeur. Een plant neergezet tegen een muur op het zuiden, ontvangt inderdaad de meeste, maar ook de eerste zonnewarmte. Dat betekent, dat een vroege voorjaarszon een plant kan aanzetten tot uitlopen, terwijl dat voor een plant bij latere nachtvorsten desastreus kan zijn met afsterven tot gevolg. Dit proces komt in principe veel minder voor bij de aanplant op een muur, gericht op het westen. Simpelweg, omdat de zon in het voorjaar te laag staat om deze planten te vroeg te ‘ontdooien’. Een ridderspoor in de schaduw, een lavendel op te natte grond: voorbeelden te over van planten, die niet uit de voeten kunnen als ze op een verkeerde plaats staan aangeplant. Ook in de tuin zelf kunt u dus ook rekening houden met een voor de aanplant zo gunstig mogelijke standplaats door een plant zo te plaatsen, dat hij zo min mogelijk last heeft van gure winden of een teveel aan zon en schaduw – afhankelijk van de soort. Hierbij is het belangrijk, dat het gunstigste microklimaat om uw huis wordt uitgezocht. Dit kan per plant en per plaats, zelfs per meter verschillen.

Frost draining

Engelsen hebben een interessante theorie over het reguleren, lees afvoeren van vorst. Hier ziet men de vorst als een soort stroom, die zeker op een geaccidenteerd terrein gemakkelijk via glooiende paden kan worden afgevoerd. Denk hierbij aan een waterstroom, die naar het diepste punt van het terrein wegvloeit. Zelf heb ik deze theorie in de praktijk kunnen toetsen. In een prachtige woodland garden liet de eigenaar aan deze ongelovige Hollandse Thomas een bloeiende zien, die langs een pad stond en niet was aangetast door de vorst. Op het punt waar het pad abrupt een scherpe bocht nam, stond een identieke Rhododendron, die echter wel vorstschade had opgelopen. De vorst, die werd afgevoerd via het pad, was als het ware tegen de Rhododendron, opgebotst en had zijn sporen maar al te duidelijk nagelaten.

Invloed in de Lage Landen

Al zijn in het merendeel van de tuinen in de Lage Landen deze genoemde

Hydrangea quercifolia bloeit midden zomer met witte bloemen in
een pluimvorm

hoogteverschillen niet te vinden, toch kunnen we deze kennis ook hier aanwenden. Een plant, die in de tuin niet floreert, kan al baat hebben bij een simpele verplaatsing met soms maar een meter of wat. Soms betekent het veranderen van een standplaats met maar een enkele meters al een fikse groeiverbetering. Op de nieuwe plek heeft de plant bijvoorbeeld net geen last van die vervelende wind, die rond het huis wervelt, of van een vorstvlaag, die op de plaats waar de plant minder beschut staat, nu eenmaal extra hard kan toeslaan. Dat betekent, dat er ook om het huis sprake is van allerlei verschillende omstandigheden, die de groei van een plant kunnen beïnvloeden. Koude of juist droge winden, vriezen of slagregens inclusief drup van een dakrand, meer of minder zon: al deze verschillende microklimaten hebben telkens weer andere invloeden. Stel daarom geen Hydrangea’s bloot aan gure oostenwinden. Wellicht de cultivars Hydrangea paniculata en arborescens uitgezonderd, want van deze soorten zullen de bloeiknoppen tijdens een gure, winterse periode gemakkelijk bevriezen.

Raad & advies

Hoe kun je een tuinliefhebber hierover adviseren? Het is enorm moeilijk om hier een leidraad voor te geven. Als ik voor een gemiddelde opdrachtgever een tuin ontwerp, houd ik met het maken van een beplantingsplan wel degelijk rekening met het ter plaatse heersende klimaat. Dit gegeven, in combinatie met de grondsoort en standplaats, geeft mij een aardige indicatie voor wat al dan niet mogelijk is. Hierbij neem ik nauwelijks risico. Aanplant van Photinia kan nog net, verdere experimenten zijn voor de hobbyist(e) zelf weggelegd. Die krijgt een beplanting, die tegen een stootje kan. Zie het als een stevig geraamte van de tuin.

Toch is het voor elke liefhebber een uitdaging om die uiterste grenzen te verkennen. Waar moet je bij het bepalen van die grenzen dan allemaal aan denken? Allereerst de omstandigheden ter plaatse. Hoe is de tuin gesitueerd, in welk gedeelte van Nederland bevindt de tuin zich? Welke standplaats krijgt de gewenste plant? Daarna moet de beschrijving van de plant kritisch worden bekeken en bepaald of de aanplant het risico waard is. Ten slotte, heel belangrijk: wees niet teleurgesteld als het misgaat. Bedenk, dat u dit risico nu eenmaal loopt en dat elk jaar, dat de plant floreert, is meegenomen. Het zijn tenslotte exoten en nog eens extra kwetsbaar, omdat ze nu eenmaal niet voor ons klimaat zijn geschapen.
Nog een laatste voorbeeld: tot nu heb ik in Nederland nog nooit een echt grote Eucalyptus gezien. Enkele jaren gaat het goed en dan plotseling… Toch is de teleurstelling begrijpelijk als de bewuste plant in het voorjaar geen enkel teken van leven meer geeft. De verwensingen zijn hartgrondig en je neemt je voor om deze plant nooit meer in je tuin aan te planten. Gelukkig is het geheugen van elke tuinliefhebber op dit gebied zeer kortstondig. Later in het jaar, als we de plant weer ergens in volle bloei zien staan, slaat de twijfel toe. Toch nog maar eens een keertje proberen en dan op die andere plaats. Daar zal het wel beter gaan.. En vol verwachting wordt er weer een nieuw exemplaar aangeplant…

Tips

  • probeer altijd voor wintergevoelige planten de juiste standplaats te kiezen; bemest de grond, voordat er wordt geplant,
  • probeer een voorstelling te maken van de plaats, waar de bewuste plant moet komen: hoeveel zon krijgt hij daar en wat doet de wind?
  • houd rekening met de situering van de tuin: Oost- of Noord-Nederland, dan oppassen; de Randstad, daar kan veel.

Op tijd en probleemloos sproeien

Met vakantie zijn is leuk. Terugkomen en ontdekken dat de tuin dorst heeft geleden, is minder aangenaam. Wie kent niet de gele aanblik van het gazon of – nog erger – dat er planten zijn doodgegaan, omdat tijdens de vakantie niemand in de omgeving heeft gedacht "och, laat ik de tuin van de buren eens sproeien." Zulke problemen kunnen tot het verleden behoren, wanneer een zichzelf regelend, automatisch besproeiingssysteem wordt geïnstalleerd. Dan moet er wel een (buiten)kraan, een sloot of grondwater beschikbaar zijn. De prijs voor zo’n systeem (afhankelijk van het type) is tussen de euro 75,00 tot euro 300,00.

Het zonder door uw tussenkomst besproeien of bedruppelen van planten heeft zo z’n voordelen: als u liever lui dan moe bent of een grote tuin hebt (hoeft niet altijd samen te gaan…). Of als u vaak in de zomer korte of lange tijd van huis bent. Voor tuinierende automatiseringsfreaks is het eigenlijk een must. In elk geval: wanneer u niemand ertoe kunt overhalen om uw planten in kamer of tuin af en toe water te geven is een geautomatiseerde watergeefinstallatie een uitkomst.
Voor het automatisch bewateren van bloembakken en planten in pot zijn er ‘druppelaars’ of ‘zweetslangen’ te koop. Zweetslangen zijn gemaakt van poreus materiaal en laten water gelijkmatig door. Zweetslangen zijn minder duurzaam, omdat de slang na verloop van tijd kan dichtslibben en dan moet worden vervangen.

Kies in de tuin wel één of meer plaatsen uit, waar de sproeier in een vaste opstelling u niet kan verrassen met een kletsnat pak als die plotseling begint te besproeien!

Naast sproeiers op een (metalen) staaf voor borders en heesters zijn er fantastisch mooie, verzonken sproeiers voor in het gazon. Deze gazonsproeiers zijn met een deksel afgesloten, dat precies op de hoogte van het gazon zit of dat automatisch omhoogkomt (pop-up sproeier). Pas wanneer water begint te stromen, gaat het deksel of de pop-up sproeier omhoog en aan de gang. Heel makkelijk dus bij het maaien. De sproeier vormt geen obstakel. Voor rozenperken is het beter wanneer ze van onderaf worden besproeid. Daarvoor zijn speciale sproeikoppen te koop. Sproei bij voorkeur ‘s avonds of ‘s nachts, dan is de verdamping vrijwel nihil.

Twee watertimer-systemen

Er bestaan twee systemen:
– A –
Het simpelste systeem werkt met een tijdklok. De tijdklok werkt op batterijen of stroom en is probleemloos te programmeren: begin- en eindtijd instellen en klaar is Kees. De duur van water geven is op de minuut af in te stellen en zelfs is programmering in een cyclus van elke dag en/of één dag per week mogelijk. De tijdklok kan grotere (tuin)oppervlakken aan, maar bedient ook individuele planten via druppelbevloeiing.

– B –
Meer geavanceerde mogelijkheden biedt de besproeiingscomputer. Ook die

Watertimers: rechts watertijdklok, links twee computers.

werkt in principe als tijdklok en wordt door batterijen gevoed. Het grote voordeel ten opzichte van de watergeefinstallatie op tijdklokbasis is, dat de computer in staat is verscheidene besproeiingen per dag uit te voeren. Dit meermalen per dag water geven varieert, al naar gelang het type computer, van drie tot zes keer per dag. Ook is het mogelijk verscheidene bewateringsstrengen (slangen of in de grond ingegraven vaste leidingen) onafhankelijk van elkaar te laten sproeien. Dit laatste is vooral handig als de installatie niet alleen de tuin moet besproeien, maar ook afzonderlijke planten, die bijvoorbeeld tijdens de vakantie buiten zijn gezet.

Bij gebruik van meer bewateringsstrengen is de aanschaf van een (automatische) waterverdeler noodzakelijk. Dit systeem is ook zeer nuttig wanneer delen van de tuin af en toe extra water nodig hebben. Voor het laatste is het wel nodig om magneetventieldozen in het systeem op te nemen. Systemen die geen gebruikmaken van magneetventieldozen verliezen veel druk wanneer die op de waterleiding zijn aangesloten. Sluit in dat geval niet meer dan twee sproeikoppen op de leiding aan. Wordt water uit een sloot of bron of wordt grondwater gebruikt, dan is bepaling van de capaciteit van de pomp een eerste vereiste om van een goede en gelijkmatige waterdruk verzekerd te zijn. Let bij de aankoop van een pomp er ook op dat er een hoge- en lagedrukbeveiliging op zit. Filtering van sloot- en grondwater is absoluut noodzakelijk om verstopping van het systeem te voorkomen.

Vochtsensor

Bij elektronische watertimers is het mogelijk om een vochtsensor aan te sluiten. De sensor is in te stellen op een gewenste bodemvochtigheid. De sensor wordt met een kabel aangesloten op de besproeiingscomputer. De sensor ‘voelt’ constant de bodemvochtigheid. Is die lager dan de ingestelde, gewenste waarde, dan wordt automatisch de besproeiing in werking gesteld. Als u toch een geavanceerde installatie koopt, dan loont zo’n uitbreiding zeker. Bovendien zal een sensor water besparen; er wordt geen water gegeven wanneer het heeft geregend . Milieuvriendelijk dus voor ons wisselvallige klimaat, waardoor we eigenlijk nooit echt zeker weten wanneer het droog ‘wordt’ en hoelang dat zo blijft. Een absolute aanrader.

Voorkom bevriezen

Watergeefsystemen die in de tuin worden ingegraven, kunnen gevoelig zijn voor vorst. Toch is die schade door een verstandige aanschaf van materialen te beperken. Systemen die gebruikmaken van pvc-buizen bevriezen eerder en gaan sneller kapot dan wanneer polyethyleenslangen worden gebruikt. Wil je safe spelen, graaf slangen dan in op een diepte beneden de vorstgrens (zestig centimeter). Ontkoppel timer of computer van de waterleiding voor er vorst komt.

Meer vlechtheggen, minder prikkeldraad?

Er bestaat (weer) belangstelling voor de vlechtheg in Nederland. Van oudsher waren op diverse plaatsen in het Nederlandse landschap gevlochten hagen aanwezig. Met de uitvinding van het prikkeldraad verdwenen de vlechtheggen op grote schaal. Het beeld van het landschap werd daardoor een stuk minder romantisch en ecologisch gezien een verarmd landschap. Het verdwijnen van de heggen was menig boer welgevallig. Hij had geen last meer van schaduwwerking, geen wortelconcurrentie en het land kon volledig worden benut.
Voor het aanleggen van een vlechtheg is vakmanschap nodig, maar met goede wil en veel geduld is alles te leren.

In het landschap van de esdorpen (Drenthe en delen van Noord-Brabant) komen aan de rand van de essen houtwallen voor. Ze zijn destijds ontstaan door stobben in een ringvormige structuur rondom de essen op te werpen. De stobben werden afgedekt met zandige grond en daarop werden weer jonge bomen en struiken geplant. Maar ook hier werden gevlochten hagen toegepast om wilde dieren (reeën en wilde zwijnen) buiten de akkers te houden. Zo’n omwalling heet toepasselijk de wildschut. Speciaal om deze ‘natuurlijke’ omwalling in stand te houden werd een wildschut aangesteld. Bovendien had de wildschutter van de gemeenschap het recht op jacht van gekregen. In de Achterhoek komen houtwallen traditioneel nog steeds voor. Het zijn afperkingen van weiden en bouwland. Recreatief gezien is het daardoor een aantrekkelijk landschap.

In ons land zijn vlechthagen bijna volledig uit het landschap verdwenen, slechts in de Maasvallei komen er nog enkele gevlochten hagen voor. Het landschap is op veel plaatsen grootschaliger en monotoon geworden. Hagen in het landschap verfraaien het landschap niet alleen in een wat menselijker schaal, ook vormen ze de meest soortenrijke biotoop. Vogels als fitis, geelgors, grauwe klauwier en klapekster gebruiken hagen om te broeden. Ook als als bron van voedsel zijn ze van levensbelang en ze bieden beschutting in het soms uitgestrekte en kale landschap. Er zijn in toegepaste bomen en struiken verschillen in Nederland te zien. De Drenthse wildwallen bestaan voornamelijk uit eik, berk, hulst, vuilboom en lijsterbes. In de IJsselvallei is meidoorn, roos, hazelaar en sleedoorn gebruikt. In Limburg tref je haagbeuk, es, hulst, meidoorn en hazelaar aan, terwijl in Zeeuws-Vlaanderen de hagen uit gevlochten bramen bestaan.

Een vlechtheg onderscheidt zich van een gewone heg door de door mensenhanden aangebrachte gevlochten structuur. Die vlechten kunnen een horizontale of diagonale structuur hebben. Een vlechtheg is vooral geschikt voor wie een grote tuin bezit of een stuk landschap wil afperken. Het principe van de aanleg van een dergelijke heg doorloopt een aantal stappen of fases. Vlechten maakt gebruik van de natuurlijke reactie van de struik om altijd naar het licht en naar boven te groeien. Ombuigen van takken en/of het inkappen aan de basis van de struik is de voornaamste techniek. Een vlechtheg is een levende haag en vereist daarom voortdurende zorg voor de instandhouding ervan.

Eerste stap

Net zoals bij een ‘gewone’ haag zijn struiken en boomvormers nodig om een vlechthaag te kunnen maken. Kijk vooral in het landschap in uw omgeving rond welke struiken en

boomvormers daar zoal voorkomen; het biedt aanknopingspunten voor uw eigen vlechtheg. Bovendien raakt uw heg later verwant aan dat landschap, zodat de heg een wezenlijk bestanddeel van dat omringende landschap wordt. Geschikte soorten zijn onder meer: meidoorn (Crataegus), gele kornoelje (Cornus mas), berijpte en ruwe viltroos (Rosa sherardii, Rosa pseudoscabriuscula), hondsroos (Rosa canina), schijnhondsroos en kale struweelroos (Rosa subcanina en Rosa dumalis), heggenroos (Rosa corymbifera), sleedoorn (Prunus spinosa), kamperfoelie (Lonicera fragrantis), mispel (Mespilus germanica), kardinaalsmuts (Euonymus phellomanus), hulst (Ilex aquifolium), hazelaar (Coryllus avellana), es (Fraxinus excelsior), vuilboom (Rhamnus frangula).
Koop het materiaal als zogenoemd bosplantsoen, dat is verreweg het goedkoopste. Plant de struiken op een onderlinge afstand van 75 tot 100 centimeter.

Tweede stap

Na circa drie jaar na aanplant van de struiken moet er worden gebogen of worden de struiken vlak boven de voet met een hakbijl, hiep of zaag ingezaagd. Deze laatste

techniek wordt leggen genoemd. Zaag of hak niet te diep. Er moet een verbinding blijven bestaan met de overblijvende voet en dus het wortelgestel. De overblijvende stomp (de hak) wordt afgezaagd. De neergebogen tak loopt vervolgens in het voorjaar weer uit met scheuten, die loodrecht omhoog groeien.

Buigrichting kiezen

Bij het leggen of buigen moet een keuze worden gemaakt voor de richting, waarin de tak wordt gelegd of gebogen. Twee keuzes zijn daarbij mogelijk: of alles in een

richting of om en om de richting afwisselen. Bij het om en om van richting wisselen ontstaat op den duur een zogenoemde kruisheg. Bij het leggen of buigen is het in het begin noodzakelijk de scheuten steun te geven. Plaats daarvoor op regelmatige afstand houten palen of slieten. Boompalen zijn voor dit doel uitstekend geschikt, maar ook rijshout van wilg.

Vlechtheg met rijshout maken

Een iets andere methode om een vlechtheg te maken is uit te gaan van het direct plaatsen van palen en het daartussen vervlechten van wilgen rijshout. Sla de

palen op een onderlinge afstand van één meter in de grond. De hoogte van de palen is afhankelijk van de hoogte die u de heg uiteindelijk wilt geven. Vlecht het rijshout kruiselings tussen de palen. Dat wil zeggen: een wilgenscheut voor een paal langs en de volgende daarachter (om en om vlechten). Nadat twee of meer ‘matten’ met rijshout zijn gemaakt, worden struiken tussen de palen geplant, zo dicht mogelijk tegen het rijshout aan. Vervolgens ook hier weer na circa drie jaar de struiken buigen of leggen door middel van inzagen. Op den duur ontstaat een vrijwel ondoordringbare, levende afscheiding en een buitengewoon ideale biotoop voor talloze vogels.

Meer weten?

Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) heeft een aantal subsidieregelingen ten behoeve van het behoud van kleinschalige landschapselementen (Programma Beheer). De uitvoering van het Programma Beheer is opgedragen aan LASER in Dordrecht. Vergoeding voor het beheer van houtwallen kan (soms) worden verkregen, mits de stamdikte niet meer dan vijftien centimeter bedraagt. Oude houtwallen zijn derhalve wat beheer en onderhoud betreft helaas een zorg voor boeren en vrijwilligers. Een stimulerende werking op de aanleg van houtwallen en vlechthagen gaat van de subsidieregeling dus niet echt uit.

Gemeenten die vlechtheggen willen aanleggen als onderdeel van een groen- of landschapsplan kunnen hiervoor contact opnemen met het Nationaal Groenfonds.

Voor hulp en het betrekken van deskundige vrijwilligers kunnen agrariërs en overheden een beroep doen op Landschapsbeheer Nederland of het IVN.

De Stichting wAarde is met medewerking van o.a Staatsbosbeheer, Bronnen Bomen, LTO Nederland en de Vereniging Das & Boom het Nationaal Stimuleringsproject Gevlochten Heggen, Hagen en Houtwallen gestart. Doel is om vervanging van prikkeldraad door heggen of houtwallen te bevorderen. Het stimuleringsproject wordt ondersteund door het ministerie van LNV en het VSB fonds. Het stimuleringsfonds verzorgt ook demonstraties (in samenwerking met onder andere het IVN en (vrijwillig) Landschapsbeheer Nederland) van het vlechten van heggen en de verbreiding van de kunst van de vlechttechniek.

Wie belangstelling heeft voor de vlechttechniek(en), kan kennis opdoen met het boek "Een vlechtheg heeft geen haast", in een uitgave van de Stichting wAarde te Beek-Ubbergen.
Meer wetenswaardigheden over de vlechtheg: www.heggen.nl.

Vegetatief vermeerderen I – stekken

Enkele hints tips:
– Om gezonde planten door stekken te krijgen moet de plant, waarvan stek wordt genomen, gezond zijn. Neem geen stek van stengels die lang en slap zijn, een stevige stengel is nodig. Houtige stekken wortelen in het algemeen moeilijker dan jonge, zachte stekken.
– Stekken doe je met een vlijmscherp mes of nog beter een professioneel entmes.
– Zorg voor schoon gereedschap, het voorkomt bij voorbaat schimmelvorming. Reinig regelmatig het mes wanneer er achter elkaar stek wordt gesneden. Een heel simpel middel om o.a. virusinfectie of overdracht ervan te voorkomen, is het mes na elke snede in melk te dompelen. Melk neemt eventueel aanwezig virus direct op.
– Als stekmedium (een duur woord voor grond) gebruik je turfmolm vermengd met scherp zand in de verhouding 2 : 1 of potgrond vermengd met scherp zand in de verhouding 2 : 1 of scherp zand. Wil je toch geld uitgeven, dan is ‘Perlite’ of ‘Vermiculite’ een goed medium; wanneer ‘Perlite’ wordt gebruikt, dan is regelmatig water geven nodig.
– Stekken zet je in pot of in een (plastic) kistje. In beide gevallen moet het materiaal goed zijn schoongeboend met heet water of splinternieuw zijn.
– Om de pot of het kistje af te dekken gebruik je of een glasplaat of stevig doorzichtig plastic; bij stekken in pot is een doorzichtige plastic zak wel zo handig.
– Bewortelings- of groeistof (Rhizopon-stekpoeder) bevordert de wortelvorming en gaat beschimmeling van de wond van de stek tegen. Het is kant en klaar in het tuincentrum te koop.
– Nadat de stek(ken) in het medium is/zijn geplaatst, wordt de bovengrond afgedekt met een dun laagje scherp zand. Het voorkomt dat (on)kruiden het voedsel voor de stek(ken) voortijdig wegkapen.
– Staan de stekken eenmaal in pot of kistje, dan direct licht aangieten met (regen)water. Hierna afdekken met glas of plastic.
– Overdag luchten; dit is de glasplaat op steunblokjes zetten of de afdekking met plastic omhoog tillen, zodat de stekken voor de helft onbedekt zijn. Luchttoetreding vermindert de luchtvochtigheid rondom de stekken en voorkomt dat de stek(ken) gaan ‘smeulen’ = schimmelen of rotten. ‘s Nachts de stekken wel afdekken.
– Controleer van dag tot dag de stekken, verwijder smeulende stekken direct, geef zo nodig een beetje water.
– Het slagen van stekken hangt ten nauwste samen met het goede niveau van vochtigheid in het medium en een permanente hoge luchtvochtigheid.

Links: een stek snij je onder een bladknoop af
Rechts: bewortelde stek

Stek maken

In het algemeen wordt stek gesneden van een stengeldeel met ogen. Het kan van het uiteinde van een scheut, het middendeel van de stengel of van het blad worden genomen. De lengte van een stek is ongeveer vijf tot tien cm. Welke vorm van stekken je kunt gebruiken, hangt af van de soort plant of struik. Om stekken te verzamelen gebruik je een snoeischaar. Knip stek van de plant door tussen twee bladeren te knippen. Voor het klaarmaken van de stek gebruik je een scherp mes en snij je in één beweging de stengel onder een blad, bladknoop of bladpaar door. Nooit wringen of breken. De snede moet glad zijn. ‘Bloedende’ stek laat je even met rust, totdat het bloeden duidelijk minder wordt. Zitten er nog blaadjes bij of aan de bladknoop? Verwijder ze door de steeltjes door te snijden. Snij de top van de stek weg boven het laatste blad of bladpaar. De stek in groeistof dopen, de overtollige groeistof aftikken op de rand van het potje. Maak in het medium een gaatje met een dun bamboestokje en laat de stek daarin zakken. Druk de grond rondom de stek licht aan.

Soorten stek

Gewone stek of scheutstek
Hiervoor wordt het uiteinde van de stengel(s) gebruikt. Vooral om kamerplanten te vermenigvuldigen. In sommige gevallen kan de stek beter niet worden afgesneden onder een blad of bladpaar, maar worden afgebroken (Fuchsia, Chrysanth).
Ook geschikt voor onder meer: lavendel (Lavandula), heiligenbloem (Santolina), randpalm (Buxus), Dahlia, salie Salvia splendens, Fuchsia, geranium (Pelargonium), hortensia (Hydrangea)en chrysant (Chrysanthemum), Petunia etc.

Stek met hieltje
Bij deze vorm van stekken wordt een deel van een zijstengel gebruikt met een gedeelte van de (hoofd)stengel. In feite is het een stukje zijstengel met bast van de stengel, waaraan de zijstengel vast zit. De stek heeft wel een beetje gelijkenis met een been en voet. De overgang tussen zijstengel en de hoofdstengel wordt gemarkeerd door ‘de hiel’. Sommige planten/struiken laten zich makkelijker stekken met een stukje oud hout aan de stek. Het hieltje wordt met een scherp mes langs de ‘zool’ glad gesneden. Deze vorm van stekken kan o.m. worden gebruikt om stek te maken van lavendel (Lavandula), heiligenbloem (Santolina), (Tibouchina), oleander (Nerium), chrysant (Chrysanthemum), azalea (Azalea), rododendron (Rhododendron).

Houtstek
In de boomteelt een veel gebruikte methode. Wanneer de blaadjes van de struiken zijn, al is het in het najaar of de winter, dan kan houtstek worden gemaakt. Houtstekken moeten goed zijn uitgerijpt. Dit is te zien aan de kleur van het hout; het moet bruin van kleur zijn. In tegenstelling tot de scheutstek wordt voor een houtstek het middendeel van de stengel gebruikt. De stengel wordt zowel onder als boven een oog(paar) of knop doorgesneden. Houtstek worden gebost en opgeplant, zolang het najaar of winter is. Pas begin april worden de opgeboste houtstekken losgemaakt en uitgeplant. Om de beworteling te versnellen wordt houtstek ook onder glas of plastic gehouden.
Houtstek kan o.m. gemaakt worden van: bes (Ribes), waaronder siervormen van Ribes, aalbes, zwarte bes, Thaybes, jostabes, Japanse wijnbes, braam (Rubus), framboos, kornoelje (Cornus), Chinees klokje (Forsythia), rozen o.m Rosa rugosa (alle botanische vormen), prachtspiraea (Spiraea), liguster (Ligustrum), ganzerik (Potentilla), Lonicera pileata etc.

Bladstek
Wordt voornamelijk in de bloemisterij gebruikt. Soms blad met steel of een gedeelte van het blad. Toepassing o.m. bladbegonia’s (Begonia), Kaaps viooltje (Saintpaulia) etc.

Wanneer beworteld?
Is uiteraard afhankelijk van welke plant is gestekt. In het algemeen duurt het drie tot vijf weken, voordat er voldoende wortels aan zitten. Een goede indicatie is wanneer de knoppen in de bladoksels zwellen of al uitlopen. Laat de stek(ken) nog twee tot drie weken in de pot of bak staan, voordat ze worden uitgeplant of verpot. Na het verpotten of uitplanten is het niet meer nodig om de jonge planten onder glas te houden.

Alle vormen van vermeerderen

I Stekken – II Afleggen – III Marcotteren
IV Copuleren – V Oculeren – VI Enten

Haal de tropen in uw (vijver)tuin

De meeste tropische en subtropische planten gedijen het beste in een lichte, vochtige en warme omgeving. Tropische planten worden meestal gekocht voor een plaatsje in de huiskamer of serre. Tegenwoordig (2006) is er ook een ruim aanbod van tropische planten, dat in de tuin kan worden gebruikt. Ze worden speciaal gekweekt en gecultiveerd om in ons

Een stukje rimboe van bamboe, voor sfeer en mystiek in de tuin

klimaat te kunnen gedijen. Ze kunnen een matige of zelfs strenge winter overleven.

Je hoeft beslist niet in de buurt van de evenaar te wonen voor een tuin met een aantal mooie exoten. In ons Nederlandse klimaat is dus tegenwoordig ook veel mogelijk: een winterharde palm, een stukje rimboe van bamboe of een joekel van een bananenboom met imposant grote bladeren, waaronder je voor een regenbuitje kunt schuilen.

Nederland heeft een zeeklimaat, een gematigd klimaat met koele winters en milde zomers, waarin de temperatuur vooral wordt bepaald door de ligging ten opzichte van de zee en de nabijheid van de warme Noord-Atlantische Golfstroom.

Winterhard

Echt strenge winters worden steeds zeldzamer en de zomers worden almaar warmer, waardoor steeds meer halfwinterharde planten buiten gekweekt en gehouden kunnen worden. Een plant die in strenge winters afsterft, noemen we halfwinterhard. Een plant die zich goed tegen de vorst kan beschermen is winterhard. Onder winterhard wordt ook verstaan, dat een plant zonder enige bedekking de winterse elementen kan verdragen.

Tropische en subtropische planten moeten zich dus op deze wisselende omstandigheden kunnen instellen om te overleven. Met name de winterse temperatuurschommelingen, vele en aanhoudende regen en daaropvolgende vorst kunnen een handicap zijn voor de overlevingskansen. Er zijn plantensoorten die goed bestand tegen de lage winterse temperaturen, maar die daarentegen de combinatie vocht en vorst niet verdragen. Ze hebben enige afdekking nodig. Ze kunnen dus wel tegen wat vorst, maar zijn niet winterhard. Bovendien is ook de

De meeste rododendrons zijn goed winterhard en vragen, behalve in strenge en langdurige winters, geen bijzondere winterzorg

standplaats in de tuin van belang: een goede beschutte plek met een zonnige ligging. Voor de aanschaf is het dus nodig te weten of een gewenste plant winterhard is of alleen maar vorstbestendig.

Winterharde planten kunnen bij het dalen van de temperatuur de suikers in het water van de plantcellen oplossen, die dan dienstdoen als een antivriesmiddel. Sommige planten onttrekken dan ook nog eens water aan hun cellen, waardoor ze zichzelf uitdrogen. De bladeren van rododendrons bijvoorbeeld hebben tijdens vriezend weer hangende en krullende bladeren. Halfwinterharde planten kunnen maar beperkt het suikergehalte in hun cellen verhogen. Tropische planten kennen geen vorst en hebben daarom nooit de erfelijke informatie ontwikkeld om zich tegen vorst te beschermen.

Regionale temperatuurverschillen kunnen ook een rol spelen. De temperaturen in kuststreken zullen in de winter milder zijn dan in de rest van het land. Maar in het voorjaar en zomer zal de temperatuur in Noord-Brabant en Limburg vaak een paar graden hoger zijn dan in Groningen en Friesland. Verder kan het veel uitmaken of een tuin open is, waarin de wind vrij spel heeft, of dat een tuin op een beschutte plek ligt tussen veel bebouwing, die warmte vasthoudt en bescherming biedt. Handig is het dus om wat van de biotoop van de plant te weten.

Geschikte planten

Meestal zijn exoten mooie, impostante blikvangers met aparte bladvormen

Citrus wordt te koop aangeboden als breed uitgroeiend struikje of als bol op stam

of een aparte bladkleur, waarmee ze de tuin een tropisch tintje kan geven. Een aantal van die al aardig ingeburgerde planten wordt meestal als kuipplant aangeboden. Die moeten – als de temperatuur ‘s winter de nul graden bereikt – naar binnen worden gehaald. Ze kunnen pas na de IJsheiligen weer buiten. Citrussoorten, laurier, olijf, granaatappel, maar ook planten als Agapantus (Afrikaanse lelie), Arbutus (aardbeiboom), Canna (bloemriet), Agave en Aloë zijn een aantal van die planten. Een aantal andere voorbeelden:

Orchidee

Orchideeën komen uit alle windstreken op aarde. Er zijn orchideeën, die uitsluitend in tropische, in gematigde of koele streken voorkomen. Vele daarvan zijn met succes in huis, maar ook in de tuin te houden of zelfs te kweken. Per geslacht kan de verzorging verschillen. Let er bij de aankoop daarom op tot welk geslacht de orchidee of de orchideevariëteit behoort. De meeste soorten verlangen veel licht, maar verdragen vaak geen felle zon.
Een mooie plant voor het moerasgedeelte van een vijver is de aardorchidee Bletilla, een van de oudste tuinorchideeën. Deze orchidee houdt van een vochtige en warme plaats in de namiddagzon of op z’n minst morgenzon. Geplant in het hoger gelegen moerasgedeelte groeit de aardorchidee uit tot een prachtige plant. Bletilla behoort tot de grootste plantenfamilie: de Orchidaceae. Zijn oorsprong ligt in Oost-Azië, hij is in 1802 in cultuur gebracht.
Bletilla striata heeft bloemen op lange stelen met drie tot zeven

Bletilla striata komt uit
China en Japan

purperkleurige bloemen, de middelste lip heeft geelwitte strepen. De bloemgrootte is 3 – 4 centimeter, de bloei valt in juni-juli. Bletilla striata ‘Albostriata’ heeft zwaardvormige, wit gestreepte bladen, die min of meer recht omhoog staan. Bletilla striata ‘Alba’ groeit iets forser dan de gewone soort. De bloem heeft in knopvorm een lilawitte kleur. Naarmate de bloei verloopt, verkleurt de bloem van lila naar zuiver wit. Van alle bletilla’s is de bloemstengel bladloos. In de late herfst moet de plant ter bescherming tegen kou en vorst wel een dekentje krijgen van afgevallen blad. Met dit kleine beetje zorg kun je lang plezier hebben van de aardorchidee.
Het vrouwenschoentje (Cypripedium reginae), ongetwijfeld een van de mooiste soorten, vindt zijn oorsprong in Canada en het noordwesten van de Verenigde Staten. Zowel de stengel als de bladeren zijn behaard. De plant kan een hoogte bereiken van 35 – 50 cm. De bloem is prachtig roze met wit. In combinatie met de lichtgroene bladeren is het een schitterende verschijning in de tuin. Het schoentje houdt van een vochtige, half beschaduwde plek, verlangt een humusrijke grond, moet ‘s winters worden afgedekt en mag nooit worden verplant.

Palm

Er is geen plant te bedenken die meer met de tropen verbonden is dan de palm. Een of meer palmen in de tuin zorgen voor een fantastische uitstraling. Er is een aantal soorten, dat ons grillige klimaat kan weerstaan, zeker als er enige regels in acht worden genomen. Palmen zijn niet veeleisend wat de grondsoort betreft. Als die maar goed water doorlatend is. Kies de meest beschutte plek – bij voorkeur op het zuiden. Vooral de jonge planten groeien het beste in de volle zon. Kies niet een plek waar harde wind vrij spel heeft. Vooral grootbladige soorten hebben daarvan te lijden.

De palmenfamilie vormt een bijzondere groep bomen. Boven op de stam, aan het uiteinde, staan de waaiervormige bladeren en de bloeiwijzen. Gekweekte planten zijn soms meerstammig, maar dat hangt van de soort af. Chamaerops humilis bijvoorbeeld is wel meerstammig, maar Trachycarpus zo goed als nooit en Jubea al helemaal niet. Ook hangt het ervan af onder welke omstandigheden de planten groeien. In droge gebieden zijn ze meestal enkelstammig. Maar hoe vochtiger, des te vaker ze meer stammen zullen maken. Op de rafelige vezels op de stammen zitten de resten van oude bladstelen. Palmen met verschillende stammen vormen een dicht bos van stijve bladeren, waarvan de droge bladpunten werken als stekels. Bepaald geen plant dus voor een plaats, waar je wel eens langs moet. De meeste palmen zijn nogal gevoelig voor regematige aanraking. Een andere bijzonderheid van de palm is, dat de stam zich niet vertakt.
Jonge palmen moeten tegen felle wind worden beschermd, geef ze een beschutte plaats. Felle wind zorgt voor snelle verdamping van vocht en beschadigingen van blad en groeipunt of ‘speer’. Sommige palmsoorten wortelen oppervlakkig, waardoor het risico van omwaaien groot is. Een

Trachycarpus fortunei groeit van nature in het zuiden van China en tot op betrekkelijk grote hoogte in het Himalayagebergte

palm die al geruime tijd in de tuin staat, is op den duur beter opgewassen tegen wind.
Aan het begin van de winter is het nodig om een palm in te pakken tegen de vrieskou. Gebruik hiervoor stro of dennentakken in combinatie met rietmatten. De kop moet goed worden afgeschermd tegen invallende regen, want bij een lage temperatuur kan dit vocht overgaan in ijs. Deze maatregelen moeten vooral gericht zijn op het beschermen van het groeipunt. Een eenmaal verloren groeipunt, bijvoorbeeld door bevriezing, betekent het einde van de palm. Pas in het voorjaar, als de kans op vorst nihil is, kan de winterverpakking worden verwijderd. Vertrouw er nooit op, dat palmen goed winterhard zijn: pak ze dus altijd in. Naast het inpakken is het nodig de grond rondom de voet goed te bedekken met een dikke laag blad.

Een behoorlijk vorstbestendige palm, die een normale winter goed kan weerstaan, is de matig winterharde windmolenpalm (Trachycarpus fortunei). Een soort afkomstig uit Zuid-China en Noord-India. Met een beetje extra aandacht is deze palm goed als vaste plant te houden. Anders dan bij de meeste andere palmen groeit de windmolenpalm goed bij wat lagere temperaturen. Een temperatuur tussen de 15 en 20 °C is ideaal. In het groeiseizoen heeft hij veel water nodig en ook behoorlijk wat mest voor een flinke groei. In een mooie zomer kan de palm wel 20 tot 30 centimeter groeien.
In de volle grond gedijen palmen goed, maar sommige kwekers vinden, dat een in een pot ingegraven palm het beter doet. Wat een voordeel in strenge winters is, want tijdens vorst kan de plant makkelijk worden uitgegraven en veilig binnen worden gezet. Eigenlijk is dus de veiligste manier de palm als kuipplant te houden.
Het geslacht Trachycarpus telt nog een aantal soorten, dat ook tegen kou en vorst bestand is: Trachycarpus fortunei ‘Charlotte’ en ‘Queensboro’, Trachycarpus nanus, Trachycarpus takil en Trachycarpus wagnerianus. Een aantal palmsoorten dat redelijk goed kou kan verdragen, is: Corypha australis, Chamaerops humilis, Phoenix canariensis, Areca sapida, Jubaea chilensis, Nannorrhops ritchiana, Sabal minor en Serenoa repens. Palmen die in de winter wel warmte moeten hebben, zijn onder andere Brahea armata, Butia capitata, Livistonia chinensis, Sabal mexicana en kokossoorten.

Bamboe

Met hun sierlijke halmen en het explosief groeiende, fragiele blad roept wintergroene bamboe net als de palm de sfeer op van streken met een warm klimaat. Ze geven de tuin vaak een mysterieus tintje. Door strenge vorst met een schrale oostenwind kunnen ze wel wat bladschade oplopen. Sommige gevoelige soorten verliezen soms hun blad of kunnen bovengronds afvriezen. Ze herstellen zich na de winter meestal snel door het aanmaken van nieuw blad uit de slapende knoppen of door nieuwe scheuten vanuit de wortelstokken. Het aanbrengen van afdekmateriaal als stro of blad aan de voet van jonge planten zal de winterhardheid verhogen.
De meeste bamboesoorten houden van een zonnige tot half beschaduwde

Fargesia murielae ‘Bright Side’

plaats. Fargesia murielae en Fargesia nitida en variëteiten daarvan doen het evenwel ook goed in de schaduw.
Er zijn soorten in een breed sortiment van kleuren en bladgrootte. Er zijn bodembedekkende soorten, die niet hoger worden dan 30 centimeter, maar ook soorten die onder goede omstandigheden tot echte reuzen van 12 meter hoog kunnen uitgroeien. Veel soorten zijn prachtig als solitaire plant, maar ook als haag is een aantal zeer geschikt.
Vaak wordt gedacht dat bamboes woekeren en daarom minder geschikt voor een kleine tuin zijn. Veel soorten kunnen dat, maar er is ook een aantal dat keurig op zijn plaats blijft en slechts een dikke pol vormt. Als de voorkeur toch uitgaat naar een soort die aan de wandel gaat, kan rond de plant een wortelbegrenzer worden ingegraven. Er zijn kunststofwanden (polyethyleen) per strekkende meter te koop in hoogtes van 50 en 60 centimeter. Bamboe wortelt niet bijzonder diep en het ingraven van zo’n wortelbegrenzer of bijvoorbeeld oude tegels, golfplaat enz. tot op een diepte van 60 cm is normaal gesproken afdoende.

Bashania qingchengshanensis is met een gracieuze hoogte van

Pleioblastus pygmeus

maximaal 4 meter zeer geschikt als een snel dichtgroeiende groene haag, is ook goed winterhard, maar maakt uitlopers. Chusquea culeou is van alle chusqueasoorten de beste in ons klimaat, prima geschikt voor de kleinere tuin en… maakt geen uitlopers. Phyllostachys aureosulcata is een prachtige bamboesoort, ook geschikt als kamer- of als kuipplant. Woekert niet, kan goed tegen droogte en is goed winterhard. Kan in een extreme koudeperiode z’n blad verliezen en wordt tot 5 meter hoog. Pleioblastus pygmeus is een van de allerkleinste bamboesoorten. Hij wordt niet hoger dan 30 centimeter. Uitstekend als bodembedekker te gebruiken en goed winterhard.
Dit is overigens maar een nietige opsomming van de grote hoeveelheid bamboes, die te koop is.

Banaan

In een tropisch getinte tuin mag natuurlijk niet een spectaculair groeiende tuinbanaan met zijn enorme bladeren ontbreken. De tuinbanaan die boomachtige afmetingen kan krijgen, is eigenlijk meer een overblijvende, vaste plant. De stam is opgebouwd uit gebundelde over elkaar groeiende, vlezige bladvoeten van oudere bladeren en verhout niet zoals een echte boom. De plant produceert slechts eenmaal een bloeiwijze en sterft dan af. De bloei is prachtig met schitterend gekleurde bloemen. Bij de meeste bananen groeien na verloop van tijd rond de hoofdstam nieuwe scheuten. Terwijl zich bananen ontwikkelen, groeien deze scheuten uit tot nieuwe volwassen planten. Zo herhaalt zich de cyclus. Sommige bananensoorten kunnen, omdat zij geen zijscheuten maken, alleen maar gekweekt worden uit zaad. De banaan (Musa) behoort tot de familie van de Musaceae. De plant komt van oorsprong uit Zuidoost-Azië en is vandaaruit naar bijna alle tropische landen verspreid.

Musa basjoo komt van oorsprong uit China en is de bekendste

Musa basjoo

winterharde banaan voor de tuin, die zo’n 3 tot 4 meter hoog wordt. Door geringe vorst sterft de plant af, maar komt uit de ondergrondse wortels elk jaar weer terug, Voldoende ingepakt met rietmatten overwintert deze banaan goed en kan worden geprobeerd de stam over te houden.

Net zo winterhard als Musa basjoo is Musa sikkimensis, een krachtig groeiende, wilde banaan, die in de Himalaya op hoogtes van 1.800 meter en hoger groeit. De plant wordt op deze hoogtes soms blootgesteld aan vorst en af en toe sneeuwval. Nieuwe bladeren kenmerken zich door de rode verkleuring aan de onderkant. Aan de bovenkant verschijnen rode, gevarieerde vlekken. De kleur verandert naar groen als de plant volwassen wordt en alleen de middenrib aan de onderkant van het blad blijft rood. Ook de recente (2005) soort Musa tibet is een goede kandidaat voor de tuin. De bladeren zijn donkerder groen, harder en smaller dan van Musa basjoo. De hoogte bedraagt 2 tot 4 meter.

Plaats een banaan het liefste uit de wind, omdat het grote blad gemakkelijk kapot kan waaien. Sommige kunnen een hoogte van wel 4 meter bereiken met bladeren van zo’n 3 meter lang. Een banaan heeft voedselrijke grond met zo mogelijk wat lichte klei nodig. De grond moet permanent vochtig zijn. Geef vanaf het begin van de lente tot aan de herfst vloeibare kamerplantenmest. Een banaan kan in de volle grond worden geplant of in een grote kuip. De plant moet aan het begin van de winter worden ingepakt met stro of rietmatten. Bananenplanten sterven bij lage temperaturen boven de grond af. Pak de stam op tijd in. Hoe meer er van de stam overblijft, des te hoger de plant in het opvolgende jaar wordt. Ook kan de plant worden uitgegraven en opgepot om te overwinteren bij een temperatuur van ongeveer 5 °C. Houd de plant dan zo goed als droog, omdat de groei stil ligt. Anders treedt wortelrot op.

Probeer de hele stam in de winter over te houden. Dan is er een kansje, dat een banaan zal gaan bloeien. De bloem wordt namelijk gevormd in de stam van het jaar ervoor. Na de bloei sterft de stam af, maar vele nieuwe bananenscheuten zullen er dan naast staan. Steek de nieuwe bananenscheutjes voorzichtig af. Het beste kan dit in het voorjaar gebeuren.

Natuurlijk zijn er nog veel meer exotische plantensoorten, die het proberen waard zijn. Eucalyptussen, yucca’s, varens, mooie bloeiende gember- en curcumasoorten en nog veel meer moois wacht om te worden uitgeprobeerd. Natuurlijk zal er wel eens één sneuvelen. Maar dat is winnen of verliezen gelijk een spel.