De tuinhortensia

Hortensia is zo’n plant die vroeger boerenerven sierde. Tegenwoordig (2005) is de belangstelling ervoor weer groot. De felle kleuren van de bolvormige bloem van hortensia verdient aandacht. Veel mensen vragen zich af waarom hun hortensia toch van kleur kan veranderen.

Er zijn veel verschillende variëteiten

Hortensia wordt de plant in de volksmond genoemd. Hydrangea paniculata is de wetenschappelijke naam. De struik spreekt tot de verbeelding door z’n grote schapenkopachtige bloeiwijze. Wat we als bloem zien, is een verzameling van bloemen die bolvormig gerangschikt zijn. De echte paniculata is wit van kleur. Later kan dezelfde struik roze bloemen geven. Er zijn veel variëteiten van hortensia. In feite wordt de potentiële hortensiakoper meer door de kleur gelokt dan door wat voor een interessante naam een plant ook heeft.
Kleurig zijn ze, dat moet je toegeven. Witte, rode, blauwe en roze bloemen te kust en te keur. De belangrijkste vraag, die menigeen bezighoudt, is vooral waarom de kleur van een hortensia zo maar kan veranderen. Mij lijkt de vraag of je de oude kleur weer terug kunt krijgen oneindig belangrijker. Het antwoord is simpel. Ja, dat kan.

Zuurgraad bepaalt kleur

Naar de verkleuring van de bloem van hortensia is veel onderzoek gedaan.

Hortensia kleurt blauw op een zure grond, paars op een matig zure grond en roze op een basische grond.

Vooral roze hortensia’s hebben het vermogen om van kleur te verschieten en wel naar blauw en zelfs omgekeerd. De plantkundige Molish begon als eerste te experimenteren. Hij kwam tot de ontdekking dat ijzer en aluminium invloed hebben op de kleur van de bloem. De Amerikaan Allen constateerde dat deze chemische elementen niet alleen voor de verkleuring konden zorgen.
De kleur van de hortensiabloem reageert op de zuurgraad van de grond. De zuurgraad van een grond wordt uitgedrukt in pH, een getal. Zure gronden hebben een pH-getal tussen 4,5 – 5,5, lichtzure gronden hebben een pH van 5,6 – 6,5 en basische gronden een pH tussen 6,6 – 7,2. Naarmate de grond zuurder is, kunnen meer metalen oplossen. De aanwezigheid van ijzer en/of aluminium in zure gronden bleken de verkleuring te veroorzaken.

Het is dus goed mogelijk de kleur van hortensia te beïnvloeden. Nuttige hulpmiddeltjes zijn het ingraven van een handje roestige spijkers bij de plant. Of door een heel klein beetje aluin (kaliumsulfaat) of aluminiumsulfaat rond de plant uit te strooien; mits en alleen als de grond zuur genoeg is. Voorwaarde voor de verkleurtruc is dat de hortensiasoort het pigment delphinide-glucoside bevat. Vrijwel alle hortensia’s bevatten dit pigment.

Hortensia met vruchtbare en onvruchtbare bloemen

Handig is dat er nu een strooimiddel van Asef en het te gieten mengsel van Pokon & Chrysal te koop is. Ze regelen de verkleuring van hortensia feilloos. Hoe zuurder de grond, des te beter het hulpmiddel werkt. Pokon & Chrysal heeft het middel Pokon Season Comfort Hortensia Blauw op de markt gebracht in een verpakking met achttien zakjes. Eén zakje wordt in een liter water opgelost en rondom de hortensia gegoten. Augustus en/of september is geschikt om de behandeling uit te voeren.

Steriel en fertiel

Nog wat botanische wetenswaardigheden: hortensia heeft grote bloemen aan de buitenzijde. Dit zijn lokbloemen om insecten te lokken. Deze bloemen zijn onvruchtbaar (steriel). Alleen de binnenste bloemen zijn vruchtbaar (fertiel) en hebben in hun nabijheid stampers en meeldraden. De gewone hortensia heeft veel steriele bloemen.

Snoeien hortensia

De druif, niet voor Bacchus alleen

De druif is in Nederland niet inheems. Daarmee wordt bedoeld dat deze plant niet van nature in Nederland voorkomt. Toch komt de druif als vrucht en als plant dikwijls voor op oude schilderijen en tekeningen uit de 17de en 18de eeuw. De bakermat van de druif moeten we zoeken in het oude Perzië. Op geweven wandtapijten, vooral uit de 15de en 16de eeuw, komen

Pinôt Noir, een nobele druif

tuinmotieven voor. De liefde voor het gebruik van afbeeldingen van tuinen heeft alles te maken met het islamitische geloof. In de Koran wordt veelvuldig gesproken over bepaalde bomen en planten. Ook heden ten dage spelen met name bloeiende bomen en struiken een rol in het islamitische geloof.

Nog steeds worden wijnstokmotieven in de tapijtkunst van het Midden-Oosten verwerkt. Overigens is het aardig om te vermelden dat de indeling van de vroegere Perzische tuinen later in de barokperiode in Frankrijk, Duitsland en Nederland opnieuw in de tuinkunst werd gebruikt. De parterres en broderies, zoals die te bewonderen zijn in Versailles, zijn daar rechtstreeks van afgeleid.

Druif – druivenstok

De druivenstok (Latijnse naam: Vitis vinifera) is een in Nederland ingevoerde plant. De verspreiding ervan is hier beperkt vanwege het weinig geschikte klimaat. Voor de productie van druiven wordt het gewas in hoofdzaak in kassen geteeld. Het Westland was tot voor enkele

In Nederland groeien druiven in hoofdzaak in een kas

jaren geleden het belangrijkste teeltgebied. Vooral het ras Frankenthaler (blauwe druif) werd het meeste geteeld. De prachtige, grote trossen sierden vooral de ‘schaal’.

Door import op grote schaal van consumptiedruiven uit Frankrijk, Spanje, Griekenland, Italië; en Turkije (maar ook steeds meer uit Californië, Mexico en Zuid-Afrikaanse landen) is zo langzamerhand de teelt in het Westland aan het verdwijnen.
De hoge productiekosten van in kassen geteelde druiven (stookkosten, kosten arbeid) zijn hieraan debet. In Zuid-Limburg zijn kleine percelen grond wel als wijngaard aangeplant. De teelt vindt plaats op de zuidhellingen van het krijtplateau. De productie van wijn is echter onbelangrijk.

Rassen

Voor de tuinliefhebber zijn in de Nederlandse tuincentra wel druivenrassen te koop. De belangrijkste soorten zijn: Vitis ‘Boskoop Glory’ (blauw) en Vitis coignetae. Daarnaast zijn de echte (oude) rassen te koop, zoals: Muskaat van Alexandrië, Witte Van der Laan en de Golden Champion (witte druivenrassen), ‘Chasselas’ (gele druif), ‘Foster’s Seedling’ en ‘Brant’. Blauwe druivenrassen zijn onder meer: Frankenthaler, Gros Maroc en Black Alicante.

In Frankrijk worden voor de productie van wijnen andere rassen gebruikt dan hier kunnen groeien. De belangrijkste rassen zijn: Pinôt Noir, Chardonnay, Sauvignon Blanc, Chenin Blanc, Gamay, Cabernet Sauvignon en de Merlot.
De naam Pinot is afgeleid van pin dat zoveel betekent als pijnboom. De

Franse wijngaard in het district Châlon

druiventros van de Pinot Noir lijkt in vorm op een denappel. Deze druif bevat veel sap en suiker; het sap van de vruchten is kleurloos. Vandaar dat de Pinot Noir ook gebruikt wordt voor de productie van champagne. De Chardonnay-druif wordt ook gebruikt om champagne van te maken, maar voornamelijk worden er stevige en goede Bourgogne-wijnen van gemaakt. Een wijn waarin de Chardonnay is gebruikt, is droog en vol van smaak.
Uit de Sauvignon Blanc komen de witte Bordeaux-wijnen voort. De smaak is fruitig fris en licht zuur. Chenin Blanc groeit in het Loire-gebied. Hieruit worden delicate Loire-wijnen gemaakt die fruitig of licht droog zijn. De meest klassieke druif is de Cabernet Sauvignon. De druif is heel donker van kleur en bevat veel kruidige tannine. Grote Bordeaux- en Médoc-wijnen worden hiervan gemaakt. De Merlot-druif wordt vooral in Pommerol en in de omgeving van Saint Emillion geteeld. Deze druif heeft een fijn aroma en zachte smaak.

Bodemeisen

Druivenstokken houden absoluut niet van zure (veenachtige) gronden. Het beste resultaat wordt bereikt op kalkrijke, kleiachtige grond, alhoewel de druif ook op humushoudende zandgrond aangeplant kan worden. Zorg ervoor dat in het vroege voorjaar (maart – april) de druif bemest wordt. Het eenvoudigste kan dit uitgevoerd worden met kunstmest, dat rijk is aan calcium of kalium. De zogenaamde mengmeststoffen zijn verkrijgbaar in verschillende hoeveelheden, meestal in N + P + K-combinaties: stikstof + fosfor + kalium.
Calciumsulfaat (CaSo4) is ook een zeer bruikbare meststof. Let erop, dat u bij aanschaf een zo hoog mogelijk K- of Ca-getal krijgt! Naarmate de grond lichter van samenstelling is (zandgronden) of armer aan kalk, neemt de smaakkwaliteit en de bewaarbaarheid van de druif af. Alleen goede, warme zomers met veel zonneschijnuren heffen de verschillen een beetje op. De in de grond aanwezige en noodzakelijke voedingszoutenconcentraties en ook de vochtigheid van de grond bepalen tevens de ontwikkeling. Bij een lage concentratie aan voedingsstoffen groeit het gewas welig, dat wil zeggen: ontwikkelt veel stengels, stelen en bladeren.
De druif steekt zijn energie dus te veel in de ontwikkeling van loof. Te veel blad is uiterst nadelig voor de ontwikkeling en de groei van de vrucht(en). Er is minder vruchtzetting, de druiven blijven ook langer vochtig en schimmelen sneller. Bovendien neemt ook het aantal afwijkingen aan de vrucht toe.

Standplaats

De druif houdt absoluut van een warme en zonnige standplaats. Aanplant tegen gevelmuren op het zuiden is een prima plaats. Bij de huidige woningen zijn de gesloten gevelwanden naast of tussen de raampartijen veelal (uiteindelijk) te klein om er een druif tegenaan te planten. Een andere mogelijkheid is dan een schutting. Beschikt u hier niet over, dan is het zaak zelf iets te maken

De oogst wordt binnengehaald

waarop de druif kan steunen. Een dak van druiven als zonnescherm bijvoorbeeld. Voorwaarde is en blijft een standplaats die maximaal en langdurig door de zon wordt beschenen!

Verzorging in de zomer

Druiven moeten worden geleid. Op muren en schuttingen kunt u het beste horizontale draden spannen. Gegalvaniseerd draad (ca drie mm dik) is uitstekend geschikt. Eventueel kan een constructie met regels (latten) ook goed dienst doen. Bedenk wel dat druivenstokken tientallen jaren productief kunnen zijn. Duurzaam materiaal verdient daarom de voorkeur. De onderlinge afstand tussen de draden moet ongeveer veertig tot vijftig cm bedragen. Aan de draden of regels – de leggers – worden de scheuten van de wijnstok gebonden.
Hiervoor zijn verstelbare plastic binders in tuincentra te koop. Het aanbinden van de scheuten langs de draden gebeurt door het uitbuigen van de dichtst bij de draad aanwezige scheut vanuit de hoofdspil van de plant. Dit uitbuigen gebeurt zowel naar links als naar rechts als de druif in het midden van de draden is geplant. Eenzijdig aanbinden kan uiteraard ook. Hoe hoger de druivenstok is of mettertijd wordt, des te meer ‘leggers’ er moeten zijn of komen.
De scheuten die tussen de aangebonden ‘leggers’ zitten, worden op de spil weggesnoeid. In de zomer moeten regelmatig (!) nieuwe scheuten tussen de ‘leggers’ worden afgesnoeid: tot op een blad van de scheut. Ten minste elke 2 – 3 weken moet deze bewerking worden uitgevoerd. Te laat verwijderen van de overtollige scheuten kan ertoe leiden dat de bessen in de tros bruin worden en verschrompelen. De oorzaak ligt in de wateronttrekking door de overtollige scheuten en de weelderige groei ervan. Het aanhouden van deze overtollige ‘groeisels’ zorgt ervoor dat de bessen aan de tros slecht zullen kleuren en dat de bessen zuur blijven. Deze aantasting heet lamsteligheid.
Zorg ervoor dat in de zomer de grond rondom de druivenstok steeds vochtig is, zodat voldoende water kan verdampen voor een voldoende microklimaat.

Reguleren van de druiventros

Begin juni bloeien de druivenstokken. De bloei is niet erg opvallend. Voor de vruchtzetting door middel van bestuiving is bezoek van bijen belangrijk. In juli verschijnen duidelijke trosjes met reeksen bessen eraan. Voor een deel vallen na verloop van tijd spontaan besjes af. Dit is een natuurlijke ‘rui’, waarover u zich geen zorgen moet maken. Toch is deze rui niet voldoende om later mooie trossen met dikke druiven te oogsten! Tenzij u er genoegen mee neemt kriekdikke bessen te eten!
Dikke bessen aan de tros ontstaan na ingrijpen van de wijnstokbezitter. Er moet ‘gekrent’ worden. Met engelengeduld moet elke tros en elk steeltje met bessen daaraan bekeken worden op ‘overtollige’ bessen. Op elk steeltje moeten bessen worden weggeknipt worden: ca 9 bessen per steeltje is ruim genoeg. Zijn er bovendien te veel trossen, dan is het ook beter een aantal daarvan weg te halen. Resultaat: zware en volwaardige trossen, die kunnen wedijveren met wat zoal op dit gebied in de winkel wordt aangeboden.

Snoeien voor de oogst

Voor de kleuring en het verbeteren van de bewaarbaarheid is de zogenaamde ‘rijpingssnoei’ van betekenis. Hierbij worden de scheuten met daaraan de

De druiven staan klaar om een ‘château’ te worden

druiventrossen met ongeveer 20 tot 30 cm ingenomen. Deze snoei mag pas gebeuren, nadat de bessen aan de tros volledig zijn gekleurd! De betere toetreding van zonlicht zorgt voor een snellere rijping en stijging van het suikerpercentage in de druif. Het maximale suikerpercentage bij oogst van de trossen bedraagt zelden meer dan 16%.
Druivenoogst kan in het Nederlandse klimaat beginnen vanaf ongeveer half september en kan doorlopen tot de eerste (lichte) nachtvorsten. Niet alle druiventrossen hoeven in één keer geoogst te worden. Hebt u meer wijnstokken en bent u van plan zelf wijn te maken, dan zult u uiteraard in één keer moeten oogsten.

Snoeien in de winter

Direct nadat de laatste bladeren zijn afgevallen, kan worden gesnoeid. Meestal is dit het geval na een eerste lichte tot matige vorst. In principe kan de snoei uitgesteld worden tot maximaal half maart. Snoei nooit bij matige tot strenge vorst! In de aangegeven snoeiperiode verkeert de druivenstok

Er is maar weinig verschil tussen cordon- en Guyotsnoei

in ‘rust’, dat wil zeggen dat de sapstroom in alle levende delen van de plant minimaal is. De wijze waarop gesnoeid moet worden, is afhankelijk van het druivenras. Als vuistregel kan gehanteerd worden, dat voor de ‘witte rassen’ de stengel teruggesnoeid moet worden tot op 4 – 5 ogen of knoppen; de ‘blauwe rassen’ worden teruggezet tot op 2 -3 ogen.
Deze vuistregel geldt uitsluitend voor de ‘leggers’. Alle andere stengels die tussen de ‘leggers’ gegroeid zijn, kunnen volledig bij de spil worden weggesnoeid. Let erop, dat u ook de nieuw te vormen ‘leggers’ selecteert, zodat de omvang of hoogte van de wijnstok kan toenemen! Is er echt geen plaats meer voor nieuwe ‘leggers’ of wordt de wijnstok te hoog, dan kunnen de stengels aan de ‘kop’ worden weggesnoeid.
In de loop der jaren zult u merken dat de ‘leggers’ verhouten en hun typische gedraaide vorm verkrijgen. Toch zullen er steeds voldoende nieuwe, ‘slapende’ ogen zijn om het beschreven proces van jaarlijkse snoei uit te voeren.

Stiftsnoei

Deze snoeivorm is algemeen toepasbaar op druiven. Uitgangspunt bij deze manier van snoeien is dat er al ‘leggers’ bestaan. Deze leggers zijn verhout en bruin van kleur. Hierop groeien jonge scheuten, die vrucht hebben gedragen. Bij de snoei in de winter worden al deze stengels nauwkeurig bekeken: welke worden aangehouden voor het volgende jaar en welke worden weggesnoeid. Alleen de dikste en sterkste stengel(s) worden aangehouden. Zorg voor een voldoende, onderlinge afstand. Vervolgens worden de geselecteerde stengels ingekort, zodat er 2 – 3 ogen op het overblijvende stengeldeel staan. Dit noemt men snoeien op stiften.

Guyotsnoei

Bij deze manier van snoeien worden ieder jaar, aan het begin van de winter, één of twee eenjarige takken geselecteerd. De rest wordt radicaal weggeknipt. De aan te houden tak(ken) worden ingenomen tot een lengte overblijft van 80 – 100 cm. Deze takken worden horizontaal aangebonden. De lengte van de takken bepaalt het aantal uitlopende scheuten in het voorjaar en dus ook de opbrengst. Deze manier van snoeien is vooral bedoeld voor rassen die minder vruchtbaar zijn. Voor rassen die slappe stengels maken, bent u hierop aangewezen. De aan te houden takken moeten zo dicht mogelijk bij de stam zitten. Door het aanbinden van de nieuwe ligger ontstaat het zg. cordon. Een cordon kan bestaan uit een enkel en een dubbel snoer, al of niet in één of twee etages opgebouwd.

Andere snoeivormen

Scheuren en delen vaste planten   Snoeien van struiken en heesters
Sierbomen verzorgen en snoeien   Snoeien en vormen van klein fruit
Boomfruit snoeien

Winterjasmijn, fier en oneindig

Winterjasmijn is een echte winter- en voorjaarsbloeier. Al ‘vriest het dat het kraakt’, dan nog blijven de bloemen fier en oneindig bloeien. Van oorsprong is de struik afkomstig uit het gebergte in China en groeit daar op steile rotswanden tussen het struikgewas. Het is een ordeloze groeier, die zich graag laat leiden en aanbinden tegen een muur.

'Jasminum nudiflorum'

De struik stelt weinig eisen aan de bodem en neemt genoegen met vrijwel iedere grondsoort.

Het is een prima leiplant om tegen een noord- of oostmuur te planten. Winterjasmijn is minder bekend dan de vroeg in het voorjaar bloeiende Forsythia, die met een overdaad aan opvallend gele bloemen er wel wat op lijkt. De hier beschreven soort is de Jasminum nudiflorum. Net zoals bij Forsythia bloeit de struik op het kale hout (= nudiflorum). De struik loopt uit met donkergroene twijgen, die na ongeveer twee jaar geelbruin verkleuren.

De donkergroene stengel met afstaande bloemknoppen

De jonge twijgen zijn in de winter groen blijvend. De jonge stengels zijn vrijwel vierkant van vorm. De oudere twijgen worden rond van vorm. De struik wordt maar heel langzaam groot. De hoogte en breedte zijn ‘instelbaar’ door vormsnoei toe te passen. De maximale hoogte is zo’n drie meter.

De bloemknoppen zijn lichtgroen van kleur en tekenen zich sterk af ten opzichte van de donkere stengel. De bloemknop is wel vijf keer zo groot als de bladknop. De kelkblaadjes liggen geschubd over elkaar heen en zijn voor het uitlopen lichtgroen. Naderhand kleuren ze fel lichtgeel. Het omwindsel van de bloemknop is nog aan de voet van de bloem zichtbaar. De kleur hiervan is bruinrood. De groene stengeldelen hebben groenwit merg.

Bladknoppen liggen dicht tegen de vierkante stengel aan

De oudere stengels zijn vrijwel hol en hebben alleen bij de knopen massief merg.

Bladknoppen zijn heel klein en hebben dezelfde lichtgroene kleur als de bloemknoppen. Na het uitlopen hebben de blaadjes een diepgroene kleur. Ze zijn glanzend en voelen leerachtig aan. Er verschijnen meestal drie blaadjes bij elkaar op korte stengels. Het blad is ongeveer 2 cm lang en één cm breed. Vanaf het uitlopen en gedurende de zomer blijven de bladeren donker glanzend groen.

De bloem onderscheidt zich weinig van de bekende Forsythia die als struik veel in de tuin voorkomt.

In het najaar na de eerste stevige vorst vallen de blaadjes af.

De bloem is kleiner van omvang en licht zwavelgeel van kleur. Jasminum nudiflorum begint al eind december te bloeien en gaat daarmee door tot het einde van februari, ongeacht de temperatuur. De bloemen komen voor over de hele stengel. Behalve als vroege bloeier in de tuin is de winterjasmijn ook uitstekend geschikt om op vaas te zetten. Nadat de bloemen een ‘koude prikkel’ hebben gekregen, lenen ze zich ook goed om in de huiskamer in bloei te worden getrokken. De bloemen zijn lang houdbaar.

Blauwe regen is niet altijd blauw

Blauwe regen is de verzamelnaam voor een aantal soorten van Wisteria. Gouden regen is wel familie van de blauwe regen en de bloemen lijken er ook wel op, maar behoort tot een ander geslacht. Wisteria behoort tot de familie van de Papilionaceae of vlinderbloemigen.

Wisteria heeft als steun een stevige constructie nodig

De hoofdbloei valt in mei.

Van Wisteria zijn floribunda en sinensis de belangrijkste soorten. Hoe raar het ook klinkt: van blauwe regen zijn er witte, blauwe en violetroze variëteiten. Goede soorten zijn onder meer Wisteria floribunda ‘Alba’, die wit bloeit, Wisteria floribunda ‘Rosea’ met licht lilaroze bloemen en Wisteria floribunda ‘Macrobotrys’ met de langste bloemtros van alle soorten en een violetblauwe bloei.

Ik ben meer gecharmeerd van Wisteria sinensis, die welriekende, bijna naar viooltjes ruikende bloemen heeft. Ook deze soort bloeit met blauwviolette bloemen. Overigens bestaat er van die heerlijk geurende sinensis een witte variëteit: ‘Alba’.

De plant is niet zelfhechtend. Wisteria moet worden geleid; aan/langs muren of over een pergola. Een stevig geconstrueerde pergola is nodig. Een volgroeide blauwe regen vertegenwoordigt een behoorlijk gewicht. Wordt de blauwe regen langs een muur geleid, dan zijn flinke haken nodig om de aanbinders eraan vast te maken. Blauwe regen in wat voor kleur ook is een mooie en goede bedekker voor een carport of een rozenboog bij de ingang van de tuin.

Een berceau gevormd door gouden regen

‘Loofgangen’ of ‘berceaux’ zijn ook vaak gevormd met behulp van blauwe regen. Het is een fantastische ervaring om door zo’n bloeiende loofgang te lopen. Blauwe regen doet, wanneer de bloemtrossen in groten getale aan de ranken hangen, sterk denken aan een kas waarin hangende druiventrossen het beeld bepalen. Op de afbeelding hiernaast is de loofgang gevormd uit gouden regen. Gouden regen behoort tot het geslacht Laburnum, maar is ook familie van Wisteria.

Snoeien bevordert bloei

Wisteria is geen moeilijke plant. Een lichte, humusrijke grond die voldoende vochtig is, zorgt voor een flinke groei en bloei. Wisteria houdt van zon en anders wordt die wel opgezocht. Alleen de bladeren van Wisteria zijn al de moeite waard om te zien. Wisteria‘s leven lang en hebben zelden verjongingssnoei nodig. Is dat na vele jaren wel nodig, dan duurt het jaren voordat er weer bloemen verschijnen. Oppassen dus.

Na de aanschaf en het planten moet blauwe regen worden ‘opgeleid’. In zomer en winter kan de leiplant worden gesnoeid. Direct na het planten moet de hoofdgesteltak worden ingenomen. Knip de ‘kop’ terug tot zo’n 80 – 90 cm boven de basis. Cultuurvarëteiten (cv’s) worden geënt; knip dus nooit onder de entplaats, anders wordt het nooit meer wat. Knip alle zijscheuten die horizontaal uit de gesteltak groeien, in tot op één oog.

Dikke bloemtrossen typeren de bloei van blauwe regen

In het tweede levensjaar wordt de plant in de winter gesnoeid: de hoofdgesteltak wordt opnieuw ingesnoeid, maar laat 40 – 50 cm van de jonge topscheut boven het gedeelte van het vorige jaar staan. Alle zijscheuten worden gesnoeid tot op drie ogen, behalve die van de onderste zijscheuten. Deze mogen 30 – 40 cm lang blijven en worden horizontaal uitgebogen en aangebonden. In de volgende jaren worden alle zijscheuten wel gesnoeid en de lengte ervan teruggebracht tot 40 – 50 cm ten opzichte van de hoofdgesteltak. Elk volgend jaar worden de zijscheuten uitgebogen en aangebonden. Is de plant eenmaal op hoogte en breedte, dan wordt de snoei aangepast aan het beheersen van de vorm en de productie van (meer) bloemen. Blauwe regen wordt maximaal 10 meter hoog.

Bloei te bevorderen

Knip de zijscheuten af op 2 – 3 knoppen vanaf de hoofdgesteltak. De aanleg van bloemsporen wordt hierdoor opgewekt. Let op: bladknoppen van de blauwe regen zijn lang en spits; bloemknoppen zijn dik en bolrond. ‘t Kan haast niet missen: dit onderscheid is duidelijk te zien.
Een juiste snoei (elk jaar) en wat zon (ook elk jaar graag) is het enige waar de blauwe regen op is gesteld.

Thunbergia grandiflora

Thunbergia grandiflora is minder bekend dan Suzanna-met-de-mooie-ogen (Thunbergia alata). Thunbergia alata bloeit met geeloranje bloemen en is in de zomer te koop als kamerplant of te gebruiken als klimplant voor op het balkon.

T. grandiflora heeft
een trompetvormige bloem

Thunbergia grandiflora is meer exotisch en komt uit India. Het is een groenblijvende klimplant, die ook geschikt is voor op het balkon, in een serre of tegen een schutting waar het lekker warm is. De klimplant bloeit de hele zomer tot ver in de herfst.

Het geslacht Thunbergia bestaat voornamelijk uit wel of niet groenblijvende, polvormende slingerplanten. Soorten komen vooral voor in Azië, Madagascar en Zuid-Afrika. De Zweed Carl Thunberg (1747 – 1828) heeft veel soorten van dit geslacht in Japan en in Afrika verzameld. De meeste hebben een gaafrandig of gelobd blad en trompetvormige bloemen. Bloemen zijn alleenstaand of staan in een groep.

Thunbergia grandiflora behoort tot de familie van de Acanthusachtigen (Acanthaceae). Hiertoe behoort o.a. ook Acanthus.

 
De grote bloemen staan in hangende tuilen

Thunbergia grandiflora heeft vooral grote bloemen; circa zeven centimeter lang en breed. De plant heeft veel ruimte nodig: een grote pot (minimaal 50 cm) of kuip om in te groeien en een uitgroeimogelijkheid in hoogte en breedte van minstens vier meter. De potgrond moet bestaan uit een goede potgrond. Leg onder in de pot of kuip een laag potscherven of gebruik gebakken kleikorrels voor een goede afwatering. In de zomer heeft de plant behoefte aan veel water; vanaf de herfst tot begin voorjaar juist weinig. De behoefte aan zonlicht in de zomer is gering. De plant kan het beste op een plaats in de halfschaduw worden gehouden. Aan zonlicht in de zomer heeft de plant een hekel. De bladen worden daardoor lichtgeel of zelfs bruin. Hoe hoger de luchtvochtigheid in de zomer, des te beter groeit en bloeit de plant. In de winter kan de luchtvochtigheid normaal (70 procent) zijn.

Verzorgen

Thunbergia kan niet buiten overwinteren, de plant is gevoelig voor vorst. Overwinter de plant op een plaats waar veel licht is. Voor het moment van binnen halen kan de plant in vorm en tot de gewenste grootte worden (in)gesnoeid. Snoeien is gericht op het uitdunnen van het teveel van omhooggroeiende scheuten. Knip overtollige scheuten aan de basis weg. Bindt de overige scheuten aan op een ‘trellis’ van bamboestokken. Top vervolgens de zijscheuten. De luchtvochtigheid mag normaal zijn. De minimumtemperatuur op de overwinteringsplaats moet 13 °C. zijn. Vanaf het moment dat de plant binnen wordt gehouden moet één keer per twee weken vloeibare kamerplantenmest aan het gietwater worden toegevoegd. Vernevel ten minste elke week wat water over de plant.

Plagen

Het kan voorkomen dat de plant wordt aangetast door bladluis. Bladluizen zijn te bestrijden met Spruzit (Ecostyle). Andere aantastingen kunnen zijn: witte vlieg, schildluis en rode spint. Bestrijd deze aantastingen met Promanal (Ecostyle). Lees altijd de gebruiksaanwijzing op de verpakking.

Sterjasmijn, het mooiste op oog/neushoogte

Sterjasmijn

Witte bloemen met een sterke en aangename geur heten al vlug jasmijn in tuinkringen.Hoewel er een hele groep echte jasmijnen is (Jasminum, behorend tot de olijffamilie) met tropische en winterharde soorten, is dat kennelijk nog niet voor iedereen genoeg. Zo zijn er de boerenjasmijn (Philadelphus, uit de hortensia-familie) en de sterjasmijnen. Wit en geurend.
Sterjasmijnen behoren tot de maagdenpalmfamilie. Dat is in de details ook goed terug te vinden: het glimmende blad en de vorm van de bloemen lijken heel veel op dat van de maagdenpalm.

Sterjasmijnen zijn ook net als maagdenpalm als een kruipende bodembedekker te kweken. Het mooiste zijn ze toch wel als klimplant met bloemen op oog/neushoogte. Andere typische kenmerken van de

Sterjasmijn
Een groenblijvende klimmer met in de zomer roomwitte, verrukkelijk
geurende bloemen

maagdenpalmfamilie zijn de zaaddozen, die een beetje aan de hoorns van een of andere herkauwer doen denken. Onder de Apocynaceae, zoals de maagdenpalmfamilie officieel heet, is een groot aantal behoorlijk giftige planten. Trachelospermum wordt in het algemeen niet genoemd op lijsten van giftige planten, maar gezien de familiebanden is enige voorzichtigheid wel geboden. U kunt maar beter niet het eerste geval worden…

In Nederland wordt Trachelospermum vooral gezien als een plant voor in de kas of in een serre of als kuipplant, maar hij kan het goed doen in de tuin. De witte sterjasmijn (Trachelospermum jasminoides) is iets gevoeliger voor kou dan de gelig witte Japanse sterjasmijn (Trachelospermum asiaticum). Beide kunnen op een beschutte plaats heel goed buiten gekweekt worden en verdragen dan op een droge plaats temperaturen van respectievelijk -10 en -15 graden. Voor de zekerheid kunt u natuurlijk altijd een aantal stekken binnen laten overwinteren. Dat moet op een lichte plaats, want de planten laten hun bladeren niet vallen. Die van de Japanse sterjasmijn worden bovendien in de herfst een tikje rood, wat ze wat extra sierwaarde geeft.

Sterjasmijnen zijn verder makkelijke planten: Ze weinig kieskeurig voor grondsoort, al doen ze het het beste in enigszins voedzame, humushoudende

Sterjasmijn, peulen
Na de bloei verschijnen er vruchten in de vorm van 20 cm lange peulen

grond op een niet al te vochtige plaats. Droogte verdragen ze beter dan te veel water. Al zitten ze er ook niet mee als hun voeten na een natte periode een poosje in het water staan. Als het maar weer eens opdroogt. Verder vinden ze zowel zon als halfschaduw goed. Eenmaal goed groeiend worden ze snel groter, maar gaan nog lang niet echt woekeren en zijn nog lang te leiden. Omdat de stengels snel verhouten, zijn ze ook met wat moeite tot een struikje terug te knippen. Vooral als ze als kuipplant worden gebruikt, is dat handig.
In de natuur groeien ze rond bomen en hechten zich daar aan de stam door zich er strak tegenaan te drukken. Dat gaat in de meeste tuinen niet, maar dan kunnen ze geleid worden door een gazen hekwerk of een trellisscherm. Ook langs een pergola staan ze fraai, maar ze kunnen wat kalig worden. Voor een fraai begroeide pergola is het dan beter er een andere klimplant, bijvoorbeeld een eenjarige, doorheen te laten groeien. In het binnenland van Italië, waar de wat gebruikelijker klimplanten het moeilijk hebben, begroeien sterjasmijnen soms hele wanden en muren.
De planten beginnen te bloeien in het voorjaar, in mei, en bloeien dan meteen op hun rijkst. Ze blijven het hele jaar doorbloeien tot laat in de herfst, maar met steeds minder bloemen.
[ Peter Mudde

]

Solanum ‘Rantonettii’, een fraaie klimmer

Wie geregeld een bloemist of tuincentrum bezoekt, ziet altijd wel weer nieuwigheden die de aandacht trekken. Meestal zijn het bloeiende planten, waarop je oog valt. Ze verkopen zich bijna vanzelf. Zo’n plant is ook een flink hoog gegroeide (en bloeiende) Solanum ‘Rantonettii’.

Het geslacht Solanum is omvangrijk. Er zijn consumptiegewassen (aardappel, tomaat), (on)kruiden en sierplanten, die ertoe behoren. Zowel laag bij de grond groeiende als klimmende planten zijn lid van dit geslacht. Als klimmende sierplant is Solanum crispum ‘Glasnevin’ het meest in zwang. Solanum ‘Rantonettii’ is de laatste jaren op weg om meer in de mode te komen.

Solanum ‘Rantonettii’ bloeit de hele zomer tot laat in de herfst

De verzorging van beide klimplanten is identiek. Het zijn beide blikvangers voor balkon, terras of kleine stadstuin. Wat het meest in het oog springt, is de lange bloeitijd. Je beleeft er minstens vijf tot zes maanden bloeiplezier aan.

Solanum ‘Rantonettii’ is niet geheel winterhard. Wie de plant koopt en wil overhouden, moet zich wel realiseren of er in de winter een plaatsje binnen beschikbaar is. De klimplant wordt van klein tot groot aangeboden en kan uiteindelijk wel tot drieëneenhalve meter hoog worden. Ook dan is de plant een onweerstaanbare blikvanger.

Verzorging

Om hoge opgroei mogelijk te maken is een ruime pot of liefst grote kuip wel het allerminste. In een (kleine) stadstuin kan ook in de volle grond worden geplant. In die omstandigheid groeit de klimmer heel voortvarend. Plant Solanum in een humusrijke (pot)grond. Een beschutte plaats in de volle zon zorgt voor een heel rijke bloei. Geef de plant geregeld water; de grond moet licht vochtig blijven. Voeg aan het gietwater één keer per maand vloeibare plantenvoeding toe.

Leiden

De plant is niet zelf hechtend of klimmend. Ze moet worden geleid en regelmatig worden aangebonden. Daarmee heb je de uiterlijke vorm van de klimmer in de hand: een breed uitlopende vaasvorm, piramidaal of bolvorm op stam. Regelmatig toppen of nijpen van de uitlopers zorgt voor een dichte vertakking en dus volle plant. Na de bloei (aan het begin van de winter) of in het voorjaar (voor het uitlopen) kan de plant licht worden gesnoeid. Nooit in één keer de plant verjongen, maar elk jaar een oude scheut/stengel verwijderen. Ongewenste of een teveel aan scheuten kan gedurende de groei worden weggenomen.
Draag bij het snoeien handschoenen; het sap kan bij sommige mensen allergische reacties op de huid veroorzaken.

Binnen of buiten

Geef de plant binnen een plaats voor de eerste nachtvorst. In de periode dat de plant binnenshuis staat een matige hoeveelheid water geven. De plant verdraagt kou tot min10° Celcius. Op een beschutte plaats in de tuin is afdekken met dennentakken of grof blad ter bescherming in de winter mogelijk. Zelfs bij bevriezen van het blad zullen in het voorjaar weer scheuten uitgroeien. Wie geen ruimte heeft om een grote kuip in huis te halen, kan zijn toevlucht nemen tot stekken in pot. Stekken kunnen tijdens het hele groeiseizoen worden gemaakt.

Nachtschadeachtigen

CestrumStreptosolenIochromaBrugmansiaIochroma
NachtschadeSolanum ‘Rantonettii’Solanum jaminoides ‘Album’Lampionplant

Solanum jasminoides ‘Album’

De ene na de andere Solanum verschijnt in bloemisterij en tuincentrum. Dat is ook niet zo verwonderlijk, omdat er meer dan veertienhonderd soorten nachtschade over de wereld verspreid voorkomen.

Solanum jasminoides ‘Album’ is een gestage groeier

Sommige zijn groenblijvend, andere zijn bladverliezend. Aardappel en aubergine behoren ook tot de nachtschadeachtigen (Solanaceae).

Solanum jasminoides ‘Album’ is inheems in Brazilië en Paraquay. Daar groeit deze klimplant langs bosranden en in struikvegetaties. Vanwege het warme en vochtige klimaat is de plant daar groenblijvend. Hier is het een bladverliezende plant. Bladeren worden tot vijf centimeter lang. Met een beetje geluk en de juiste verzorging kan deze Solanum in het groeizeizoen tot een hoogte van vier meter klimmen. Een plaatsje in de halfschaduw en een ruime vochttoevoer zijn dan wel nodig. Plant Solanum in een ruime kuip of bak gevuld met humusrijke grond. Zorg dat de uitgroeiende klimmer voldoende steun kan vinden om z’n weg ‘ins Blaue hinein’ te vinden.

Gewone Solanum jasminoides bloeit met lichtblauwe bloemen. De variëteit ‘Album’ heeft spierwitte bloemen. Zoals bij alle Solanaceae zijn de bloemen typisch stervormig: vijf kroonbladen met in het midden het vruchtbeginsel en de lange meeldraden daarboven. In de herfst komen er veel kleine blauwe bessen aan de plant. Deze bevatten veel zaden.

Solanum overhouden

Deze klimplant kan niet buiten overwinteren. Jammer genoeg, omdat veel tuinbezitters het na één groei- en bloeiseizoen wel voor gezien houden. Wie de plant wil overhouden, moet hem daarom in een ruime kuip of bak planten. Aan het einde van de zomer knip je de plant tot op ongeveer één meter hoogte af. Tot aan het einde van de herfst kan de plant nog buiten worden gehouden en zullen er nog enkele nieuwe scheuten worden gevormd. Voor de eerste nachtvorst moet de plant naar binnen en kan daar overwinteren bij een temperatuur van 10 °C. Geef vanaf dat moment minder water en geen (opgeloste) voedingsstoffen meer. Eind februari mag de plant van nieuwe aarde worden voorzien. Om de plant aan de groei te brengen kan de temperatuur wat worden opgevoerd. Beslist noodzakelijk is het niet, maar een lichte voorsprong tot het moment dat de plant weer naar buiten mag, is mooi meegenomen. Solanum jasminoides en/of Solanum jasminoides ‘Album’ zal onafgebroken rijk bloeien bij wie hem goed verzorgt.

Nachtschadeachtigen

CestrumStreptosolenIochromaBrugmansiaIochroma
NachtschadeSolanum ‘Rantonettii’Solanum jaminoides ‘Album’Lampionplant

Rhodochiton, een klimmer en bodembedekker

De plant komt uit Mexico. Er bestaan drie soorten van het geslacht. De plant behoort tot de familie van de helmkruidachtigen (Scrophulariaceae), een onderfamilie van de dovenetels.

Rhodochiton sanquineus bloeit het hele zomerseizoen met klokvormige, roodpaarskleurige bloemen

Het is een eenjarige plant die meestal uitgestald staat tussen al het andere tijdelijke vulgoed voor de border. In tuin en op balkon is het een sieraad voor het oog.

Rhodochiton sanquineus is te gebruiken als slingerplant. De plant slingert zich omhoog en zet zich aan een raamwerk vast met windende stelen. Binnen één seizoen kan de plant een oppervlakte van vier vierkante meter bedekken. Wanneer de plant over de grond wordt geleid, bedekt hij een evenzo grote oppervlakte. Bijzonder zijn de bloemen. De bloem heeft een hangende kroonbuis, die uit vijf segmenten bestaat. De kroonbuis steekt ver buiten de kelk en is donkerpaars. De kelk is klokvormig en bestaat uit vijf vergroeide kelkbladen. Het blad is ovaal tot hartvormig, aan de rand licht behaard. Het blad heeft windende stelen, waarmee de plant zich dus omhoog werkt.

Plant Rhodochiton in een ruime pot of kuip of in de volle grond. Zorg ervoor, dat de plant zich aan een geschikt element (trellis, klimrek of schutting) omhoog kan slingeren. Geplant in de volle grond als bodembedekker worden verder geen maatregelen vereist. Een plaats in de volle zon is een absolute voorwaarde voor een rijke bloei. Geef de plant eens in de twee weken vloeibare mest voor bloeiende planten.

De plant is helaas niet winterhard. Overwinteren kan in een matig verwarmde kas, waar de planten in ieder geval vorstvrij blijven. Zaaien kan in het voorjaar. Zaai in een humusrijke grond. De grond moet voldoende vocht kunnen vasthouden, overtollig water moet snel kunnen worden afgevoerd. Rhodochiton kan tot drie meter hoog worden.

De roze trompetklimmer, voor de (zeer) nabije toekomst?

De trompetbloemenfamilie kent vele fraaie soorten. Naast de fraaie trompetklimmer Campsis sp. met zijn donkerrode bloemen is er ook de roze bloeiende klimstruik Podranea ricasoliana (roze trompetklimmer). Een plant die eigenlijk niet voor Nederlandse tuinen geschikt is, omdat hij normaal gesproken niet winterhard is.

De roze bloemen groeien in eindstandige pluimen en hebben roodachtige strepen in het centrum

Dat mag niet echt een beletsel zijn. Met een beetje moeite is de plant prima te kweken op een zonnige plaats in niet al te vochtige aarde, bij voorkeur tegen een zuidmuur. Daar groeit hij als kool en bloeit vanaf augustus tot ergens in oktober. Als de vorst dreigt, kan de plant worden teruggesnoeid tot enkele hoofdtakken, uitgegraven en met een dikke kluit aanhangende grond in een kuip of emmer weggezet op een vorstvrije droge en donkere plaats. In winters met een normale neerslag is het dan zo vochtig, dat de kluit aarde altijd wel een beetje vochtig blijft. Zo niet, dan is het aan te bevelen de kluit af en toe even een klein beetje te begieten. Zonder bladeren, want die vallen af, heeft de plant nauwelijks water nodig en kan heel veel hebben.

In het voorjaar, eind april, kan de plant weer ingegraven worden op z’n plekje bij de warme zuidmuur. Wortelkluit in de grond, scheut water erbij en klaar… Dan is het wachten… en wachten… Het kan even duren, voordat er weer leven in de droge staken komt. Soms is het begin juli, voordat er langs de littekens van oude bladeren voorzichtig rode puntjes verschijnen: de eerste tekenen van nieuwe groei. Op zich is dat niet ongunstig. Het voorkomt, dat de eerste uitlopers door een late nachtvorst geveld worden. Als die groei eenmaal begint, toont de plant zijn ware Bignoniaceeënaard en in no time is het een weelderig groeiende plant geworden met stengels die tot 4 meter hoog langs een rekje omhoog kruipen. Aan het einde van de stengels ontstaan tuilen van wel twintig grote, roze bloemen. Uiteindelijk bloeit de plant door tot de groei door kou tot stilstand komt. Dan is het weer tijd voor uitgraven en zo verder.

Ongelukje

In de nauwelijks noemenswaardige winter van 2006-07 is deze plant in een tuin buiten gelaten. Een ongelukje, dat goed uitpakte. De plant is bestand tegen een graad of wat nachtvorst – dagvorst is een ander verhaal. In het vroege voorjaar, eind februari 2007, liep de plant alweer uit. In andere jaren moest dus tot eind juni worden gewacht op tekens van leven en nu… Maar het is nog te vroeg voor conclusies.
Tegen de af en toe toch nog invallende nachtvorsten wordt de plant beschermd door er een deken overheen te spannen. Dat in combinatie met de restwarmte van de zuidmuur waar hij bij staat, houdt de jonge scheutjes levend.

Gebruikelijker is de plant als een kuipplant te kweken. Een kuip van 30 centimeter doorsnede is wel het minste, dat een plant verlangt, wil hij goed bloeien. Verder heeft hij steun nodig; een hekwerk om langs omhoog te klimmen.

Overwinteren

Hij kan dus vanaf april tot oktober op een warme zonnige plek buiten staan. Overwinteren in een koele kas geeft de snelste groei in het voorjaar, maar vergt wel enige zorg. Zolang de plant bladeren heeft, verbruikt hij ook water en eenmaal uitgedroogd heeft hij lange tijd nodig om weer te herstellen.
Na de bloei kan hij grote groene vruchten geven. In de praktijk komt dat hier zelden voor. De bestuiving is in handen van vogels en dergelijke bloembezoekende soorten hebben wij hier niet. Maar u kunt proberen het werk van de honingzuigers met een veertje over te nemen.

Een verschil met de trompetklimmer is wel, dat de bloemen niet zo vlezig zijn en misschien daardoor ook niet snel worden aangevreten door mieren, zoals dat Campsis regelmatig overkomt. [ Peter Mudde

]