Quercus ilex, de steeneik

Hoewel de steeneik vooral in landen rond de Middellandse Zee voorkomt, kan hij als kleine boom of struik redelijk goed worden gebruikt in noordelijker streken en dan vooral in de kustgebieden. Als jonge boom is hij wel vorstgevoelig.

Steeneik (Quercus ilex) in een maquisbegroeiing

Op oudere leeftijd kan een temperatuur van -9 tot -12,5 °C worden verdragen.

De steeneik (Quercus ilex) is in gebieden, waar hij van nature voorkomt, vooral te vinden op droge grond, die kalkrijk is. Daar worden het kolossale bomen met een breed eironde kroon. Tot vijfentwintig meter hoog of meer worden ze daar. De steeneik komt voor in zo genoemde hardloofbossen (Durisilvae). Als struik is de steeneik ook aan te treffen in bosschages (maquis) en verruigte gebieden. Een mooie (onder)vegetatie van Quercus ilex met Pinus pinea is te vinden in de bossen van Migliarino (Italië). Door het hulstachtige blad (vandaar de tweede naam), dat scherp getand is, vormen de struiken een haast ondoordringbare hindernis in het landschap.
Oude bomen hebben naast getand blad ook gaafrandige bladen. Normaal zijn de bladen twee tot acht centimeter lang, leerachtig, glimmend en eirond tot lancetvormig van vorm. De onderzijde van het blad is witachtig bepoederd.

Bloeiwijze van de steeneik

Een steeneik is groenblijvend. De fraaie bloei en de eikels zijn de moeite waard om te worden gezien.

Een steeneik (Fagaceae) bloeit omstreeks mei met goudgele, manlijke katjes. Vrouwelijke bloemen zijn groenachtig en onopvallend. Na de bevruchting verschijnen vrij lange, één tot twee centimter grote eivormige eikels aan de jonge geelviltige twijgen van de boom of struik.
De steeneik is bijzonder goed bestand tegen wind en in het bijzonder zeewind. Een steeneik moet in ons klimaat op een beschutte plaats worden geplant. Kalkrijke klei- en zandgrond komt in aanmerking. De eerste jaren moet de boom/struik tegen vorst worden beschermd. Daarom moeten we de steeneik in onze contreien maar beschouwen als een exoot.

Hardloofbossen

Voor de bossen op aarde worden classificatiesystemen aangehouden. Naar het systeem van Brockmann-Jerosch en Rübel is in het Durisilvae xerophytisch en sclerophytisch (droogte) bos aan te treffen. Kenmerkend is, dat er altijd blad aan bomen en struiken zit. Deze bossen zijn in gematigd warme gebieden te vinden, waarin zowel een wintertemperatuur alsook een zomertemperatuur is te onderscheiden. Xerophytisch bos is onder andere te vinden in het Middellandse-Zeegebied. Ecologisch overeenkomstige vegetaties zijn onder meer te vinden in de maquis rondom de Middellandse Zee, de chapparal in Californië en in de ‘scrub’-vegetatiegebieden van Zuid-Afrika.

Tamarindus, tamarinde

Tamarindus indica, de tamarinde, is bepaald geen boom, die in ons klimaat zo maar even geplant kan worden. Het is zelfs zeer de vraag of exemplaren gekocht kunnen worden. En wie hem al op de kop kan tikken, zal over een warme kas moeten beschikken. Hoe lyrisch je ook door de tamarinde kan worden, je moet er wel de ruimte voor hebben: een flinke kas van zeker twintig meter hoog.

Tamarinde (Tamarindus indica) in bloei

Kortom, beter is het om de tamarinde maar in de tropen te gaan bekijken. Of je moet bezeten zijn of raken van deze boom… In landen als Egypte, Libië, Syrië en in het verre zuiden van Turkije komt de boom wel eens als straatboom voor. Het is een boom van de eerste grootte, groenblijvend en uiterst langzaam groeiend. Als de boom eenmaal volwassen is, kun je tenminste zeggen: kijk, daar staat een boom. De tamarinde behoort tot de familie van vlinderbloemigen (Fabiflorae), subfamilie Ceasalpiniacea. Tot deze familie behoren onder andere: Cercis (Judasboom), Gymnocladus (doodsbeenderenboom), Cassia (meloenboompje) en Caesalpinia.

Een tamarinde bloeit in warme zomers vanaf begin juni tot einde augustus. Zowel bloem als vrucht kunnen in die periode gelijktijdig aan de boom zitten. De tamarinde is groenblijvend en komt van oorsprong uit het oostelijke gebied van Afrika. Inmiddels komt de boom ook voor in grote delen van Klein-Azië. In Turkije staat de boom soms in tuinen of is daar verwilderd. De boom is geschikt voor alle grondsoorten, behalve zure grond. Als de boom eenmaal goed is aangeslagen,

De vrucht van de tamarinde wordt om zijn eigenschappen geteeld

verdraagt hij lange tijd droogte en in ieder geval de vreselijkste hete zon. Nadeel van de boom is, dat hij door wortelopslag kan gaan woekeren.

De vruchten van de tamarinde bestaan uit zoetig vruchtvlees rond de eigenlijke vrucht of zaden. Van het zoetzure vruchtvlees wordt na koken en zeven een siroop gebrouwen. Uit de siroop wordt vervolgens frisdrank gemaakt. De zoetzure saus is ook een bestanddeel van onder andere Worchestershiresaus, een belangrijk ingrediënt in de Aziatische keuken. De ‘bonen’ zijn aanvankelijk groen, maar verkleuren naar donkerbruin. Tamarindus indica heeft kleine, gele bloemen. Over de kelkbladen lopen kleine, oranje of roodachtige strepen. Naast een gele bloemkleur bestaat er ook een soort met witte bloemen. De bloemen staan in tuilen tussen de bladen. De bladen staan tegenover elkaar langs een dunne, gelige bladstengel. Het blad voelt wat leerachtig aan, een aanpassing ten behoeve van extreem zonlicht en droogte.
Het is echt jammer, dat de tamarinde niet geschikt is voor ons klimaat.

Chorisia, een markante boom

Soms kom je bomen tegen, die je nog nooit hebt gezien. Als zo’n boom dan ook nog eens in volle bloei staat, wordt je aandacht er meer op gevestigd en de nieuwsgierigheid naar om welke boom het gaat groter. In de schitterende en voorbeeldige tuinen van El Real Alcázar de Sevilla staat Chorisia.

Chorisia speciosa bloeit met Hibiscusachtige bloemen

Een boom die je in Nederland niet zult aantreffen. Soms wordt Chorisia als kuipplant aangeboden. Alleen op een zeer zonrijke en warme plek is hij op z’n plaats.

Tot het geslacht Chorisia behoort een vijftal soorten. Ze groeien van nature allemaal in Zuid-Amerika. En dan nog alleen in warme, subtropische en tropische gebieden met een relatief vochtige bodem. Het zijn bladverliezende bomen. Aan het begin van de herfst tot aan de winter is de boom overdekt met een zee van bloemen. Er zijn er met witte, rode en blauwachtig, paarse bloemen.

 
Als Chorisia in bloei staat, is hij overdekt met een roodroze zee van bloemen Bloeit met of zonder blad aan de boom

Chorisia speciosa wordt tussen de vijftien tot vijfentwintig meter hoog. De bladen zijn vijftallig en langwerpig (handvormig samengesteld). Pas wanneer de temperatuur onder de 15° C. is gedaald, vallen de bladen van de boom. Ook al is het blad afgevallen, dan nog bloeien de bomen volop. De boom behoort tot de kleine familie van de wolboomachtigen (Bombaceae). Omdat de boom zich voornamelijk door zaden voortplant, is de variabiliteit in bloemkleuren en bedekkingsgraad met bloemen verschillend.

   
De stam kan bedekt zijn met behoorlijke doornen De zaden zitten opgesloten in zijdeachtige vruchtdozen

Na de bloei verschijnen er geelbruine zaaddozen, die heel zijdezacht aanvoelen. Vandaar dat de boom ingedeeld is bij de wolboomachtigen. In het omhulsel bevinden zich één tot vijf zaden. Vanwege de grote overeenkomst met de kapokboom (Ceiba pentandra) wordt het geslacht Chorisia ook wel gerangschikt onder de naam Ceiba. Een groot verschil is m.i dat de zachte vulling bij een kapokboom (het kapok) zich binnen het zaadomhulsel bevindt. Opvallend aan de overigens licht gegroefde, gladde stam van Chorisia zijn de flink grote doornen. Deze doornen staan niet altijd op de stam. Alleen bij jonge bomen is dit het geval. Naarmate de boom ouder wordt, verdwijnen deze doornen.

Plant Chorisia in een voedzame, vocht vasthoudende, maar goed doorlatende grond. De boom kan worden gezaaid of geënt.

Dicksonia antarctica, boomvaren

De zachte boomvaren heeft in volwassen toestand wel wat weg van een palm. Dit komt door de rechte stam, bekleed met vezelachtige wortels, en de enkele knop in de top, waaruit vele lange, geveerde bladen groeien. De boomvaren staat vanwege z’n architectonische uitstraling terecht meer en meer (2003) in de belangstelling. Wie zo’n varen wil aanschaffen, zal merken dat hij flink prijzig is. Overwinteren moet in een vorstvrije ruimte op een wel heel beschutte plaats en/of door het inpakken van de varen in stro.

De mooiste boomvarens heb ik ooit gezien in de uitgestrekte tuin van Hotel Bussaco. Het hotel ligt op zo’n dertig kilometer van Coimbra (Portugal).

Hotel Bussaco met broderietuin (achterzijde)

Bussaco is in 1094 door Dom Joäo Manuel, bisschop van Coimbra, verkocht aan de orde van de Karmelietessen. Lange tijd daarna was het ongeveer vijfenzeventig hectare grote landgoed en gebouw een klooster. Op het landgoed zijn nog bouwsels van heremieten te vinden. Het oude klooster is goeddeels gesloopt en moest plaatsmaken voor een jachtslot voor koning Ferdinand. Later werden de tuin en het landgoed onder Alexandre d’Almeida verrijkt met botanische bijzonderheden. Het oude jachtslot in Bussaco behoort inmiddels tot de hotelgroep Hotéis Alexandre de Almeida, een exclusieve hotelketen in Portugal. Op het landgoed van Bussaco is een laantje – dat dubbelzijdig beplant is – met wel honderd boomvarens te vinden. Het is een bijzondere belevenis onder en tussen deze boomvarens door te wandelen.

Dicksonia antartica komt uit het zuidoosten van Australië.

D. antartica is een echte varen en maakt bladen tot wel drie meter lang

Het verspreidingsgebied loopt van Australië, Tasmanië, Nieuw-Zeeland naar Maleisië en tot ver in Midden-Europa. Het geslacht telt ongeveer dertig soorten groenblijvende en half groenblijvende varens. Dicksonia behoort tot de familie van de Dicksoniaceae. De boomvaren is een echte varen en wordt van andere varensoorten onderscheiden door de enkele knoop in de top, die de verticale stam bekroont. De varen is licht vorstgevoelig, maar overleeft de winter als de basis, stam en top gedurende de winter ingepakt worden in stro. Wie geen risico wil nemen, plant een boomvaren in een ruime kuip en laat hem overwinteren in een vorstvrije ruimte.

Dicksonia antartica verlangt een tegen zon beschutte plaats: een halfschaduwrijke of schaduwrijke plaats in de tuin. Voor een goede ontwikkeling en groei is een hoge luchtvochtigheid van belang. Een plaats in de buurt van een vijver of sloot is daarom het beste. Wie geen open water tot zijn beschikking heeft, moet de varen in de zomer regelmatig met water besproeien. Voor een goede groei moet de grond uit zeer humusrijk materiaal bestaan. Mulch verteerde bladaarde met compost. Een boomvaren kan tot ruim drie meter hoog worden. De bladen zijn elk ongeveer drie meter lang en staan rondom de stam. Om deze spectaculaire varen goed tot z’n recht te laten komen is, vanuit de stam gemeten, rondom een ruimte van acht meter minimaal nodig.

Ficus macrophylla, vijgenboom

Het geslacht Ficus bestaat uit bijna duizend soorten en telt vele variëteiten. Sommige daarvan kennen wij als kamerplant, maar meer nog zijn daar grote bomen onder. In landen met een warm klimaat of een lange zomer wordt Ficus dan ook

Ficus macrophylla geeft
een aangename schaduw

als straat- of parkboom gebruikt. Ficus macrophylla kan een boom worden tot veertig meter hoog.

Ficus macrophylla of vijgenboom behoort tot de familie van de moerbeiachtigen (Moraceae). Het geslacht heeft een groot verspreidingsgebied. In tropische en subtropische gebieden is het geslacht inheems. De meeste soorten groeien in de grond, andere daarentegen op een gastheer (saprofytisch). De bomen zijn liefhebbers van volle zon, de klimmende soorten groeien in het algemeen in de schaduw of halfschaduw. Binnen het geslacht zijn er die bladhoudend zijn, maar er zijn ook bladverliezende soorten. De boom heeft grote, elliptisch, leerachtige, donkergroene bladeren en produceert (nauwelijks) eetbare vruchten gelijkend op de bekende Ficus carica. Ficus macrophylla bloeit met een onopvallende kleine bloem. Verspreiding van de zaden gebeurt door vogels en vleermuizen.

De stam van een volgroeide Ficus macrophylla met steunlijsten in het Spaanse Sevilla

Ficus macrophylla komt in groten getale van nature voor in regenwouden langs de oostkust van Australië. Het is een boom met een zeer brede, bolvormige kroon. Een kroon kan wel een doorsnede van dertig tot vijftig meter halen. Aleen in situaties met veel ruimte is de boom geschikt om in een stad of park te gebruiken. De bladen zijn donkergroen, terwijl de onderkant oranjebruin is. Het is een dicht bebladerde boom, die daarom vooral als schaduw brengende boom wordt toegepast. De stam is karakteristiek: kleikleurige, grillig en dik. Op oudere leeftijd vormt de boom dikwijls plankachtige steunwortels. Waarom de boom nu ook weer niet zo geliefd is in de stad. Je kunt in de schemer behoorlijk over het oppervlakkige wortelgestel struikelen.
Ficus macrophylla is niet geschikt voor het Nederlandse klimaat vanwege de gevoeligheid voor vorst. In landen langs de Middellandse Zee is de boom wel te zien. Deze Ficus groeit op een humusrijke vochtige grond, die goed water doorlatend moet zijn.

Ficus elastica, de rubberboom

Het geslacht Ficus telt honderden soorten. Ficus elastica is bij ons een welbekende kamerplant, hoewel modegrillen de aan- of afwezigheid in huiskamers doet verschillen. De Nederlandse naam rubberboom wekt verwarring omdat van deze ficussoort geen rubber wordt gewonnen.

Vrucht

In delen van tropisch Azië is de echte rubberboom (Hevea brasiliensis) op grote schaal in cultuur gebracht op rubberplantages. Daar wordt het sap of latex verkregen door schuine inkepingen in de bast te maken, maar dan nog is er geen sprake van rubber zoals wij dat kennen. De vloeibare latex moet eerst coaguleren en worden gedroogd. Dit kleverige materiaal is van zichzelf niet elastisch. Dat gebeurt pas als de latex samen met zwavel wordt verhit. Dit proces wordt ook wel vulkaniseren genoemd. Omdat het vulkaniseerproces van natuurlijk rubber lang duurt en bovendien kostbaar is, wordt voornamelijk synthetische rubber vervaardigd. De witte vloeistof die bij verwonding van Ficus elastica vrijkomt, is ook een kleverige latex of melksap, maar heeft geen commerciële betekenis.

Ficus elastica kan in zijn natuurlijke omgeving tot ruim 30 meter hoog worden. Bij ons moet deze ficus al bij ruim 2½ meter hoogte het hoofd buigen. Wie wel eens een botanische tuin bezoekt, kan zich vergapen aan de soms reusachtige afmetingen, die een ficus daar wel kan krijgen. Jammer is, dat een ficus gedurende een aantal maanden niet ‘s in de zomer in de tuin wordt gehouden. Graaf de ficus met pot en al in de grond. Dat moet dan wel gebeuren op een plaats in de halfschaduw of het liefste een plaats met zon in de morgen of de namiddag. Ze groeien uitstekend als ze buiten mogen staan. Een ficus verlangt een voedzame, humeuze grond, waar het gietwater snel doorheen kan lopen. Stof of sproei de bladen geregeld af. Ook zijn er handige spuitflacons om het blad mooi te laten glimmen.

Van Ficus elastica zijn er inmiddels talrijke variëteiten op de markt: witbontbladige en ook bronsbontbladige. Als Ficus elastica als boom is uitgegroeid, heeft hij een enorme hoeveelheid luchtwortels, die her en der uit de boom bungelen, en ook steunlijsten langs de stam, zoals dat het geval is met Ficus macrophylla.

Een schoonheid in de stad: Jacaranda

Alleen de naam al, Jacaranda, heeft iets koninklijks. Deze sierlijke boom voor gebieden die vorstvrij zijn, groeit van nature in Brazilië, Paraquay, Argentinië en andere landen van tropisch en subtropisch Zuid-Amerika. Als park- en straatboom komt deze fraai bloeiende boom meer en meer voor in landen langs de Middellandse Zee. Als u een warme kas hebt, kunt u aan deze fraaie boom veel plezier beleven.

Jacaranda behoort tot de familie van de Bignoniaceae.

Jacaranda mimosifolia  bloeit met diep blauwpaarse bloemen

De boom wordt aangeplant vanwege de schitterend samengestelde en dubbelgeveerde, op een varenblad lijkende bladen en niet in de laatste plaats vanwege de klokvormige bloemen in de kleuren paars, mauveblauw en wit. De bloemen staan in forse pluimvormige bundels, die fraai afsteken tegen het zachte groen en de fijne textuur van de bladen. Jacaranda levert ook hout voor o.a de meubelindustrie: palissanderhout. Een volwassen boom heeft een breed piramidale kroon. De boom kan tot vijftien meter hoog en twintig meter breed worden. Van de ongeveer vijftig soorten wordt Jacaranda mimosifolia het meeste aangeplant.

Jacaranda kan in een kuip groeien. Het is een oppervlakkig wortelende boom. Langs straten kan dit een probleem opleveren door het omhoogdrukken van de verharding. Geef de boom een voedselhoudende, humeuze en goed doorlatende grond. De boom groeit in de volle zon. Regelmatig water geven is nodig. Snoei de boom niet. Door snoeien ontstaan verticaal groeiende scheuten. Die ontsieren de vorm (habitus) van de boom. In de kroon staan de takken schuin omhoog. De eindstandige bloeiwijze ontstaat met name op het jonge uiteinde van de tak(ken). Afhankelijk van de temperatuur laat de boom in de winter of aan het begin van het voorjaar zijn bladen vallen. Bloei: september tot en met februari.

Jonge vrucht en… …rijpe vrucht van Jacaranda

Na de bloei verschijen er afgeplatte peulen. Zaden kunnen in het voorjaar onder glas tot kiemen worden gebracht. Stekken kan in de zomer. De stekken moeten ook onder glas bewortelen. Jacaranda filicifolia is een witbloeiende soort, maar qua habitus minder fraai dan Jacaranda mimosifolia.
Jacaranda is een van de fraaist bloeiende bomen, die er op aarde zijn.

Persea americana, een avocado aan huis?

Het natuurlijke verspreidings- gebied van de avocado (Persea americana) is tropisch Midden- en Zuid-Amerika. Wat zoal bij de groenteman aan avocado te koop is, komt meestal uit Israël of Afrika. De avocado is rijk aan eiwit en het vetpercentage is ook hoog. Een avocado kan zo worden gegeten of als bestanddeel van guacamole.

De avocado heeft diepgroene, elliptische bladen

De pit van een avocado kiemt gemakkelijk.

Een avocado (familie van de Lauraceae) wordt van nature een flink hoge, tot wel twintig meter hoge boom. Het is een snelgroeiende boom, die er op zich niet fraai uitziet. Het hele jaar door dwarrelen bladen af of zitten er wel bruine bladen aan. Na het eten van de vrucht kan deze in voedzame, goed water doorlatende grond worden worden gelegd, waarna de pit snel ontkiemt. De aarde moet permanent vochtig worden gehouden, anders kiemt de plant niet. De harde bolster om het vruchtbeginsel moet eerst verweken, waarna de kiem naar het licht kan groeien.

De avocado bloeit met kleine onbetekenende, groenachtige bloemen. De bloemen staan in de bladoksels. Ze zijn eenslachtig en brengen na bestuiving een peerachtige vrucht voort. Voor een goede vruchtzetting zijn twee exemplaren nodig, hoewel de avocado zelfbestuivend is. De avocado is een bedektzadige (Angiospermae). Er zijn meer soorten (circa 150) van het geslacht Persea bekend. Er zijn bijvoorbeeld Aziatische stammen en stammen, die op de Azoren voorkomen. Persea indica groeit op grote schaal op Canarische Eilanden en wordt daar commercieel geteeld. Daar vandaan komt ook de ‘zwarte’, de avocado die ook wel ‘hass’ wordt genoemd.

   
Groene avocado Opengesneden avocado Zwarte avocado

Er zijn dus twee soorten avocado te onderscheiden: de zwarte of hassavocado met een bobbelig en ribbelig oppervlak met geel vruchtvlees en de groene, die een overwegend gladde schil heeft met geelgroen vruchtvlees. De rijpheid van avocado’s is te controleren door het vruchtvlees bij de steel licht in te drukken. Als het zacht is, is de avocado rijp. De avocado werd vroeger vanwege het hoge vetgehalte van het vruchtvlees ook wel boterpeer genoemd. Andere namen zijn krokodillenpeer of alligatorpeer, afgeleid van het uiterlijk van de vrucht.

De oorspronkelijke naam, die de Azteken aan de vrucht gaven, was alvucate, maar deze naam werd te moeilijk gevonden. Avocado’s worden voornamelijk als groente gegeten bij hartige gerechten vanwege de wat nootachtige smaak. Het is een belangrijk bestanddeel van guacamole; een mengsel van avocadopuree, ui, groene peper, citroensap en een beetje tabasco. Dit wordt in Mexico als bijgerecht bij tortilla’s geserveerd.
Aan de lucht blootgesteld vruchtvlees verkleurt heel snel naar bruin. Avocado’s moeten dus kort voor gebruik worden bereid. Besprenkel het vruchtvlees met citroensap. Dit gaat het bruin worden van het vruchtvlees tegen. Stukjes van een avocado zijn ook uitstekend te combineren in een salade.

Hoewel de vrucht van een avocado gemakkelijk ontkiemt, wordt die voor de commerciële teelt voornamelijk door stekken of enten vermeerderd. Een avocado kan in ons klimaat in de zomer buiten worden gehouden. Houd de plant in het najaar en de winter binnen bij een gematigde temperatuur. Let erop, dat de grond permanent vochtig is.

Perzische slaapboom, Albizia julibrissin

Eigenlijk is er geen boom, die zo uitblinkt door zijn wonderschone bloemen als Albizia. In ons land is deze boom nog maar zelden te zien. Het is een boom voor een beschutte en warme plaats. Nu (2003) het klimaat aan het opwarmen is en de zomers warmer zijn dan ooit tevoren,

kan Albizia een plaats veroveren in de tuin van elke liefhebber, die wel in is voor een experiment.

Albizia behoort tot de familie van de Fabaceae, subfamilie Mimosaceae, waartoe onder andere ook acacia en mimosa behoren. Een Nederlandse naam voor de boom is Perzische slaapboom of Konstantinopel acacia. Het verspreidingsgebied van deze kleine boom of grote struik reikt van China tot in de uithoeken van het Verre Oosten. In landen langs de Middellandse Zee is de boom als sierboom aan te treffen. In Californië is de boom op grote schaal aangeplant in tuinen en langs straten.

Albizia is in ons land zeker nog niet op grote schaal te koop.

Albizia julibrissin in volle bloei
De bloem van Albizia lijkt op een fraai poederkwastje

Er wordt nog geëxperimenteerd met de winterhardheid van de boom. De resultaten zien er veelbelovend uit. Er zijn klonen, die ons klimaat redelijk goed trotseren. Als alles goed gaat, is Albizia zeker een grote aanwinst voor het sortiment bloeiende bomen.

Bloem en peul

In ons land bloeit Albizia in de periode juli – augustus. De bloem valt op door de grote, ronde bundels met lange meeldraden, die aanmerkelijk langer zijn dan de kroonbladen. Na de bloei verschijnen lange, afgeplatte peulen met daarin de zaden. In de peul zitten meestal zes zaden. Alleen in een warme kas kan zaad van Albizia ontkiemen.

Blad en boom

Albizia is omstreeks 1745 voor het eerst in Engeland geïmporteerd. De boom is door de Italiaan Durazzini beschreven. De boom heeft dubbelgeveerde, sikkelvormige bladen. De bladen staan in jukken van tien tot vijftien stuks aan een steel. Alleen al door de buitengewoon fraaie stand van de weelderige bladen langs de steel zou je Albizia willen hebben. In ons klimaat verliest de boom in het najaar zijn blad. De boom wordt zes tot acht meter hoog of wordt een flinke struik. De kroonvorm is afgeplat bolvormig. Plant de boom in een goed heumeuze grond, die vocht redelijk goed kan vasthouden. Naast de gewone soort Albizia julibrissin is er de variëteit Albizia julibrissin var. rosea.

De bloem van de tropische Albizia lophanta is groenachtig wit

Die bloeit met een iets lichtere bloemkleur dan de soort. Albizia iophanta is een soort voor in een tropische kas.

Snoeien

In warme zomers rijpen de jonge scheuten goed, zodat ze beter bestand zijn tegen vrieskou. In warme zomers bloeit Albizia ook aanmerkelijk beter dan in natte, koele zomers. Snoei zo weinig mogelijk. Verwijder alleen bevroren of dode takken/scheuten. Om een kroon op stam te krijgen worden in het verloop van de groei takken op de stam verwijderd. Als er eenmaal voldoende ruimte onder de kroon is om er onderdoor te lopen, wordt er verder niet meer gesnoeid. Snoeien mag alleen in het voorjaar gebeuren, bij het begin van het uitlopen van scheuten en bladen. Als de boom te breed wordt, kunnen scheuten van het voorgaande jaar beperkt worden ingekort.

Klonen:

Een kloon is de gehele nakomelingschap van één plant; de moederplant. Door middel van stekken, enten of oculeren ontstaan identieke nakomelingen met overeenkomstige kenmerken.