Cornus, kornoelje

Kornoelje valt vooral op door mooie bloemen of kleurige takken. Van sommige struiken is de vrucht goed eetbaar. Kornoelje-jam is niet alleen bijzonder, maar ook heel lekker. Het geslacht Cornus is rijk aan soorten en variëteiten. Daar zitten bijzondere en gewone soorten tussen. De bekendste soorten C. alba en C. sanquinea hebben rode of gele stengels. Een opvallende voorjaarsbloeier is C. mas, die met gele op een toverhazelaar lijkende bloemen bloeit. Cornus kousa var. chinensis bloeit statig met viertallige, zuiver witte bloemen. Deze kornoelje is ongetwijfeld een van de mooiste struiken vanwege de regelmatige opbouw van het gestel van horizontaal uitstaande takken.
Cornus stolonifera ‘Flaviramea’ is een heester die vooral als vulling en in bosplantsoenen wordt gebruikt. Van de meeste kornoeljes verkleurt het blad in de herfst en ook daardoor al is het een opvallende verschijning in elke tuin.

   
Cornus kousa var. chinensis met opvallende bloemen Cornus stolonifera ‘Flaviramea’ heeft frisgroen blad Cornus mas bloeit in april voor het blad eraan komt

Eetbare vruchten

Een bijzonder laag blijvende kornoelje is C. canadensis. Deze kruipende soort wordt niet veel hoger dan 20 cm. De plant is inheems in Noord-Amerika.

Bessen van C. canadensis zijn eetbaar

De bladeren zijn opvallend mooi van vorm en frisgroen van kleur. Zoals bij bijna alle kornoeljes zijn in het blad de licht gebogen nerven goed zichtbaar. Het is een prima bodembedekkende plant voor een humusrijke en wat vochtige bodem. Een plaats in de halfschaduw is zonder meer nodig om een mooi dek over de grond te krijgen. De bloemen zijn groenwit van kleur en verschijnen in juni – juli. Het vruchtbeginsel ligt in het centrum van de omgevende vier bloembladen. In september – oktober verkleuren de groene bessen naar felrood. De tros bestaat uit 4 – 7 langwerpig ronde bessen. De vruchten zijn een delicatesse.
De Lappen verwerken de bessen tot een vruchtengelei. In diverse soorten pudding is het vruchtmoes een welkome variatie. Ook de bes van C. mas (rode vrucht) is eetbaar en te verwerken tot vruchtengelei.

Cornus canadensis in bloei; de bladeren vormen op zichzelf staande toeven

Hydrocotyle vulgaris, waternavel

De waternavel (Hydrocotyle) heeft een omvangrijk verspreidingsgebied. Het plantje komt voor vanaf zeeniveau tot hoog in de bergen. Voorwaarde is wel, dat het milieu waar de plant moet groeien, permanent vochtig is. In vochtige duinen en veengebieden is de plant van nature thuis. Meestal is de grond iets zuur. In tuinen komt de plant soms spontaan te voorschijn op vochtige, schaduwrijke plaatsen.

Waternavel groeit met lange,
slappe stengels

Kenmerkend is het vrijwel ronde en iets gelobde blad.

De gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris) behoort tot de familie van de schermbloemigen (Umbelliferae). Het geslacht bestaat uit meer dan honderd soorten. De gewone waternavel komt van nature in heel Europa en Noord-Afrika voor. Schijnbaar ligt het plantje plat op de grond, maar niets is minder waar: elk blad staat op een tot vijftien centimeter lange steel. De witte tot bleekroze bloemen verschijnen in mei tot en met september op één enkele steel boven het centrum van het blad, later gevolgd door zaden.

Natuurlijke vegetatie

Hoewel waternavel meestal als onkruid wordt gezien, is het een aardig plantje, dat redelijk bestand is tegen vorst. Het specifieke, donkergroene blad met de bloemen daarboven maakt de plant juist wel bijzonder. In een groep geplant tussen andere kruidachtigen is hij zeker thuis in een heemachtige of natuurtuin. Een waternavel wordt tot ongeveer vijftien centimeter hoog. Plant waternavel in een halfschaduwrijke situatie. Als u een wat grotere bladvorm wenst, dan kunt u op zoek gaan naar Hydrocotyle bonariensis. Deze soort heeft bladen in een omvang als die van Oost-Indische kers. Het is een Zuid-Amerikaanse soort en helaas vorstgevoelig. Met deze plant is een fraaie bodembekking te realiseren.

Vermeerderen

Waternavel kan worden vermeerderd door in het najaar de plant te delen. Plant de gedeelde planten op een onderlinge afstand van vijfentwintig centimeter. Zaaien kan in het voorjaar. Strooi het zaad op een blijvend vochtige voedingsbodem bestaande uit tuinturf gemengd met zand. Dek het zaaisel af met glas of plastic.

Zweedse kornoelje

De Lappen, Denen en Zweden eten bessengelei van Canadese kornoelje. In de bossen van het Europese halfrond, dus ook in Lapland, groeit Zweedse kornoelje. Oppervlakkig gezien zijn er weinig verschillen tussen deze planten. Hemelsbreed wel!
Zweedse kornoelje is een kruidachtig gewas.

Zweedse kornoelje heeft een blauwe bes

Een magnifieke bodembedekkende plant voor een schaduwrijke plaats. De planten vormen een goed gesloten dek met hun karakteristieke bladeren. De ‘alleenstaande’ roodachtige bes met daaronder de schutbladen is echt opvallend. Het zijn allemaal lofuitingen voor deze bijzondere plant.
Het grote verschil tussen Zweedse en Canadese kornoelje is, dat ze op ver van elkaar liggende continenten groeien. De bes van Canadese kornoelje is bovendien rood en eetbaar; de bes van de Zweedse kornoelje is niet eetbaar. Beide hebben gemeen dat ze in het hoge noorden van de continenten groeien. Meer verschillen berusten op de kleur van de bloem. De Canadese soort bloeit met groenachtige bloemen, de Zweedse met witte bloemen met in het centrum blauwachtige of witte meeldraden. Bij Zweedse kornoelje (Cornus suecica) staan de bladeren verspreid en zijn langwerpig eirond. De Canadese soort heeft een uitgeproken eirond blad, dat ook nog eens in kransen van vier tot zes stuks bijeen langs de stengel staat.

Zweedse kornoelje wordt niet veel geplant. Het is een moeilijk te krijgen plant. Als natuurlijke vegetatie is de plant zeer, zeer zeldzaam in Nederland. In Drente komt de plant op een enkele plaats nog wel voor. Bloem, bes en blad zijn prachtig om te zien. De plant bloeit van mei tot en met augustus. Zodra een bloem is uitgebloeid, komt de bes te voorschijn.

Zweedse kornoelje groeit het beste op een humusrijke en vochtige grond die wordt beschaduwd door een struik of boom. Een grote groep planten is een duurzaam en ‘rijk’ bezit.

Trifolium, klaver

In een gazon verfoei je het als er klaver staat. Je zult er dus niet meteen aan denken om eens klavers in je tuin te halen. Gecultiveerde klaver is echter een prima bodembedekkende plant. Ze groeien uitstekend op moeilijke en donkere plaatsen. Sommige soorten bloeien in de lente, andere aan het begin van de herfst. De meeste hebben zo’n karakteristiek blad, dat je ze daarom alleen al zou nemen.

Klaver komt in vrijwel heel Europa voor, maar niet overal staan dezelfde soorten. Er zijn er die alleen in de zon groeien en er zijn soorten die als een tapijt onder struiken en bomen groeien. Alle hebben gemeen dat ze een dichte en gesloten vegetatie maken. Ze bloeien met witte, violette of rode bloemen.
Klaversoorten worden maar zelden te koop aangeboden en dat is toch heel jammer. Klaver groeit het liefst op een wat zure grond, maar op alle andere gronden doen ze het echter ook goed.

 
Opvallende tekening van de nerven Aantrekkelijke klaver door bronskleurige vlekken

Rode Klaver (Trifolium pratense) is de voornaamste soort. Hiervan zijn heel veel variëteiten. Op de afbeeldingen hierboven staat links Trifolium pratense ‘Susan Smith’ en Trifolium repens ‘Purpurascens’.

Klaverzuring lijkt op klaver, maar is er geen familie van
(afgebeeld: Oxalis acetosella)

Het zijn overblijvende planten die tot de familie van vlinderbloemigen (Papilionaceae) behoren.

Vorm en bouw van klaverzuring (Oxalis) lijkt sprekend op wat voor klaver ook. Ze komen over de hele aardbol voor; van Mexico tot bij de NoordKaap. Het zijn typisch planten die in bossen groeien. In Nederland groeit klaverzuring bij voorkeur onder eiken. Op houtwallen en andere plaatsen in het essenlandschap staan in het voorjaar hele plakkaten met flink grote, witte bloemen te bloeien. Klaverzuring hoort tot de klaverzuringachtigen (Oxalidaceae).

Een gecultiveerde soort en geschikt voor de tuin is Oxalis adenophylla.

Deze bloeit in de lente met grote aantallen lilaroze bloemen. De bloemkelk is van binnen in hoofdzaak wit met daarop lijnvormige lilaroze strepen. Het blad is grijsgroen van kleur.

Wie op zoek is naar het ‘geluksklavertje’ ofte wel klavertje vier, zal die moeten zoeken onder Oxalis deppei. Van oorsprong komt deze klaverzuring uit Mexico en – of je het gelooft of niet: hier komen ze her en der sporadisch (verwilderd) voor.

Symphytum, bodembedekkende smeerwortel

Aan smeerwortel als bodembedekker zul je niet zo gauw denken. Meestal blijft de kennis van dit geslacht steken bij de gewone smeerwortel, die hoger wordt en met blauwe bloemen bloeit.

Symphytum ibericum bloeit met crèmekleurige bloemen

De bodembedekkende smeerwortel is een rappe groeier, die op een plaats in de zon of halfschaduw het buitengewoon goed doet. De plant verbreidt zich met worteluitlopers.

Symphytum ibericum is een van de bodembedekkende soorten van het geslacht. Daarnaast bestaan soorten die ook bodembedekkend zijn, zoals Symphytum tuberosum en Symphytum ‘Goldsmith’. Symphytum tuberosum is inheems in Zuidoost-Europa, wordt tot zestig centimeter hoog en bloeit met lichtgele bloemen. Symphytum ‘Goldsmith’ is een bontbladige soort, heeft roomwit tot goudgeel gerand blad en bloeit met blauwe, roze of witte bloemen.

Symphytum ibericum(synoniem: Symphytum grandiflorum) komt eveneens uit Zuid-Europa en het noorden van Turkije.

Symphytum ibericum heeft weelderig groen blad

Daar groeit de plant in vochtige weiden en langs bosranden. De plant overwintert met knolvormige wortelstokken (rhizomen). Vroeg in het voorjaar komen de ellipsvormige bladen te voorschijn, spoedig gevolgd door de crèmekleurige bloemen. De bloei strekt zich uit van eind maart tot half mei. Bloemknoppen zijn in gesloten toestand oranjerood van kleur. Aan de basis van de bloem blijft deze kleur altijd zichtbaar. Het vormt een mooi contrast. Het uiteinde van de bloem bestaat uit vijf driehoekige slippen. Deze bodembedekkende smeerwortel doet het heel goed op licht vochtige grond, die goed los van structuur moet zijn. In een goede omstandigheid vormen de sappig groene bladen een dicht dek over de grond. Om de bladen het hele jaar mooi groen te laten zijn is een toevoeging van verteerde stalmest aan de grond geschikt. Dit voorkomt bruine randen langs het blad.
Symphytum ibericum (Boraginaceae) wordt tot twintig centimeter hoog en groeit onbeperkt in de breedte. De plant kan worden vermeerderd door scheuren of delen, door te stekken of kan in het najaar worden gezaaid. Wie een hoger groeiende smeerwortel zoekt, kiest voor de gewone smeerwortel.

Soleirolia soleirolii, slaapkamergeluk

Slaapkamergeluk ook wel ‘baard van Mozes’ genoemd, wordt voornamelijk als potplant te koop aangeboden. Het ‘geluk’ van deze plant hoeft niet alleen beperkt te worden tot huis- en slaapkamer. Het is een groenblijvende en bodembedekkende vaste plant.

Soleirolia soleirolii is een tere,
bodembedekkende plant

Soleirolia is een aardig alternatief voor vervanging van een piepklein gazon, om in lage potten of kuipen te planten of als onderbeplanting.

Slaapkamergeluk (Soleirolia soleirolii) had eerder als naam Helxine soleirolii. De plant behoort tot de familie van de brandnetelachtigen (Urticaceae). De indeling in deze groep betekent niet dat je bij aanraking van Soleirolia brandblaren krijgt zoals door de brandnetel, die ook bij deze familie is ingedeeld. Slaapkamergeluk is afkomstig van eilanden in het westen van de Middellandse Zee. Deze groenblijvende, vaste plant groeit in zeer uiteenlopende omstandigheden; van heel luchtvochtig tot matig droge gebieden. De plant wortelt bij de knopen van de kleine stengels. De bladen zijn vrijwel rond van vorm. Soleirolia wordt niet hoger dan vijf tot zeven centimeter.

In juli – augustus bloeit de plant soms met onopvallend kleine, witte bloemen met een roze zweem. Bloemen komen te voorschijn uit de bladoksels. De bloei is echter van ondergeschikt belang. Plant Soleirolia op een onderlinge afstand van twintig centimeter. De plant groeit aaneen tot een bodembedekkend tapijt. In dat tapijt kunnen wel andere vaste planten zoals Liatris groeien, mits onderling op ruime afstand geplant. Soleirolia is een sterk woekerende plant. Af en toe is het daarom nodig de plant tot proporties terug te brengen. Nieuwe uitlopers zorgen weer snel voor bedekking. Solitaire planten of heesters moeten geregeld aan de voet vrijgemaakt worden van de al te opdringerige groei van Soleirolia. Deze bodembedekker kan stenen en rotsen bedekken, is geschikt om beelden of andere kunst in de tuin een uitstekende, rustige basis te verschaffen, maar kan ook goed in potten en bakken groeien. Soleirolia groeit in een humusrijke, goed water doorlatende grond. De plant heeft een voorkeur voor een plaats in de halfschaduw of schaduw.

Soleirolia is niet geheel winterhard, want hij kan een beetje vorst doorstaan. Veelal ontstaan er dan wat lelijke en verwelkte plekken, die in het voorjaar snel met jong, fris groen worden bedekt. Door strenge vorst is de risico groot dat het plantje helemaal afsterft. Zet Soleirolia daarom ‘s winters op een beschutte plek afgedekt met wat bladeren. Onder dit beschermend bladerdekje kan hij de winterkou doorstaan.
Vermeerder door grote pollen met een scherp mes in kleinere stukken te snijden.
Naast de groene soort is er een bonte variëteit, Soleirolia soleirolii ‘Aurea’ met goudbont blad, en een limoenkleurige, Soleirolia soleirolii ‘Minty’.

Sagina is net een bloemetjestapijt

Vetmuur komt voor in luchtvochtige (tropische) berggebieden.

Vetmuur (Sagina subulata) vormt een gesloten tapijt

Op plaatsen waar een zandige ondergrond aanwezig is, bedekt vetmuur rotsen en zandige uitlopers langs oevers van bergbeken. Vetmuur kan worden gebruikt als alternatief voor waar een minigazon misplaatst zou zijn. In een Japanse tuinaanleg kan vetmuur zorgen voor een gestileerd tapijt in een bepaalde vorm of als bodembedekking onder een struik of een paar decoratieve planten.

Vetmuur (Sagina subulata) behoort tot de anjelierachtigen (Caryophyllaceae). Het is een op mos lijkende bodembedekkende plant. Het kussenvormende effect wordt gevormd door de lang genaalde, priemvormige bladen. In de winter is vetmuur half wintergroen. Soms blijft de plant helemaal groen. Van mei tot en met augustus bloeit de plant met heel kleine, witte bloemen.

Schalen met vetmuur kunnen heel decoratief zijn

Die bloemen zijn niet groter dan vijf millimeter in doorsnede. De bloemen staan aan opstaande stelen en hebben de vorm van een ster.

Sagina subulata vormt na aanplant een egaal dicht tapijt. Door de regelmatigheid in groeihoogte, die niet meer dan vijf centimeter is, heeft een tapijt van vetmuur een wat je noemt ruimtelijke werking. Vetmuur wordt geplant in een zandige, licht vochthoudende grond. De plantafstand bedraagt tien tot vijftien centimeter onderling. Na een jaar is de grond dan volledig bedekt met vetmuur. Vetmuur kan ook heel goed worden gebruikt als ‘vulling’ tussen stapstenen. Een tapijt van vetmuur kan incidenteel worden belopen. Regelmatig belopen, als ware het een pad in de tuin, komt deze bodembedekking niet ten goede; de plant verdwijnt dan.

Van vetmuur bestaat ook een variant met geelgroen blad, namelijk Sagina subulata ‘Aurea’.

Opvallende klaverzuring

Klaverzuring heeft niets uitstaande met witte klaver (Trifolium repens) of rode klaver (Trifolium pratense), die tot de familie van de vlinderbloemigen (Paplionaceae) behoren.

Oxalis deppei ‘Iron Cross’ heeft een donkerpaarse vlek op het blad

Klaverzuring (Oxalis) behoort tot een eigen familie: de klaverzuringachtigen (Oxalidaceae). Het geslacht bestaat uit meer dan vijfhonderd soorten. Over de hele wereld komt klaverzuring voor, slechts weinig is er in cultuur. De laatste jaren (2002) neemt de belangstelling voor deze bodembedekkende plant toe, niet in de laatste plaats vanwege het mooieblad en de tere bloemen.

Oxalis deppei ‘Iron Cross’ (synoniem: Oxalis tetraphylla) staat in de belangstelling door de donkerpaarse vlek in het centrum van de blaadjes. De bladen zijn driehoekig van vorm en tot zes centimeter lang. De plant vormt een pol, die dicht met bladen is bezet. Deze klaverzuring bloeit met roodachtige bloemen in juli – september. De plant wordt niet hoger dan vijftien centimeter. Het is een prima bodembedekkende plant voor in de halfschaduw en de zon. Ook heel geschikt om in een lage pot op een terras of balkon te gebruiken.

Oxalis regenellii is er met donkerbruin paars… …en met groen blad

Oxalis regnelli komt van oorsprong uit Zuid-Afrika. Ook deze plant wordt niet veel hoger dan vijftien centimeter. De trechtervormige bloemen verschijnen in juli – september en zijn lichtroze. Alle soorten Oxalis verlangen een humusrijke (bladaarde) en een goed doorlatende grond en matig water.

Oxalis oregana bloeit vanaf de vroege lente tot in de herfst

Oxalis oregana groeit van nature in het westen van Canada en de Verenigde Staten. De plant wordt vijfentwintig tot dertig centimeter hoog. Deze plant is heel geschikt om grote oppervlakten in een halfschaduwrijke tot schaduwrijke situatie te bedekken. Met wortelstokken, vlezige wortels of knolvormige wortels breidt de plant zich snel uit. De plant verdraagt een iets meer vochthoudende grond dan de andere soorten klaverzuring. De lange bloei wordt gekenmerkt door bleekgele of roodachtige bloempjes. De bladen zijn donkergroen.

De meeste soorten Oxalis zijn licht- tot zeer vorstgevoelig. Het zijn dan ook voornamelijk planten, die in pot worden gehouden. Oxalis in de volle grond geplant, moet in het najaar worden afgedekt met blad. De kans is dan groot, dat de plant(en) in de lente weer goed uitlopen.

Ophiopogon is zo zwart als de nacht

‘t Is bijzonder en je moet ervan houden: een vaste plant met vrijwel zwarte bladeren en gitzwarte vruchten. Ophiopogon is de naam, die veel aandacht trekt door z’n afwijkende kleur. Mits bescheiden gebruikt, kan een groepje ervan een fraai contrast opleveren met geel- of bontbladige planten.

Ophiopogon planiscapus ‘Niger’ is de volledige naam van dit ‘zwarte schaap’ onder de vaste planten. Het is een plant die zich door middel van worteluitlopers uitbreidt. Het is geen agressieve bodembedekkende plant en daardoor goed in bedwang te houden. Net zoals bij zwenkgras (Festuca) vormt zich telkens op het uiteinde van een worteluitloper een toefje zwaardvormige bladeren. Staat dit toefje er eenmaal, dan groeit van daaruit weer een uitloper en herhaalt zich de vorming van een toef etc.

Kenmerkend zijn de zwaardvormige, diepzwart paarse bladeren. De plant wordt niet hoger dan vijftien tot twintig centimeter. Het blad voelt leerachtig aan door de waslaag die er overheen ligt. In mei – juni komen de stengels met kleine, wat onopvallende, lila bloemen uit het hart van de plant te voorschijn.

Pitten stratificeren en zaaien

Opvallender zijn de gitzwarte, glimmende bessen die vanaf juli tot de eerste nachtvorst op stengels staan. Het zijn de bevruchte bloemen. In de bes zit een pit. Willen ze kunnen ontkiemen, dan is er eerst nachtvorst nodig. Een koude prikkel maakt het vruchtvlees rondom de pit week, zodat de pit er vrijelijk uit kan vallen. Vogels kunnen voor verspreiding ervan zorgen. Als je ze zelf eens wilt zaaien, kan het verteringsproces van het vruchtvlees worden bespoedigd door de bessen in een bloempot of kistje te zaaien (= stratificeren) op een mengsel van zand en potgrond in gelijke verhoudingen. Dek het zaaisel af met een laag scherp zand, maar niet dikker dan twee tot drie centimeter. Geef de pot een plaats in de border om de winter door te komen. De winterkoude doet de rest.

Van Ophiopogon planiscapus bestaat ook nog een variëteit: ‘Nigrescens’. De bladeren hiervan zijn donkerpaars. Het kenmerkende verschil zit hem meer in de paarswitte bloemkleur.
Ophiopogon is goed te combineren met bijvoorbeeld lavendel (Lavandula), heiligenbloem (Santolina), bonte soorten van de hartlelie (Hosta) of vrouwenmantel (Alchemilla).

Hondsdraf net zo mooi als welke plant ook

Met de typering ‘onkruid’ wordt deze prachtige bodembedekkende plant al snel afgedaan.Hondsdraf komt spontaan voor op beschaduwde plaatsen, waar je het soms maar liever niet wil hebben.

Een veldje met hondsdraf doet niet onder voor een groep vaste planten

Hondsdraf is niet zomaar te koop in een tuincentrum; wel bij een kwekerij die in kruiden is gespecialiseerd. Een veldje met bloeiende hondsdraf is in maart – juni een belevenis.

Hondsdraf (Glechoma hederacea) is een soort uit de familie van de lipbloemigen (Labiatae). Op licht beschaduwde plaatsen, tussen hakhout en op vochtige, ruige grasbermen is hondsdraf algemeen voorkomend. Hondsdraf groeit op vrijwel alle grondsoorten. Het kruid wortelt oppervlakkig en is daardoor makkelijk weg te schoffelen, voor wie het in de weg staat. Typerend voor hondsdraf is de spreidende groeiwijze. De bladeren proberen het schaarse licht op te vangen.

Hondsdraf bloeit met bloemen in een
hemelsblauwe kleur

Vandaar de tweede naam: hederacea = als van klimop.

Bloemen van hondsdraf staan in kransen in de oksels van de bladparen. Hondsdraf heeft twee bloeivormen: bloemen met uitsluitend een stamper en bloemen met stamper en meeldraden. Helmknoppen staan als twee witte kruisjes tegen het bovendeel van de lip. Liggende stengels (zonder bloem of bloemen) wortelen op de knopen. Door deze groeiwijze verbreidt hondsdraf zich tamelijk snel.
De mooi bonte variëteit Glechoma hederacea ‘Variegata’ doet het heel mooi in bloembakken en hangmanden.

Hondsdraf wordt in de volksmond ook wel kruip-door-de-tuin genoemd. De bladeren zijn volkomen glad en mooi gekarteld. Op een voor verwildering in aanmerking komend plekje is hondsdraf uitstekend te gebruiken.
In de homeopathie wordt thee van hondsdraf gebruikt om eetlust op te wekken. Warme compressen met een aftreksel van hondsdraf zouden werkzaam zijn tegen moeilijk te genezen wonden. Een aftreksel in azijn gekookt werkt pijnstillend bij kiespijn. Werkzame bestanddelen zijn: etherische olie (groene kleur), looistof en vetzuur.