Met winterjas en pantoffels niet naar, maar tussen de bollen

Lente, zomer, herfst en winter volgen elkaar in hun seizoenensritme op. Daar kan de mens nog niet mee manipuleren. De tijdklok tikt geruisloos door. Aan bomen en struiken komen bladeren en bloemen; wat later komen er vruchten aan en nog later vallen de bladeren af, zorgvuldig geregisseerd door veranderingen in de kosmos.

Prunus ‘Autumnalis’ trekt zich
niets aan van sneeuw

Nabootsen van de gevolgen van die kosmische veranderingen kunnen we wel. Een stekker in het stopcontact, en hup… we produceren zo maar kou of warmte. Met zo’n ‘simpele’ handeling kunnen we onder andere bloembollen "een reis in de tijd" laten maken.

‘Forceren’ is de vakterm om bloembollen en heesters eerder te laten bloeien dan ze normaal doen. Het geven van een koude prikkel, de dag verkorten of juist verlengen brengt een reactie teweeg bij planten. Planten kunnen zodanig gemanipuleerd worden, dat ze eerder bloemknoppen aanleggen en is het mogelijk om ze te laten bloeien wanneer wij dat willen. Seizoensvervaging, dat wel, want wie wil er nu het hele jaar door witlof of boerenkool eten?
Leuk is het wel om je het hele jaar door te kunnen omringen met jouw favoriete bloemen. Sommige mensen vinden het prettig om chrysanten om zich heen te hebben èn het kan. Anderen verfoeien het en laten zich leiden door gevoelens die zij bij een bepaald seizoen hebben. Hoe het ook gesteld is, een ‘plukje’ voorjaar in de vensterbank eerder dan gebruikelijk mag best geforceerd worden.

Aan de slag dus! Maar hoe? Het eenvoudigste is het om zogenoemde ‘geprepareerde bloembollen’ te kopen. Deze bollen hebben in het bloembollenbedrijf al een koudeprikkel gekregen. Ze kunnen zonder meer worden opgepot of op water gezet worden. Hyacinth, Crocus en Amaryllus zijn de meest gebruikte bollen, die voor dit doel worden aangeboden. Maar zelf forceren is ook goed mogelijk. Bolgewassen laten zich bijna allemaal vervroegen. Als ze maar gedurende een bepaalde tijd een koelteperiode hebben gekregen. Daarna gaat het vanzelf: oppotten, een tijdje in het donker houden tot de bolneuzen zijn bovengekomen; daarna mogen ze de vensterbank op. Een zee van bloemen siert het raam, wanneer je dat maar wilt.

   
Scilla:
Scilla tubergeniana
Sneeuwklokje:
Galanthus nivalis
Winteraconiet:
Eranthis hyemalis

Struiken zoals Prunus subhirtella ‘Autumnalis’, Viburnum bodnantense en Viburnum tinus bloeien van nature in de winter en laten zich niet deren door een beetje vorst of een pak sneeuw. Kerstroos is ook zo’n typische vaste plant die graag z’n bloemen door een tapijt van sneeuw showt.

Sneeuwroem: Chionodoxa
Iris: Iris danfordiae

Forsythia en Hamamelis zijn aanbidders van de vroege zonnestralen en zijn gemakkelijk te forceren. Om met de kerstdagen bloeiende Forsythia of Hamamelis in huis te hebben moet half november een aantal takken van de struik(en) worden gesnoeid. Plaats deze takken bij een temperatuur van 4 – 6 °Celcius een maand lang in een koelcel – op vaas natuurlijk. Daarna kunnen ze bij kamertemperatuur in twee weken in bloei worden getrokken. De Japanse kwee, Chaenomeles, is ook zo te forceren.

En… mis je een beetje de winter, waaraan je toch vooral de bloei van bepaalde bollen en heesters zou willen afmeten? ‘Sneeuw’ uit een spuitbus is echt wel volop verkrijgbaar. Om het geheel wat realistisch te laten overkomen kan de kamerthermostaat ook wel wat lager gezet worden. Lekker genieten van al dat bloeiende spul. Met de winterjas en de pantoffels aan. Als dat geen echt voorjaarsgevoel is!

Roscoea

Het geslacht Roscoea is verwant aan gember (Zingiber).

Roscoea cautleoides ‘Purple Giant’

Het is een knolgewas, dat voornamelijk in de Himalaya en de Chinese provincie Yunnan groeit. Vanaf half juli tot en met september komen er mooie, orchideeachtige bloemen op tamelijk lange stengels. Roscoea is genoemd naar de Engelse botanicus William Roscoe (1753 – 1831).

Roscoea behoort tot de familie van de Zingiberaceae (gemberfamilie). Van het geslacht is maar een aantal van de circa achttien soorten in cultuur. Daarvan zijn de belangrijkste: Roscoea cautleoides, Roscoea purpurea en in mindere mate Roscoea humeana. Roscoe heeft vier tot vijf zittende, lijnvormige bladen. Aan de basis zijn de bladen vergroeid tot een holle schijnstengel. Het geslacht bloeit in de nazomer in hoofdzaak vanaf half juli tot eind september. Bloemen hebben een helmvormige bovenkroon met daaronder een brede onderlip. De onderlip is rondachtig van vorm. Per stengel staan twee tot vier bloemen. Roscoea groeit in open situaties in een border of rotstuin met lichte schaduw.

   
Roscoea ‘Peacock’s Eye’ Roscoea auricultata Roscoea ‘Purpurea Peacock’

Roscoea cautleoides komt uit China en wordt twintig tot vijfentwintig centimeter hoog. Het is een van de fraaiste soorten met grote bloemen. Roscoea auriculata groeit in de Chinese provincie Yunnan. Deze soort wordt dertig tot veertig centimeter hoog. Alle soorten Roscoea verlangen een zeer humusrijke grond, die vooral in de zomer vocht moet kunnen vasthouden. In het najaar sterven de bovengrondse delen van de plant af. Om de planten goed te laten overwinteren is een afdekking met verteerde humus belangrijk. De knolachtige, ondergrondse stengels worden met zo’n afdekking goed beschermd tegen strenge winters met vorst tot diep in de grond.

Mysteries rond de lelie?

In de Middeleeuwen was de lelie het symbool van vrede. Lelies komen in die tijd dan ook veel voor op vaandels. Witte lelies zijn het symbool voor onschuld en reinheid.

Lilium hybr. ‘Donau’.

De witte madonnalelie wordt veel als versiering gebruikt op altaren voor de maagd Maria. Niet in de laatste plaats is de lelie zinnebeeld van de dood. Lelies vormen een mooie klokvormige bloem uit een geschubde bol. Dit bolgewas kan lang vaststaan op dezelfde plaats in de tuin.

Botanische bijzonderheden van de leliebol

De leliebol is een naakte bol.

Lilium hybr. ‘Le Rève’.

Er zijn onnoemlijk veel variëteiten door kruising ontstaan. Daarom ook mag een leliebol nooit te lang boven de aarde staan. Een leliebol heeft over elkaar liggende schubben. Het is een geschubde bol. De schubben bestaan uit vlezige bladdelen. Dit in tegenstelling tot de bol van een ui, die uit vlezige, om elkaar heen vallende rokken bestaat. Bovendien maken maken echte bollen wortels vanuit de basis van de bol. Lelies maken ook wortels aan het stengeldeel boven de bol, voor zover die in de grond zit. De lelie verlangt een goed humeuze en doorlatende grond. Leliebollen worden geplant

Lilium hybr. ‘Dazzle’.

op een diepte van tien tot vijftien centimeter.

Leliebollen houden van een koele voet en een warm hoofd. Belangrijk is te weten of de te planten lelie vóór de winter loof maakt of erna. Lelies die loof maken voor de winter, worden in augustus – september geplant. Lelies die nà de winter loof maken, worden later in de herfst geplant of vroeg in het voorjaar. Dek deze laatste categorie leliebollen na het planten altijd af tegen vorst.

Geslachtelijk of ongeslachtelijk vermenigvuldigen

De lelie kan geslachtelijk en ongeslachtelijk worden vermenigvuldigd.

Lilium hybr. ‘Mona Lisa’.

Door (kruis)bestuiving van de bloem, waardoor zaden worden gevormd, komt geslachtelijke voortplanting tot stand. Deze methode is vooral belangrijk om nieuwe variëteiten te winnen. Is er eenmaal een variëteit ontstaan, dan kan tot ongeslachtelijke vermenigvuldiging worden overgegaan. Het zaaien van de lelie kan buiten in maart – april en in de kas vanaf januari – februari.

Lilium hybr. ‘Minstreel’.

Zaden worden met circa één centimeter grond afgedekt.

In een kas moet de grondtemperatuur 22 °C. bedragen. Wanneer eenmaal de kiemen zijn opgekomen, kunnen die worden verspeend en na afharden (temperatuur verlagen) in mei buiten worden uitgeplant.
Bij ongeslachtelijke vermenigvuldiging worden broedbolletjes gebruikt of worden bolschubben gestekt. Broedbolletjes ontstaan in de oksels van de boven en/of ondergrondse bladen (kralen) of in de oksels van de bolschubben (klisterbolletjes). Vermenigvuldiging met bolschubben kan alleen in een kas gebeuren bij een hoge temperatuur in het stekmedium.

Hybriden

Het geslacht lelie (Lilium) telt ongeveer honderd soorten.

Lilium hybr. ‘Akita’.

De meeste zijn inheems in Noord-Amerika, delen van China en Europees Azië. Kwekers in binnen- en buitenland hebben zich toegelegd op de cultuur van de lelie. Vooral in Amerika zijn veel nieuwe hybriden en variëteiten tot stand gebracht. Stand van de bloem, kleur en aard van de meeldraden spelen een rol bij hybrisatie. Het ontwikkelen van nieuwe kleuren is lucratief, vooral om de afzet van gesneden lelies te bevorderen.

Lilium hybr. ‘Loreto’.

Binnen het sortiment hybriden worden onderscheiden: Amerikaanse hybriden (hiervan hebben de bloemen kenmerken van de Turkse lelie (Lilium martagon), Longiflorum-hybriden (met kenmerken van Lilium longiflorum), Aziatische hybriden (waarvan het merendeel voor potplanten en de snijbloemencultuur geschikt is), Martagon-hybriden (met bloemen, die lijken op de Turkse lelie, maar het zijn nakomelingen van Lilium martagon en Lilium hansonii) en Aurelia-hybriden (met trompetvormige bloemen, de meeste hiervan geuren sterk) en ten slotte de Oosterse hybriden (allemaal nakomelingen van lelies uit het oosten van Azië). Binnen deze groepen wordt onderscheid gemaakt in de stand van de bloem ten opzichte van de stengel. Zo zijn er met opstaande, zijwaarts gerichte en hangende bloemen, trompetvormige, schaalvormige, teruggeslagen en stervormige bloemen te onderscheiden.

Turkse lelie

De Turkse lelie groeit in de bergen. Op bergweiden en op open plaatsen in gemengde loof- en dennenbossen is deze opvallende plant te vinden. Vanwege de tulbandvormige bloeiwijze wordt de plant door veel mensen herkend. De plant is niet alleen meer voorbehouden aan zijn natuurlijke standplaats; ook voor de tuin zijn er hybridenakomelingen van deze prachtige lelie.

In de bergen bloeit de Turkse lelie (Liliaceae) van april tot in september.

Een Turkse lelie (Lilium martagon) is
door de specifieke vorm van de bloem
goed te herkennen

De bloeiperiode is afhankelijk van de standplaats en de hoogte, waar deze lelie groeit. De hoofdbloeiperiode is van april tot ver in mei. Deze lelie komt van nature voor in de Alpen, de Vogezen, het Zwarte Woud, de Zuid-Siberische taiga en is verder ingeburgerd in Engeland en Scandinavië. De Turkse lelie (Lilium martagon) ontleent zijn naam uiteraard aan de tulbandvorm van de bloem. Die bloemen hebben kenmerkende, teruggeslagen kroonbladen. De bloemkleur is diep vleesrood (purperrood tot bruinviolet) met zwarte stippen daarop. Heel zelden is er ook een witte variant van deze lelie te vinden. De bloemen zijn 3 tot 5 centimeter groot en staan langs de stengel op daar weer vanaf takkende stengels. De bloemen zijn alleenstaand.

De Turkse lelie groeit op vochtige en voedselrijke grond: humusrijke grond, leemgrond en kleigrond komen in aanmerking. In berggebieden is de Turkse lelie indicator voor een vrij natte tot zeer vochtige plaats. Van nature komt deze lelie in de buurt van bergbeken voor, die periodiek overstromen en waar dan vruchtbare stoffen worden afgezet. Daarnaast kwam de plant veel voor in moerasachige weiden. Door verbeterde ontwatering is de natuurlijke biotoop van de plant drastisch verminderd. Hierdoor is de plant in zijn natuurlijke omgeving een bijzonderheid aan het worden. Een Turkse lelie is een bolgewas.

Hybriden

Door kruising van Lilium martagon met Lilium hansonii zijn hybridenakomelingen ontstaan. Die worden wel aangeduid met Paisley- of Backhouse-hybriden. Een bekende hybride is bijvoorbeeld ‘Marhan’, een bruinroodkleurige lelie, waarvan de punt van het kroonblad rood is.

In China een belevenis van de eerste orde: Lilium regale

De koningslelie (Lilium regale) is een heel bekende lelie, die in veel tuinen wordt aangeplant. Het is echter een belevenis van de eerste orde als je

Lilium regale
Lilium regale

deze soort in zijn natuurlijke groeigebied in Sichuan in China in het echt tegenkomt. Hij groeit daar bij duizenden onder meer op de steile berghellingen langs de Min-rivier; in juni staan alle grote exemplaren in volle bloei. Er hoeft maar een klein gaatje in de rotswand te zijn en een lelie ziet kans om er te groeien en tot volle wasdom te komen. De plaatselijke bevolking vindt deze planten ook prachtig en in sommige dorpjes zijn veel platte daken begroeid met deze lelies. Ze hebben het in de humuslaag op deze daken nog beter dan in de hellingen van de omringende bergen. Niet zelden is zo’n dak helemaal vol witte leliebloemen.

Lilium regale wordt in de natuur ongeveer 90 cm hoog, maar in cultuur kan hij tot 150 cm hoog worden. De bol is ongeveer 10 cm groot, de dikke stengels zijn bezet met lijnvormige bladeren en in de bloeitijd (juli) wordt de stengel dan bekroond met tot wel 20 grote, witte kelken, die vaak een karmijnrode streep aan de buitenzijde hebben.
In de natuur staan ze meestal in een dunne laag grond en hebben de bollen

Lilium regale
Lilium regale op dak

nauwelijks ruimte om te groeien en wortels te vormen. Omdat de bollen wortels aan het stengeldeel boven de bollen maken, moeten deze bollen ongeveer 15 cm diep worden geplant. Dat is al jarenlang het advies en iedereen volgt dat advies altijd braaf op. Wat gebeurt er als je ze bij ons in de tuin heel ondiep plant?

De koningslelie stelt geen grote eisen en is tevreden met iedere normale tuingrond. Hij is goed te combineren met vaste planten in de border. De heerlijk geurende bloemen zijn goed als snijbloem te gebruiken, maar je dient er wel op te letten dat het stuifmeel niet op kleding komt. Het stuifmeel van de meeste lelies laat dan moeilijk te verwijderen vlekken achter. Voorkom dat door de meeldraden te verwijderen, maar dat gaat dan wel weer ten koste van de sierwaarde van de bloemen.
De winterharde koningslelie wordt meestal in het voorjaar als bol te koop aangeboden.
[ Wiert Nieuman, hortulanus Botanische Tuinen van Utrecht

]

Fritillaria meleagris, kievitsbloem

Jammer genoeg heeft niet iedereen een tuin zo groot als een weiland. Maar wie wel een flinke lap gras heeft liggen en nog op een veenachtige bodem ook, zou eens wat kleur kunnen aanbrengen in het egale groen door kievitsbloemen te planten. Zoals de kievit (Vanellus vanellus) bewoner is van het boerenland, zo is dit ook van nature met de kievitsbloem gesteld.

Kievitsbloem
In het voorjaar verschijnen de sierlijk knikkende purperkleurige of witte bloemen

De kievitsbloem komt in Europa in het wild voor op vochtige gronden. Het is een van mijn toppers onder de bolgewassen. Ze lenen zich voor halfschaduwsituaties en plaatsen waar in hoofdzaak in de morgen zon is. Eenmaal geplant heb je er geen omkijken meer naar. De planten ‘verwilderen’ gemakkelijk. Begin vooral met een flinke groep bollen uit te planten. De bollen worden 6 – 10 cm diep geplant. In een weideachtige situatie kunnen de bollen breedwerpig worden uitgestrooid, zodat een meer natuurlijk beeld ontstaat wanneer ze bloeien. Plant de bol daar waar ze terechtgekomen zijn in het gras. Nogmaals: kievitsbloemen groeien alleen op een vochtige veenachtige bodem. Een vergelijkbare situatie is natuurlijk ook in een kleine tuin te creëren.

Een heel apart patroon

De kievitsbloem behoort tot de familie van de lelieachtigen (Liliaceae). De botanische naam is Fritillaria meleagris. Meleagris is afgeleid van Meleagros, de koning van Kaludon uit een Griekse sage. Letterlijk betekent meleagris parelhoen. De bloei begint in april en eindigt in mei. De bloemen zijn spectaculair getekend. De patroontekening lijkt op een slangenhuid. Rode en witte vierkantjes lijken als schubben op de bloemkelken te liggen. In het begin van de bloei zijn de bloemkoppen naar de grond gericht. Wat later in de bloeifase staan de kelken stijf rechtop en bovendien geuren ze dan.

Kievitsbloemen vermeerderen zich zelf

Zijn er eenmaal bollen geplant, dan komen er elk jaar wel weer nieuwe plekken met bloemen tevoorschijn. De kievitsbloem vermeerdert zich door het vormen van kleine bollen op de moederbol. Deze broedbolletjes gaan daarna hun eigen leven leiden. De bloem vormt aan het einde van de bloei zaden. Deze kiemen gemakkelijk, maar het duurt toch wel zo’n 3 – 4 jaar eer deze zaden bloeirijpe bollen zijn geworden. Uit zaad ontstane kievitsbollen kunnen er naar bloeikleur anders uitzien dan hun ouders. Er kunnen dan meer paars getinte of helemaal witte exemplaren te zien zijn.

Er gaan elegante ridders schuil onder ‘Hippeastrum’

Zo rond de kersttijd verschijnen de kerststerren en riddersterren weer op de markt. Riddersterren? Hippeastrum is de officiële naam voor ridderster. Bekender dan Hippeastrum is Amaryllis. Er bestaat echter maar één soort van Amaryllis (Amaryllis belladonna) tegenover wel vijfenzeventig soorten van ridderster. Vaak wordt ten onrechte alles maar Amaryllis genoemd.

Hippeastrum vittatum
komt uit Peru

Er komen steeds meer soorten, variëteiten en hybriden van ridderster op de markt. Het is een bolgewas dat typisch rond de kersttijd in boeketten wordt verwerkt en als bloeiende potplant wordt aangeboden.

Er zijn veel verschillen tussen Amaryllis en Hippeastrum. De eerste komt uit de Kaapprovincie van Zuid-Afrika, de tweede uit subtropisch en tropisch Zuid-Amerika. Zaden van ridderster zijn zwart en die van Amaryllis groen. Een ander gemakkelijk waarneembaar kenmerk is dat Amaryllis een gevulde stengel heeft, terwijl die van de ridderster hol is. Amaryllis vormt slechts eenmaal per jaar een bloem en de ridderster verscheidene keren per jaar.
De naam Hippeastrum is afgeleid van de Griekse woorden hippeas = ridder en astron = ster. De naam Amaryllis staat in verband met het Griekse amarussein = fonkelend, stralend. Beide soorten hebben mooie klokvormige bloemen, die al of niet geuren.

 
Hippeastrum ‘Lady Jane’ is dubbelbloemig Hippeastrum ‘Spotty’ bloeit toch wel even anders dan een rode Amaryllis

Bloemaanleg

Typisch voor ridderster is, dat telkens na afsplitsing van vier loofbladeren bloemknoppen worden gevormd. Vorming van bloemen vindt om die reden meermalen per jaar plaats. Per bloemstengel komen er twee tot zes bloemen aan. In vergelijking met Amaryllis zijn dat er maar weinig; Amaryllis draagt gewoonlijk acht tot twaalf bloemen per stengel.

Hippeastrum ‘The First’ was de eerste nieuwe cultuurvariëteit

Ridderster bloeit in de winter en het vroege voorjaar, Amaryllis bloeit kort na de zomer.

Als snijbloem en potplant

Zowel Amaryllis als de ridderster is als snijbloem en potplant te koop. Rond de kerst is het aanbod snijbloemen het grootst. Ze zijn er met de bekende traditionele zuiver rode en witte bloemen en ook in steeds meer tinten, die daarvan zijn afgeleid. Zo is er voor elk interieur wel een harmoniërende of contrasterende kleur te krijgen. Als snijbloem lenen beide soorten zich als tafelversiering. Zowel alzijdige als sterk verticaal gerichte boeketten zijn ermee te maken. De bloemen hebben een sterk architectonisch karakter en passen goed in een klassiek en modern interieur.

Hippeastrum papillio heeft een tekening op de bloem, die aan een vlinder doet denken

Ververs het water in de vaas iedere dag. De bloemen blijven er langer goed door.

Hippeastrum-bollen worden droog – dat wil zeggen zonder aarde – aangeboden. Koop bollen vroeg (in augustus) en pot ze direct op. Geef de plant regelmatig water. Als de eerste bladeren aan het groeipunt verschijnen, moet vanaf dat moment minder water worden gegeven. Zorg ervoor dat de grond altijd vochtig blijft; de grond mag niet uitdrogen. Tijdens deze rustperiode moet de plant op een koele, lichte plaats worden gehouden. In het voorjaar komen er nieuwe bladeren. Dat is het tijdstip waarop de bol moet worden verpot. Geef de plant daarna meer water en om de veertien dagen een beetje vloeibare plantenmest. Ook wanneer de plant niet bloeit, is hij mooi om te zien. De lichtgele middennerf op het blad is zeer opvallend.

Gloriosa, een klimmende lelieachtige

Een combinatie van vlammend rood met saffraangeel langs de randen van de kroonbladen is het beeldmerk van Gloriosa. Begin jaren zestig waren bloemen van deze plant een nouveauté in bloemistenland.

Gloriosa superba ‘Rothschildiana’ is de minst moeilijk te houden Gloriosa

De bloemen waren meteen duur. De prijs voor een plant is momenteel redelijk. Het is goed mogelijk ze zelf op het balkon of in een serre groot te brengen. Zet Gloriosa op een plaats met morgenzon. Als het je eenmaal lukt om deze plant ieder jaar weer uit de grond te toveren, dan raak je eraan verslingerd.

Gloriosa is bijzonder. Niet alleen is de bloem fraai om te zien, botanisch gezien is het een zeldzaamheid, dat een knolgewas en bovendien een lelieachtige klimt. De plant hecht zich met bladranken aan een klimoppervlak. De bladranken hebben de vorm van kurkentrekkerachtige, slanke stengels. Met behulp van de bladranken kan Gloriosa een hoogte van anderhalve tot twee meter bereiken. Van oorsprong komt de plant uit gematigde zones van Afrika en West-Azië. Sommige botanici brengen Gloriosa in verband met Colchicum. Gloriosa bevat ook colchicine, een uiterst giftige stof. Oppassen dus met de sappen van de plant.

Bloemen van Gloriosa lenen zich voor een bruidsboeket

Evenals Colchicum behoort Gloriosa tot de Liliaceae.

Gloriosa moet geplant en gehouden worden in een goed doorlatende, licht humeuze grond. Leg onder in de pot een flinke hoeveelheid potscherven als drainage. Waar de plant absoluut aan kapot gaat, is gietwater dat te lang blijft staan. Door te lang vasthouden van water verrot de knol. Tijdens het groeiseizoen van de late lente tot het begin van de herfst: geef de plant wekelijks een beetje vloeibare mest met het gietwater mee. Gloriosa stelt geen eisen aan een bepaalde luchtvochtigheid, maar wel aan de temperatuur. Een minimumtemperatuur van 16 °C is nodig om een gezonde plant te houden. Te lage buiten- en grondtemperatuur veroorzaken bladluis.

Overhouden

In de herfst begint Gloriosa af te sterven. Dit is normaal. In de gebieden waar de plant van nature groeit, gebeurt dit ook. Daarom is het noodzakelijk om vanaf het begin tot halverwege de herfst het water geven geleidelijk aan te verminderen en aan het einde van de herfst helemaal geen water meer te gegeven. De knol overwintert dus in vrijwel droge grond. De plant moet binnen overwinteren bij een temperatuur die niet lager is dan 13 °C. Plant de knol aan het begin van de lente in een pot van vijftien centimeter in doorsnede. Breng een gronddekking van tweeëneenhalve centimeter boven de knol aan. Zodra de stengels lengtegroei vertonen, mag er weer vloeibare kamerplantenmest en gietwater worden gegeven.

Vermeerderen

Gloriosa is te vermeerderen door jonge uitlopers in het voorjaar los te snijden van de knol. Plant de uitloper(s) in een pot van vijftien centimeter doorsnede. Jonge planten hebben een aanlooptijd nodig om uitbundig te kunnen bloeien. Wie erin slaagt zaad te winnen, kan in het voorjaar zaaien bij een temperatuur van constant 24 °C. Beschut jonge planten tegen wind en bindt ze aan bamboestokken. Zet de bamboestokken in de pot in de vorm van een omgekeerde piramide, zodat scheuten de ruimte hebben om goed uit te groeien.

Variëteiten

Gloriosa superba ‘Rothschildiana’ is de bekendste en het minst moeilijk te houden. Kroonbladen van deze variëteit hebben grote, rozig rode bloemen met langs de rand een diepgele kleur. De kroonbladen zijn sterk gegolfd.
Gloriosa superba ‘Simplex’ heeft een kleinere bloem, terwijl de kleur van de kroonbladen meer dieporanje is getint.
Alle variëteiten hebben lange meeldraden, die vrijwel haaks op de kroonbladen staan. Knip uitgebloeide bloemen uit de plant.

Eucomis, kuiflelie

In een woud met kleurige eenjarigen is een rustpunt aantrekkelijk. Als dat rustpunt ook nog aandacht trekt en het bonte kleurengewoel neutraliseert, dan kun je spreken van een geslaagde border. De kuiflelie is zo’n plant, die daartoe in staat is. Een paar van die accenten kunnen het beeld evenwichtig maken.

De kuiflelie bloeit met crèmegroene bloemen

Wie niet zo gesteld is op een kleurig tapijt, kan de kuiflelie als bijzonderheid en als blikvanger de plaats geven die hem toekomt.

De kuiflelie, ook wel ananasplant genoemd, komt uit Afrika. Het is een bolgewas, dat een licht vochtige grond wenst en een blakend zonnetje erbovenop. De bladertoef aan de top, een kuif boven de bloeiwijze, die ook wel wat lijkt op een ananasvrucht, verwijst naar de Nederlandse namen. De kuiflelie is ingedeeld bij de familie van de Liliaceae of Hyacinthaceae. De kuiflelie (Eucomis) groeit uit een gezwollen bol. Uit de bol groeit een wortelrozet met glanzend groene bladeren. Alleen al die bladeren maken de plant tot een collectors item.

Eucomis comosa is niet zo maar een plantje, dat je over het hoofd ziet. De soort wordt vijfenzeventig centimeter hoog en breed. De bloeistengels zijn onregelmatig paars gespikkeld en ontspruiten aan de spatel- tot lijnvormige bladeren. Bloemen staan in een aar. In volle bloei zijn de honderden bloemen op de aar groenig wit met hier en daar een paarse spikkel. De lange meeldraden maken de bloem heel bijzonder. De bloeiperiode begint midden zomer en eindigt in de herfst.

Eucomis comosa
Eucomis comosa heeft lange, paars gespikkelde bloeistengels

De bloemen kunnen lang op vaas worden gehouden en zijn buitengewoon decoratief.

Eucomis moet weliswaar groeien in een vochtige, humusrijke grond, maar het is niet verstandig om de bol gedurende de winter in de grond te houden. Aan het einde van de herfst moet de bol worden verplant naar een ruime pot met hunusrijke, goed doorlatende grond. Wie planten en verplanten lastig vindt, laat de bol van begin af aan in een ruime pot. De pot wordt dan aan het begin van de zomer in de grond gegraven. Laat de plant in de winter op een koele, maar vorstvrije plaats overwinteren. Geef de plant eens per veertien dagen een beetje water. Aan het begin van het voorjaar nieuwe grond geven. Buiten houden, nadat er geen nachtvorst meer te verwachten is.

Naast Eucomis comosa is Eucomis bicolor de moeite waard. Deze soort heeft groenig witte bloemen met paars gerande kroonbladen. De soort wordt veertig tot zestig centimeter hoog en breed.

Crocosmia is uitstekend voor droge grond

Crocosmia is ook bekend onder de oude naam Monbretia. Het is een knolgewas met zwaardvormige bladen. Er zijn nu goede hybriden van die rijk bloeien. Vooral op plaatsen in de tuin, waar andere vaste planten maar moeilijk groeien vanwege droogte, is een Crocosmia een goede keus om te planten.

Bladen van Crocosmia zijn zwaardvormig en tijdens de bloei overladen met bloemen

En de aarvormige bloem is uitstekend op vaas te houden.

Van Crocosmia worden voornamelijk hybriden aangeboden. Het voordeel hiervan is, dat ze langer en beter bloeien en ook is de bloemaar in het algemeen groter dan van de oorspronkelijke soorten. De plant behoort tot de familie van de Iridaceae. Crocosmia was een beetje in de vergetelheid geraakt, maar beleeft nu (2001) weer een opbloei. Het is een gemakkelijk te houden vaste plant, tenminste als je ze niet op een te rijke en natte grond plant. Crocosmia vermenigvuldigt zich door middel van wortelknollen en dat gaat vanzelf. Plant ze in een goed doorlatende grond op een diepte van ca tien centimeter op een plaats waar ze vooral morgenzon krijgen. De onderlinge afstand tussen de knollen bij planten bedraagt tien centimeter. Wordt de pol te groot, dan moet er in het voorjaar worden gedeeld.

Crocosmia is volkomen winterhard, maar op vochtige gronden is het beter de knollen in het najaar te rooien en gedurende de winter op een koele en droge plaats te bewaren. Op droge grond kunnen ze in de winter in de grond blijven. Voor de zekerheid kun je ze afdekken met molm of dennentakken tegen zware vorst. De bloemen worden nadat ze zijn uitgebloeid, weggeknipt. In het najaar verdort het loof en ook dat kan dan, bij de grond af, worden weggeknipt. In het voorjaar lopen de spruiten weer uit op de basis van de knolvoet. In het najaar opgerooide knollen, die in de winter zijn bewaard, worden na de laatste nachtvorst weer uitgeplant.

De beste Crocosmia’s

Soort/variëteit Bloemkleur Bijzonderheden
Crocosmia aurea geel tot oranje Met tien centimeter grote trechtervormige bloemen. Bloeistengel een meter lang.
Crocosmia x crocosmiiflora oranjerood 90 cm hoog. Bloei: juni – september. Bloemgrootte 2,5 centimeter.
Crocosmia ‘Bressingham Blaze’ fel oranjerood 75 cm hoog. Bloei: juni – september.
Crocosmia ‘Citronella’ geel 70 cm hoog. Bloei: juni – september.
Crocosmia ‘Emily MacKenzie’ oranje 60 cm hoog. Bloei: juni – september.
Crocosmia ‘Jackanapes’ oranje/rood 50 cm hoog. Bloei: juli – september. Tweekleurig.
Crocosmia ‘Lucifer’ rood 125 cm hoog. Bloei: juli – september.
Crocosmia ‘Meteor’ roodoranje 125 cm hoog. Bloei: juni – september.
Crocosmia ‘Walberton Red’ tomaatrood 100 cm hoog. Bloei: juni – oktober. Grootbloemig.
Crocosmia mansoniorum mandarijnkleurig oranje 120 cm hoog. Bloei: juni – oktober.