Sophora prostrata, een warrig groeiende struik

Aan de bladen zie je ogenblikkelijk, dat het om een lid uit de familie van de Leguminosae gaat. De geveerde bladen staan in slagorde langs de stengel. Het struikje is vrij nieuw (2002) in het sortiment van half groenblijvende struiken. Door zijn rijke bloei, met min of meer klokvormige gele bloemen, is het een aanwinst.

Sophora prostrata ‘Little Baby’ is semi-groenblijvend

Van het geslacht Sophora zijn meer dan vijftig soorten bekend. Daarvan is Sophora japonica, de honingboom of pagodeboom, wel het bekendste in streken met een gematigd klimaat. De meeste andere soorten groeien in de gebieden van de zuidelijke oceanen, Hawaï, Nieuw-Zeeland en Mauritius. Sophora prostrata komt van oorsprong uit Nieuw-Zeeland. Daar groeit de struik in droge gebieden aan de voet van de bergen. In ons land wordt de struik niet hoger dan zo’n anderhalve meter.

Het opvallendste aan deze Sophora is de wijze, waarop de stengels zijn gegroeid. Ze schieten van links naar rechts in tamelijk hoekige vormen. De struik doet daarom ook wat denken aan Stephanandra incisa. De stengels groeien dicht door elkaar heen en vormen een bossige, warrige struik. De tweede naam – prostrata – duidt al op de verschijningsvorm van de struik. De stengels zijn overwegend neerhangend. In juni – augustus verschijnen heldergele, klokvormige bloemen in overvloed en dat maakt de struik, naast de warrige groeiwijze, interessant. Sophora prostrata ‘Little Baby’ wordt geplant in voedzame potgrond en verdient een plaats in de volle zon. De struik kan ook goed worden gehouden op een luwe plaats op het balkon. De plant is niet winterhard en zal op een vorstvrije plaats moeten overwinteren.

Sophora prostrata kan beter niet worden gesnoeid. Snoeien kan ertoe leiden, dat de struik een aantal jaren niet zal bloeien. Als de struik te hoog wordt naar uw zin, dan is het raadzaam de verjonging over een paar jaar uit te spreiden.
Snoeiperiode: uitsluitend midden zomer. De struik leent zich ook goed om tegen een muur in waaiervorm te worden geleid, maar wees ook dan zeer voorzichtig met snoeien.

Iochroma, een nachtschade uit de subtropen

Wat zijn er toch prachtige nachtschade-
soorten elders op de wereld. Iochroma uit Midden- en Zuid-Amerika is daar zo één van. Een groenblijvende ook nog eens als je hem tenminste lekker warm houd en voldoende luchtvochtigheid erop na kunt houden. Een schitterende plant voor lichte serres, kasjes of zo maar op een tegen wind beschut balkon of tegen een warme muur. Warmte het hele jaar door is nodig om deze opvallend bloeiende plant goed te houden.

De nachtschadeachtigen (Solanaceae) behoren tot de grote groep Solaniflorae. Tal van winde-, vlambloem- en waterklaverachtigen en ruwbladigen

Iochroma cyaneum bloeit met cyaanblauwe buisvormige bloemen

behoren tot deze groep. Daaronder zijn bekende en minder bekende planten: Petunia, Atropa, Brunfelsia, Ipomoea, Phlox, Polemonium en Myosotis. (Over andere nachtschadeachtigen is hier het een en ander te lezen.)
Van Iochroma zijn drie soorten van belang: Iochroma cyaneum, Iochroma fuchsioides en Iochroma grandiflorum. Alle drie soorten hebben broze, breekbare stengels. Daarom is een beschutte plaats tegen de wind nodig. De struik groeit opgaand en heeft overhangende stengels. Vanaf het begin van de zomer tot aan het begin van de winter bloeit Iochroma met lange buisvormige bloemen in tuilen in de kleuren wit, paars, rood of blauw.

Iochroma cyaneum bloeit met cyaanblauwe bloemen. Het blad is grijsgroen en licht viltig behaard. Het is een snelgroeiende struik, die gemakkelijk een hoogte van 3 meter kan halen. Naast groei in de hoogte groeit de struik ook tot circa 1½ meter breed.
Iochroma fuchsioides bloeit met scharlakenrode bloemen. De gelijkenis met voorgaande plant is verder erg groot.
Iochroma grandiflorum kan wel 3 tot 6 meter hoog en 3 meter breed worden en heeft meer de gedaante van een boom.

Iochroma cyaneum heeft een lichte grijstint
over het groene blad

Bloemen zijn helderpaars. Na de bloei verschijnen donkerpaarse of groene besvruchten. Het blad is spits-ovaal en tot 20 centimeter lang.

Iochroma moet aan het begin van de lente worden gesnoeid. De stengels die hebben gebloeid, moeten ver worden teruggeknipt. Eventueel andere lange stengels terugknippen: de plant zal bossiger en voller worden. Geef in de zomer rijkelijk water en éénmaal per veertien dagen vloeibare kamerplantenmest. In het voorjaar verpotten. Gebruik potgrond, waaraan een kleine hoeveelheid verteerde stalmest is toegevoegd. Na de bloei de plant minder water geven en binnen vorstvrij laten overwinteren (minimumtemperatuur 10° C.).
Wie Iochroma wil stekken, doet dit in de zomer. Maak topstek(ken) en plant die in gewone potgrond vermengd met scherp zand. Stekken wortelen tamelijk snel.

Nachtschadeachtigen:

Cestrum
Streptosolen
Brugmansia
Lampionplant
  Nachtschade
Iochroma
Solanum ‘Rantonettii’
Solanum jaminoides ‘Album’

Vigna caracalla

Deze groenblijvende slingerplant hoort eigenlijk in de tropen thuis. Maar zoals het met zoveel planten gaat, is ‘the sky the limit’: nu besteld, morgen overgevlogen in huis.

V. caracalla kan een flinke hoogte bereiken en heeft prachtige bloemen, die ook nog eens
naar licht parfum ruiken

Hoewel Vigna bij ons een exotisch gewas is, bestaan er in de tropen zo’n honderdvijftig soorten van het geslacht. Het zijn alle peuldragers. Peulen tot wel bijna één meter lang komen voor. Vigna caracalla is wat peul betreft bescheiden. Vijftien tot vijfentwintig centimeter lange peulen produceert deze slingerplant als die het naar de zin heeft. De jonge peulen zijn bovendien eetbaar.

Vigna behoort tot de familie van de peuldragers (Fabaceae, subfamilie Faboidae/Papilionacae). Het is een slingerplant, dat wil zeggen dat de plant graag een handje wordt geholpen bij het steun zoeken door de jonge ranken. Als de temperatuur (20 – 25 °C.) goed is en de luchtvochtigheid normaal (60 – 80%), kan de plant een hoogte bereiken tussen de drie en zes meter. Alles bij elkaar genomen is het dus eigenlijk meer een plant voor wie een kasje heeft.

Vigna is soms te koop in een tuincentrum of bij de bloemist. Uit zaad is de plant goed op te kweken. Zaai in potgrond, die goed water doorlatend is. Zet het zaaisel in de volle zon. Plant per pot niet meer dan drie bonen. Gebruik vooral een grote pot (30 centimeter in doorsnede). Belangrijk is, dat het zaaisel ook ‘s nachts voldoende warm staat. Wie een bak of kas heeft, is daarmee aanzienlijk in het voordeel. Zaaien in april – mei. De frisgroene bladen staan met z’n drieën bijeen aan korte stelen.
De bloemen staan in eindstandige tuilen op juist lange stelen, waardoor ze goed te zien zijn. Tijdens het groeiseizoen moet de slingerplant veel water krijgen. Na de vorming van peulen de watergift terugbrengen tot hooguit één of twee keer per week. De plant kan in de zomer buiten staan op een plaats in de volle zon. In de winter moet de plant naar binnen in een minimale temperatuur van 20 °C.

Sommige soorten Vigna worden in de tropen gebruikt als groenbemester, voedergewas voor vee of als consumptiegewas. De jonge bonen in de peulen zijn eetbaar en bevatten rijkelijk eiwitten.
Tijdens de groei van deze slingerplant is het nodig de scheuten te leiden. Een brede spreiding van de scheuten, door aanbinden aan tonkinstokken, is gewenst, omdat anders een warboel ontstaat. In het voorjaar worden verwarde scheuten van elkaar losgemaakt en worden de scheuten met tweederde van hun lengte ingekort.

Strelitzia reginae, paradijsvogelbloem

De bloem heeft de sierlijkheid van een keurige kuif. Een paradijsvogelbloem is in z’n uiterlijke verschijningsvorm vooral mooi van opbouw.

Strelitzia reginae

Sierlijk opstaande, oranje schutbladen met twee of drie blauwe kroonbladen staan als een fiere hanenkam op een grijsgroene bloemschede. Wie zou nou niet een kuip met een paradijsvogelbloem willen hebben?

Strelitzia reginae is een niet zo moeilijk te houden plant. Zelfs het overwinteren hoeft geen bezwaar te zijn. Een minimale temperatuur van 13 °C in de winter is voldoende. De paradijsvogelbloem behoort tot de familie van de Musaceae, waartoe ook banaan behoort. Strelitzia groeit van nature in Zuid-Afrika. De verwantschap met de banaan komt vooral tot uiting in de grijziggroene, lepelvormige, lange bladen. Het blad en de bladstelen zijn volkomen glad en groeien uit ondergrondse stengels. De paradijsvogelbloem is een polvormende, vaste plant. Er zijn vijf soorten van het geslacht bekend. Strelitzia reginae is daarvan de bekendste. De plant kan tot één meter tachtig hoog worden bij een breedte van circa een meter. Het is een groenblijvende plant met een doosvormige vrucht.

Verzorging

Strelitzia verlangt veel licht. De plant verdraagt geen direct, heet zonlicht. Bij een normale luchtvochtigheid behoudt de plant mooi, groen blad. In de zomer kan de plant buiten staan. Elke dag over de kop gieten is een goed gebruik. Elke week moet de plant vloeibare kamerplantenmest met het gietwater krijgen om in goede conditie te blijven. Bemest vanaf het begin van de lente tot aan het begin van de herfst. Strelitzia mag absoluut geen natte voeten hebben en houden. De potgrond moet goed drainerend zijn. Als grond kan een goede kwaliteit potgrond worden genomen. Voeg hier eenderde deel fijn grind of geëxpandeerde kleikorrels aan toe. Breng onder in de pot een laag grind of kleikorrels aan. Neem een pot van gebakken klei of een houten kuip van ten minste vijfentwintig centimeter in doorsnede. Begiet de plant na het ver- of oppotten matig tot hij tekenen van groei vertoont. Strelitzia bloeit pas in ongeveer het vierde jaar. Hybriden van Strelizia bloeien soms al na twee of drie jaar. De bloeiperiode bedraagt vanaf de lente een aantal maanden. Knip uitgebloeide bloemen weg. Vanaf de herfst en gedurende de winter weinig water geven.

 
Strelitzia reginae groeit opgaand… …en kan het beste in een flinke kuip worden gehouden

Vermeerderen

Strelizia moet om de drie tot vier jaar in het voorjaar worden verpot. Dan ook is er het moment om wortelende uitlopers af te snijden en op te potten. Het delen van een pol is mogelijk, maar de klitten wortels zijn moeilijk uit elkaar te halen. Zaaien van Strelizia kan ook in het voorjaar. Zaden moeten in verwarmde grond van 18 – 24 °C worden gezaaid.

Problemen

Soms kan de plant last hebben van schildluis. Deze op minischilpadjes lijkende luissoort zit vooral aan de onderkant van het blad. Te bestrijden met Vital (Ecostyle) of Lizetan Plantenspray (Bayer).
Rotting aan stengels en blad wordt veroorzaakt door te veel water geven of water dat in de pot blijft staan. Dit komt vooral ‘s winters voor. Als Strelitzia weinig of geen bloemen vormt, is de mogelijke oorzaak te vaak verpotten of een te grote pot.

Tacca chantrieri,vleermuisbloem

Door een eerste ontmoeting met Tacca denk je te maken te hebben met een vreemdsoortige orchidee. Maar niets is minder waar. Een Tacca-bloem straalt mysterie en bevreemding uit. Vleermuisbloem, kattensnor of duivelstong wordt de bloem ook wel genoemd. De naam kattensnor heeft vooral te maken met de extreem lange, draadvormige helmdraden.

De mysterieuze bloem van Tacca chantrieri

De plant komt voor in het zuidoosten van Azië, het zuiden van China, het oosten van India enhij groeit ook in delen van Afrika. Normaal in het wild bloeit Tacca in de zomermaanden; bij ons meestal in het najaar. Het is een serre- of kamerplant, die een hoge luchtvochtigheid verlangt.

Van Tacca bestaan een tiental soorten en een paar variëteiten. Het geslacht is de enige vertegenwoordiger van de familie van de Taccaceae. Tacca chantrieri en Tacca integrifolia zijn de belangrijkste soorten, die in cultuur zijn. Het is niet zo moeilijk om deze plant te houden, maar de luchtvochtigheid, die hoog moet zijn, kan een bezwaar vormen. Wie een kas heeft en die kan verwarmen, heeft er een boeiende plant aan.

De plant groeit met rhizomen, een vleesachtige wortel, en vormt een grondstandig wortelrozet. De bladen kunnen tot ver naar boven doorgroeien en hebben een breed ovale vorm. Van Tacca integrifolia worden de bladen al gauw 60 centimeter lang. Uit het midden van het rozet groeien lange, één tot anderhalve meter hoge bloemstengels. Soms brengt de plant wel twintig bloemen of meer tegelijk voort. De bloem in knop is omgeven door een groenachtig, geel schutblad. De bruine/bruinrode kleur van de kelkbladen en de stand van de bloembladen doen denken aan een vleermuis; de tot 20 centimeter lange helmdraden aan de kop van een kat.

De plant is vorstgevoelig. Gedurende de zomer kan de plant wel op het balkon staan, maar dan uit de wind, in de schaduw of halfschaduw en met permanent een vochtige grond. In de winter kan de plant zeker niet buiten blijven: breng de plant aan het eind van de zomer naar binnen. De plant blijft alleen mooi in een hoge luchtvochtigheid. Een ruimte die door centrale verwarming wordt verwarmd, is niet zo goed geschikt, tenzij de luchtvochtigheid kan worden geregeld. Tacca groeit in speciaal daarvoor samengestelde grond, die voldoende water kan vasthouden. In de winter en na de bloei mag er geen water meer worden gegeven. De plant kan als het ware worden verwaarloosd. Aan het einde van het voorjaar mag weer worden begonnen met water geven. Dan ook is het bij uitstek de tijd om de plant te vermeerderen door het delen van de rhizomen. Op sommige variëteiten rust een ‘kwekersrecht’; dan mag de plant niet zomaar worden vermeerderd.

Zaaien

Tacca groeit van nature op plaatsen met organisch materiaal in de verteringsfase. Tacca integrifolia groeit in de kruidenlaag van het tropisch regenwoud in diepe schaduw en hoge luchtvochtigheid. Voor alle soorten van Tacca is een grondmengsel van 50% gemalen dennenschors, 40% veen en 10% (zoutvrij) zand nodig.
Tacca kan worden gezaaid aan het begin van de lente. Zaden zijn te koop, maar het beste is om zaden zelf te winnen van een eigen plant. Zaden mogen beslist niet uitdrogen; bij verzending van zaden luistert de verpakking daarom zeer nauw. De eerste stap voor wie zaad van eigen plant(en) wint, is dat het onder stromend lauw water wordt schoongewassen en ontdaan wordt van aanhangende pulp van het vruchtvlees. Hierna de zaden gedurende vierentwintig uur in handwarm water houden (bijvoorbeeld in een thermosfles). De zaden worden uitgelegd in een mengsel van gezeefde veengrond vermengd met perlite of vermiculite in een verhouding 1 : 1. Dek de zaden met maximaal anderhalve centimeter van het mengsel af en strooi daar vervolgens veenmos (Sphagnum) overheen. Het geheel wordt onder plastic (ventilatie!) gehouden. De bodemtemperatuur moet constant op circa 20 °C. worden gehouden. Zaden lopen uit na twee tot negen(!) maanden. Geduld is absoluut nodig; ga niet rommelen aan het zaaisel. Na opkomst van de kiemen worden die voorzichtig uit het medium losgemaakt. Het geschiktste moment is als er één kiemblad aanwezig is. Pot op in potjes van zeven centimeter. Let er wel op dat de luchtvochtigheid constant hoog is en de temperatuur circa 22 °C. Zet de plantjes na verloop van tijd telkens in een grotere pot.

Andere soorten

Tacca cristata, Tacca esquirolii, Tacca gaogao, Tacca hawaiiensis, Tacca involucrata, Tacca laevis, Tacca leontopetaloides, Tacca minor, Tacca paxiana, Tacca pinnatifida, Tacca pinnatifida subspecies involucrata, Tacca plantaginea, Tacca subflabellata.

Senna aciphylla, senne

Senna aciphylla is inheems in het oosten van Australië. In landen langs de Middellandse Zee is deze struik inmiddels ingeburgerd. Karakteristiek zijn de samengestelde bladen, die uit 5 – 12 bladparen bestaan. De blaadjes zijn eirond van vorm. Op een zonrijke plaats bloeit de struik uitbundig met fraaie, gele bloemen.

Senne bloeit met bloemen in trosjes

Van het geslacht Senna bestaan meer dan 200 soorten. Het zijn meestal groenblijvende struiken, vaste planten of kleine bomen. Ze groeien voornamelijk in warmere klimaten, zoals in Afrika, Australië en Amerika. Senna groeit op lichte gronden, die goed water doorlaten. De standplaats moet zonnig zijn en beschut tegen wind. In ons klimaat is Senna geschikt om in een grote pot of kuip te worden gehouden. De struik is daardoor geschikt als terras- of balkonplant. In de winter moet de plant binnen overwinteren op een vorstvrije plaats. Na de bloei moet de struik licht worden gesnoeid.

Senna aciphylla komt van oorsprong uit Australië. In volgroeide staat is het een min of meer ronde struik tot 1½ meter hoog. De struik wordt vooral gehouden om de botergele bloemen en niet, zoals andere Senna-soorten van, om de winning van een zuur, dat verwerkt kan worden in preparaten om huidziekten te genezen. Na de bloei verschijnen afgeplatte, rondachtige peulen. Het zaad kan pas worden uitgezaaid, nadat het 24 uur in warm water heeft gelegen. Stekken gaat echter vrij eenvoudig.

Over de naamgeving aan het geslacht bestaan verschillende meningen. Senna is ingedeeld bij de Leguminosae. De daarop lijkende senne (Cassia) heeft namelijk vaak dezelfde, synonieme namen, waaronder een Cassia aciphylla.

Sophora microphylla

Sophora microphylla is in ons klimaat alleen geschikt als kuipplant. Er bestaat een boom – de honingboom (Sophora japonica) – die bij ons wel als boom wordt gebruikt.

S. microphylla heeft opvallende,
diepgele bloemen

Sophora microphylla is een groenblijvende boom uit Nieuw-Zeeland. Zijn opvallend varenachtige blad en de schitterende bloemen en vruchten maken dat deze struik een begerenswaardig artikel is voor liefhebbers. De struik verdraagt lichte vorst.

Het geslacht Sophora behoort tot de Leguminosae (vlinderbloemachtigen). Er zijn zo’n vijftig soorten, waaronder groenblijvende en bladverliezende bomen en struiken en zelfs vaste planten. Ze zijn voornamelijk te vinden in de warme gebieden van de wereld. Alle soorten hebben trossen vlinderbloemige bloemen en geveerde bladen. Vruchten bevinden zich in peulen, die een harde schaal hebben en volkomen waterdicht zijn door de waslaag. Zaden gaan daardoor pas heel laat open.

De takken van Sophora microphylla door elkaar. Ze zijn heel buigzaam. De kroon wordt breed en rondachtig van vorm. De struik kan tot zes meter hoog worden. Aan de takken groeien scheuten met tegenover

S. microphylla kan tot zes meter
hoog worden

elkaar staande, rondachtige bladen. De stand van de bladen heeft veel weg van de steenbreekvaren (Pteridium). Sophora microphylla bloeit vanaf het begin van de winter tot aan het begin van de zomer met opvallend felgekleurde, diep- of oranjegele bloemen. De bloemen verschijnen nadat veel blad is afgevallen. De bloemen zijn tot drieëneenhalve centimeter groot. Hierna verschijnen vijftien centimeter lange peulen.

Er is een aantal variëteiten in cultuur: Sophora microphylla var. longicarinata heeft nog kleinere bladen dan de soort en heeft citroenkleurige, diepgele bloemen; Sophora microphylla ‘Golden Shower’ heeft goudgele bloemen aan sterk afhangende takken.

Pistacia lentiscus

Pistachenootjes, pistache-ijs: lekker!

P. lentiscus is geschikt als kuipplant

Er zijn negen soorten Pistacia zijn negen bekend. Daaronder zijn groenblijvende of bladverliezende struiken en bomen. Pistacia lentiscus is een niet zo bekende boom. Bij ons groeit hij niet in de volle grond, maar is geschikt als struik in een kuip. Pistacia lentiscus staat bekend als mastiekboom. Van Pistacia vera kunnen de nootjes (pistachenootjes) worden gegeten en in consumptie-ijs worden verwerkt.

Pistacia lentiscus groeit in de volle zon in een goed doorlatende humusrijke grond. De boom wordt vermenigvuldigd door zaaien, enten of oculeren. Pistacia behoort tot de familie van Anacardiaceae (pruikenboomachtigen), waartoe o.a. ook de pruikenboom behoort.

P. lentiscus kan acht tot tien meter hoog worden

Pistacia lentiscus heeft samengesteld blad. De bladen zijn langgerekt elliptisch van vorm en in het algemeen is er een even aantal bladjes aan de stengel. In het najaar verkleuren de bladen naar oranje, geel of rood. In de zomer verschijnen onopvallende pluimen met crèmekleurige bloemen. Daarna komen er peulen, die aanvankelijk roodachtig van kleur zijn en later verkleuren naar paarszwart. Vogels proberen de zaden uit de peulen te halen. De peulen met zaden zijn talrijk in een droge en warme zomer. Pistacia is tweehuizig. Van de mastiekboom wordt de hars wel gebruikt als vulling bij de toepassing van andere houtsoorten. Pistacia komt als ook straatboom voor in Azië en het Midden-Oosten. Bij ons moet de struik in kuip in de winter op een vorstvrije plaats overwinteren.

Pistacia chinensis is de Chinese pistache. Dit is een bladverliezende soort, die tot acht meter hoog kan worden. Als u een beschutte plaats in de tuin hebt, kunt hem eens planten. Het is echter moeilijk om de boom/struik ergens te kopen.
Pistacia vera, de pistachenoot, is ook bladverliezend. Deze boom kan tot negen meter hoog worden. In gebieden met een gematigd klimaat kan hij als tuinboom worden geplant. Om nootjes te krijgen is aanplant van een manlijk en vrouwelijk exemplaar noodzakelijk. De noten zijn vlezig en ovaal van vorm en roodachtig aan de buitenkant. Van binnen is het vruchtje groen of geel. Deze boom produceert veel noten na een zachte tot koude winter, gevolgd door een hete zomer. Helaas is ook deze boom maar zelden te koop.

Pittosporum

Pittosporum is bij ons te koop als pot- of kuipplant. In zuidelijke gebieden is Pittosporum aan te treffen als boom, struik en haag. Er zijn meer dan tweehonderd soorten. Ze zijn allemaal groenblijvend.

Blad en vruchten van Pittosporum tobira

In Zuid-Afrika, Azië en gebieden rond de Stille Zuidzee komen de meeste soorten voor. In landen rond de Middellandse Zee is het een gewilde boom of struik en wordt zelfs als windkering gebruikt. In ons klimaat moet Pittosporum binnen op een vorstvrije plaats overwinteren.

Pittosporum tobira en een bonte variëteit zijn zo’n beetje de enige soorten, die in Nederland als groenblijvende kamerplant te koop zijn. Als kamerplant verlangt de struik een flink portie zonlicht, hoewel met minder gunstige omstandigheden ook genoegen wordt genomen. Pittosporum kan in de zomer buiten staan en is heel geschikt om op een balkon of terras te worden gehouden. Het geslacht behoort tot de familie van de Pittosporaceae.

Pittosporum verlangt een vruchtbare, goed humusrijke grond met een beetje klei daaraan toegevoegd.

Vier Pittosporum-bomen accentueren een verstilde vijver in de tuin van Villa Medici (Fiesole, Italië)

In de zomer moet de grond permanent vochtig zijn zonder dat sprake is van een overvloedige waterhoeveelheid. Bij warm weer verdient het aanbeveling water over de struik te vernevelen. Zodoende blijft het blad mooi groen. Pittosporum tobira heeft langgerekt tot ovaal glanzend, groen blad. De bladen staan in kransen aan de stengels. In het voorjaar of aan het begin van de zomer verschijnen roomkleurige en stervormige bloemen. De bloemen zijn aangenaam geurend. Na de bloei ontwikkelen zich ronde, bleekgroene vruchten, die kleverig zijn. Het omhulsel van de zaden is dik. Zaden kunnen in de herfst of het voorjaar worden gezaaid, maar meestal wordt Pittosporum in de zomer gestekt. Topstekken zijn hiervoor geschikt, groeistof is noodzakelijk om beworteling te krijgen.

Hoewel Pittosporum lichte vorst kan verdragen, is het niet aan te bevelen om er in Nederland een haagje mee te maken. Alleen op een heel beschutte plaats valt het te proberen Pittosporum als haagje te planten. In gebieden met zeewind of wind die veel zout bevat, is de struik buitengewoon goed te gebruiken. Van Pittosporum tobira is de gewone met groene bladen, maar ook een bontbladige variëteit te koop.
Pittosporum tobira ‘Variegatum’ heeft eivormige bladen en is onregelmatig wit gerand.
Pittosporum tobira ‘Wheeler’s Dwarf’ is kleinbladiger dan de gewone soort, terwijl het blad een wat meer bruinrode tint heeft. De struik wordt tot ongeveer 60 centimeter hoog.
De overige soorten kunnen op den duur tot tweeëneenhalve meter hoog worden.

Ginseng, Panax quinquefolius

De heilzame werking van ginseng is al eeuwen bekend.

Bij Panax quinquefolius is duidelijk het vijftallige blad waar te nemen

De heilzame werking van ginseng is al eeuwen bekend. In China en Korea wordt de plant vanwege de wortels geteeld. De aromatische, zoete smaak van de sappen uit de wortel wordt daar aangewend als geneesmiddel. De Koreaanse ginseng (Panax pseudoginseng) groeit in het noordoosten van China en Korea. Verwant daaraan is Panax quinquefolius, die in hetzelfde gebied groeit. Beide soorten zijn als kuipplant te houden.

Het geslacht Panax is ingedeeld bij de klimopachtigen (Araliaceae). Panax is een overblijvende, vaste plant. Van nature groeit de plant in bossen onder geboomte. Daarom moet deze plant tegen fel zonlicht beschermd worden. Plaats de plant het liefst op een plaats in de halfschaduw. Een voedselrijke, humeuze grond is een goede voedingsbodem.
Panax quinquefolius groeit met donkergroene bladen op lange stengels. De bladen zijn vijftallig en diep getand. Koreaanse ginseng heeft dezelfde bladvorm en ook vijftallig. Ginseng bloeit met kleine, groenwitte bloemen in de nazomer.

Panax quinquefolius kan hoog groeien

Hierna verschijnen in het najaar rode bessen.

Panax kan in het voorjaar onder glas worden gezaaid. Kiemen verloopt niet snel: een jaar is wel nodig, voordat de kiem boven de grond komt. Ginseng wordt vooral geteeld om de wortel. Hoe ouder de wortel, des te meer waarde hij heeft. Ginsengwortels worden verder ingedeeld op kleur en mensachtige vorm. Hoe ouder de wortel, des te meer die op de vorm van een mens schijnt te lijken. De wortels kunnen pas na vijf tot zeven jaar worden geoogst. Kauwen op een stukje wortel schijnt de menselijke vitaliteit te verhogen. Ginseng als drankje is bij ons te koop in elke drogisterij of apotheek. Wie zelf eens een Koreaanse ginsengplant in kuip wil verzorgen, kan die kopen bij Xotus, Kleveringweg 57 in Delft.