Bodem is grond

0
14
bodem is grond

(bodem en grond worden in het jargon in verschillende betekenissen gebruikt)

Geologisch gezien bestaat de aardkorst uit verscheidene lagen; slechts de bovenste laag van 1,5 meter dikte wordt als bodem aangemerkt. Deze laag bewerkt de mens en is van belang voor hoe en welke gewassen daarop willen groeien. Wilde planten zijn volstrekt

Schilderij: Genèse – Jean-Pierre Couarazze (1972)

afhankelijk van dit aangeboden milieu. Niet alle planten groeien overal: ‘het milieu selecteert’. Het plantenbestaan reageert aldus op onder andere de fysische eigenschappen van de bodem. Die bodem is een complexe samenstelling van korreltjes, klein en groot, èn een rijk geschakeerde chemische samenstelling van elementen en micro-organismen. Nieuwe chemische verbindingen kunnen pas ontstaan door inwerking van water, zuren en zuurstof. Dit proces is al miljoenen jaren werkzaam en ook daardoor verandert langzaam maar zeker de soortensamenstelling in een zeker gebied.

De mens is bij machte om grond te verzetten. Dat gebeurt dan ook op grote en kleine schaal. In de tuin brengen we grond aan om bepaalde planten te laten groeien of om het ze naar de zin te maken. Groeit of bloeit een plant een beetje belabberd… hup, een paar ‘toverkorreltjes’ erbij en het gaat weer (een tijdje) goed met de groei. De mens kan zijn leefomgeving naar z’n hand zetten. Met als gevolg vervaging van alles wat waar groeit en afhankelijk is van een bepaald milieu. Specifieke landschappen verdwijnen, waar ook ter wereld op grote schaal; dag in, dag uit.

Het natuurlijke milieu wordt een zeldzaamheid en krijgt daardoor extra belangstelling: beschermingslust viert hoogtij, krijgt aandacht in de vorm van documentaires, speciale ‘natuurtuinen’ worden aangelegd. Mensen worden bewust gemaakt van het ecomilieu, waarvan ze onderdeel zijn. De andere kant van het verhaal is echter dat ook verscheidenheid ontstaat als gevolg van invloeden van de mens op het ecosysteem. Maar die verrijking is minder groot(s) en minder duurzaam gebleken dan het systeem dat miljoenen jaren de tijd heeft gehad om tot de soortenrijkdom van planten en dieren te komen.

Bodem: mengsel van zand, klei, veen en leem

De bodem is niet overal in dezelfde samenstelling en/of componenthoeveelheden aanwezig. In de ontstaansgeschiedenis van Nederland zijn specifieke gebieden aan te wijzen die hun bodemkundige samenstelling te danken hebben aan de zee: de zeekleigebieden en de duinen. Andere gebieden kenmerken zich door een grote hoeveelheid leem in de grond als gevolg van de destijds schurende bewegingen en het grote gewicht van ijskappen over een deel van Nederland.

Grote rivieren vervoerden zand, grind en klei uit het bovenstroomse achterland. Afzettingen hiervan zijn in grote delen van het land te vinden, zowel aan de oppervlakte als op grote diepte. Diverse inbraken van de zee hebben ertoe geleid dat klei in dunne en dikke lagen over andere grondsoorten zijn afgezet. Bedijkingen, in de Middeleeuwen vooral op het gezag van monniken aangebracht, moesten de zee temmen. Met wisselvallig succes overigens, want de zee neemt en geeft nog steeds. Uitgestrekte veengebieden zijn ontstaan door een stagnerende waterafvoer van de grote rivieren, die destijds ongebreideld hun weg konden zoeken over het laag gelegen land achter de duinen. Tijdelijk stonden grote vlakten onder water; stond de zeespiegel weer lager, dan kon het rivierwater z’n normale weg naar zee vervolgen en kwamen de gebieden weer voor langere of kortere tijd droog te staan.

Onder die omstandigheden groeiden planten, struiken en bomen, totdat de afvoer weer stagneerde en alles wat groeide ter ziele ging. Veenvorming in lagen met daartussen duidelijke afzettingen van de rivier en de zee. Grote delen van Noord-Holland, Zuid- Holland en Zeeland zijn zo gevormd. In hoog gelegen gebieden groeide het veen in zandig-lemige kommen. Alleen regenwater kon binnendringen in de kommen, maar kon er niet weer uitsijpelen. Periodiek hoge en lage grondwaterstanden wisselden elkaar af. Groei en afsterven werden beheerst door dit regulerende mechanisme. Hoogveengebieden werden ze genoemd. Voor 1850 waren er nog uitgestrekte hoogveengebieden te vinden; nu is een ‘levend’ hoogveen een bezienswaardigheid. Zo is een reisje naar de Ierse hoogveengebieden zeker de moeite waard.

“De ene grond is de andere grond niet”

Simpel gezegd, maar waar. In zandgrond zakt water nu eenmaal eerder weg dan in een vettige kleigrond. Veen kan meer water bevatten dan zand. Klei bestaat uit minuscuul kleine korreltjes, terwijl zand grof van structuur is. Zand blijft los van structuur als het blootgesteld is aan de zon; klei wordt keihard. Verschillen in structuur bepalen mede de mate van vruchtbaarheid van grond. Kleigrond heeft door z’n fijne korrelstructuur nu eenmaal meer oppervlak om voedingsstoffen daaraan te binden dan grofkorrelig zand. Tussen zandkorrels zijn meer zuurstofatomen aanwezig dan tussen de fijne korrels van klei en leem. Zand is in hoofdzaak kwarts en chemisch gezien anorganisch en kan maar weinig water aan zich binden. Veen is organisch materiaal en kan juist veel water opnemen; het werkt als een spons. Primaire eigenschappen van grond bepalen wat we ermee kunnen doen of juist niet.

Zuur of basisch

Zuur is de tegenhanger van basisch. Basische grond is kalkrijk (>Ca). Kalkrijke gronden kunnen meer voedingsstoffen aan het complex binden dan zure gronden. In zure gronden komen lossen voedingsstoffen makkelijker op dan in basische gronden. Zuren in de grond ontstaan per definitie door de activiteit van plantenwortels. Ook neerslag in de vorm van regen kan meer of minder zuur zijn. Chemische reacties in de bodem komen vooral tot stand onder inwerking van zuren. Zwavelverbindingen, (So4), fosfaatzuren (PO4) en carbonaten (Co3) zijn daarvan de belangrijkste.

De zuurgraad van de grond kan worden gemeten. De waardeschaal wordt uitgedrukt in potentie-waterstof-atomen: de pH. Hoe lager het getal op de schaal, des te zuurder de grond; hoe hoger het getal, des te minder zuur. De schaal loopt van 1 – 14. Een neutrale zuurgraad van de grond beweegt zich tussen de 6 en 7. Daarbij voelen de meeste planten zich lekker op hun plek. Extremen zijn ook aanwezig: rododendrons eisen een pH van om en nabij de 4,5 – 5. Sommige varens houden juist van een pH van 8 of meer. Planten in de uitschieters naar beide zijden verlenen we al gauw het predikaat zeldzaam.
Getob met planten die maar niet willen groeien, heeft vaak iets te

maken met de aanwezige zuurgraad van de grond. Die zuurgraad kunnen we beïnvloeden met ‘toverkorrels’. Te zure grond verbeteren we met een gift kalk of kali (Ca of K); basische ronden beïnvloeden we met een zwavelzuurverbinding, waardoor de kalk of gebonden wordt of uitspoelt.

De pH-waarde van de grond kan onderzocht worden aan de hand van her en der (in de tuin) genomen bodemmonsters. Ongeveer een kilo grond is voldoende om via een tuincentrum een monster te laten onderzoeken. Niet alleen de zuurgraad van de grond wordt dan onderzocht, maar ook de samenstelling van de grond, het humusgehalte en zelfs wordt er een bemestingsadvies gegeven.

Alle grondzaken:

I. Bodem, water en lucht voeden de plant
II. Bodem is grond
III. Bemesten met kunstmest
IV. Bemesten met organische mest

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here