Serissa foetida is er voor de liefhebber

Serissa groeit van nature in Zuidoost-Azië. Serissa foetida is de enige soort van het geslacht. Het is typisch een struikje voor iemand die iets bijzonders wil hebben. Alhoewel je daarvoor wel over een kasje of serre moet beschikken. De struik is niet winterhard en moet dus overwinteren.
Serissa foetida behoort tot de orde van de Araliiflorae en in engere zin tot de familie van de walstro-achtigen (Rubiaceae).

Serissa foetida bloeit lang

Tot deze familie behoren o.a ook bedstro (Asperula), Bouvardia, knoopschatenbloem (Gardenia) en Pentas.

Serissa is een groenblijvend struikje. De struik wordt niet hoger dan zestig centimeter en één meter breed. In juni – september bloeit de struik met talloze, babyroze bloemen. De bloemen bestaan uit vijf teruggeslagen kelkbladen, die met elkaar vergroeid zijn. De bladen doen wat denken aan die van een azalea en zijn vanuit de randen omhooggebogen. Ze hebben een min of meer roomwitte rand. De bladen verspreiden een niet zo aangename geur als ze gekneusd worden. Er bestaan cultuurvariëteiten met bonte bladen en ook met dubbele bloemen. Serissa foetida ‘Pink Snow Rose’ is een variëteit met roze bloemen.

Serissa groeit in de volle zon in een vruchtbare, goed doorlatende grond. Omdat de struik niet bestand is tegen vorst moet hij vanaf het najaar binnen worden gehouden. Geef vanaf dat moment minder water, maar zorg er wel voor dat de grond licht vochtig blijft. In het voorjaar, na de laatste nachtvorst, kan de struik buiten worden gehouden. Eventueel kunnen lange scheuten worden ingekort met eenderde van hun lengte. Serissa is te vermeerderen door stekken in het voorjaar of door middel van afleggen.

Skimmia verspreidt de geur van de lente

In de planten- en dierenwereld is het nu eenmaal zo dat mannelijke exemplaren er mooier uitzien dan vrouwelijke soortgenoten. Mannelijke

Skimmia kan uitbundig bloeien

planten hebben mooiere kleuren en verspreiden meestal sterkere geuren dan de vrouwelijke. Waar dat allemaal goed voor is? Een plant waar je niet aan voorbij kunt lopen is Skimmia japonica. Z’n sterke, weldadige geur lijkt op die van het lelietje-van-dalen. Je moet wel twee planten kopen om ook bessen aan de struik te krijgen; een mannelijke en een vrouwelijke plant.

Skimmia is een groenblijvende heester, niet moeilijk te houden en goed gedijend in de schaduw en halfschaduw. Het is een prima dekheester voor de kale voet(en) van rododendrons. En als los groeiende haag, die niet geknipt hoeft te worden, ook heel bruikbaar. Afhankelijk van de soort of variëteit wordt de struik niet hoger dan 80 – 100 cm.
Als in het voorjaar een handje koemestkorrels rondom de wortelvoet wordt

De bloemknoppen van Skimmia japonica ‘Rubella’ hebben een karmozijnrode gloed

gestrooid, zal Skimmia u rijkelijk belonen met bloemen en bessen. Een vochtrijke humeuze grond, het liefst neutraal of lichtzuur, is nodig. En… niet vergeten, een beschaduwde plaats.

Mannelijke en vrouwelijke planten nodig

Alle Skimmia‘s bloeien rijk, maar niet alle planten geven zomaar

Een vrouwelijke Skimmia geeft bessen

bessen te zien in het najaar. Daarvoor heb je per se mannetjes en vrouwtjes nodig. De mannetjes dragen (fertiele) meeldraden in hun bloem; de vrouwtjes hebben stampers. Ook hier weer, de mannelijke plant bevrucht de vrouwelijke plant. Gevolg is dat uitsluitend vrouwelijke planten later bessen dragen. Het maakt niet uit welke soort(en) of variëteit(en) bij elkaar worden gezet; als er maar van elk geslacht een exemplaar aanwezig is.

Skimmia japonica ‘Rubella’ is zo’n typisch mannelijke plant. In de winter heeft deze struik een diep karmozijnrode gloed over de knoppen.

Skimmia reevesiana heeft een dikke, rode bes

Bij het zien daarvan bezwijken tuinliefhebbers door zo’n struik aan te schaffen. In het voorjaar openen deze knoppen zich en komen er ivoorwitte bloemen uit te voorschijn. De bloemkleur harmonieert dan heel goed met die van bijvoorbeeld witte narcissen.

Witte, crème en roze variëteiten

Er zijn aardige variëteiten te koop van Skimmia. Sommige groeien compact of blijven dwergachtig klein. Zowel de mannelijke als vrouwelijke struiken hebben hun charme. Skimmia groeit langzaam en is niet ziektegevoelig. Zowel de bloemen als de bessen zijn erg gewild om te worden verwerkt in een boeket met najaars- of voorjaarsbloemen. De houdbaarheid van een afgesneden Skimmia-tak met bloem of bes is beperkt tot maximaal tien dagen; daarna wordt het blad groezelig grijsgeel.

Goede soorten

Botanische naam Kleur Bloeitijd Hoogte (cm)
Skimmia japonica wit maart – mei 100
Skimmia japonica ‘Keessen’ wit maart – mei 80
Skimmia japonica ‘Fragrans’ witroze april – mei 80
Skimmia japonica ‘Kew White’ wit maart – mei 80
Skimmia japonica ‘Rubella’ witroze april – mei 100
Skimmia japonica ‘Ruby Dome’ witroze maart – mei 60
Skimmia japonica ‘Wanto’ crèmewit met een paarse vlek maart – mei 75
Skimmia japonica ‘White Gerpa’ crèmewit maart – april 80
Skimmia reevesiana wit mei-juni 80

Sleedoorn, een lekker hapje voor rupsen

Zo op het eerste gezicht: een en al witte bloemen. Het kan

Een sleedoorn bloeit voor het blad eraan komt

begin maart haast niet missen: sleedoorn staat in bloei. Als de zon op de struik schijnt, is het oogverblindend mooi. In mei trekt de struik opnieuw aandacht: ze is overdekt met het spinsel van rupsen. Die doen zich te goedaan de nieuwe, sappige bladeren.

Niet voor de tuin

Sleedoorn (Prunus spinosa) staat veel langs wegen, in houtwallen of windsingels. Je kunt de struik maar beter niet in je tuin hebben. Ondanks de overdaad aan witte bloemen in maart en april is het daarna een ‘ramp’. De nog frisgroene blaadjes worden al in mei snel ontdekt door de spinselmot (Hyponomeuta), die gangen vreten in het blad. In later stadium verlaten de rupsen de gangen en vreten de rest van het blad op. Na zich voldaan te hebben spinnen ze zich in; er ontstaan dichte kluwen spinsels. Het zijn de nesten, waarin honderden jonge rupsen worden geboren. Bestrijden van de spinselmot is een ongelijke strijd. Je kunt ze maar beter hun gang laten gaan. Merkwaardig genoeg groeien er in de zomer weer nieuwe bladeren aan. De struik gaat er dus niet dood door. In de natuur heeft alles wel een functie. De explosie van rupsen op de sleedoorn is altijd nog goed voor de hongerige magen van jonge vogels, die in mei uit het ei zijn gekropen.

 
Een sleedoorn bloeit met alleenstaande bloemen en lijkt in het voorjaar alleen maar uit bloemen te bestaan

Zwarte vrucht

De sleedoorn is er één uit de familie van de roosachtige (Rosaceae) en wordt vier tot zes meter hoog. De struik is langs randen van bossen inheems in het overgrote deel van Europa. Sleedoorn wordt ook wel zwarte doorn genoemd vanwege de zwarte, berijpte besvruchten die in de nazomer verschijnen. De bessen worden graag gegeten door lijsters. Zij zorgen zo voor een bescheiden verspreiding van de struik. Het toevoegsel ‘doorn’ heeft te maken met de gemene takdoorns op het einde van de stengels. Een doorn is ongeveer anderhalve centimeter lang. De doornige struik is een geliefd plekje voor broedende vogels. Katten en andere belagers kunnen niet bij het nest komen zonder zich pijnlijk te bezeren. In de zomer en herfst heeft de struik verder weinig sierwaarde.

Spiraea bloeit met piepkleine roosjes

Spiraea cantoniensis is niet alledaags. Spiraea x arguta is dat wel. Er zijn meer dan tachtig soorten van dit bladverliezende of half groenblijvende geslacht. Spiraea of in gewoon Nederlands spirea of spierstruik heeft wat te bieden. Het zijn vooral in het voorjaar en in de zomer bloeiende struiken, waaronder geschikte

Spiraea cantoniensis bloeit met zuiver witte bloemen
Als Spiraea cantoniensis in bloei staat, lijkt hij bedolven te zijn onder een licht sneeuwdek

struiken als solitair of als laagblijvende haag. De Cantonese struik en Spiraea arguta hebben mooie, witte bloemen in bolvormige schermen, die onder een vergrootglas gezien op kleine roosjes lijken. Spiraea behoort daarom niet voor niets tot de roosachtigen (Rosaceae).

Spiraea cantoniensis komt in China en Japan voor. In 1824 is de struik door de Nederlander P.F. von Siebold in Nederland ingevoerd. De struik is soms bladverliezend en soms half bladhoudend. Het ligt er maar net aan of de temperatuur niet al te extreem daalt. Vanaf half april tot half juni is de struik overdekt met een bloemenzee van min of meer bolvormige, hagelwitte schermen.

Spiraea cantoniensis groeit het beste op humeuze of licht kleiige grond. De bladeren zijn aan de bovenzijde donkergroen, aan de onderzijde blauwgroen. De stengels, waaraan blad en bloem zitten, zijn bruinrood berijpt. Zoals bij de meeste spirea’s het geval is, zijn de stengels licht gebogen van vorm. Deze spirea is heel goed geschikt om een heg mee te maken of om in groep te worden geplant. Als de struik vrij kan uitgroeien, wordt hij niet hoger dan één tot twee meter.

Spiraea cantoniensis bloeit op tweejarig hout. De struik wordt daarom na de bloei gesnoeid. Uitgebloeide stengels worden bij de grond

Van Spiraea x arguta zijn de bloemschermen klein

af boven een zichtbaar oog afgeknipt. Jonge scheuten blijven ongemoeid; Zij bloeien het jaar erop. Spirea wordt in een vaste cyclus gesnoeid. Een losgroeiende haag van deze spirea wordt na de bloei gesnoeid. In geval van een haag worden alleen oude stengels teruggezet tot op 1 oog of 2 ogen boven de grond. De overige scheuten worden met maximaal de helft van hun lengte ingekort. In feite is hierbij sprake van periodieke verjongingssnoei.

Spiraea x arguta is omstreeks 1884 in Duitsland voor het eerst ingevoerd. Het is een kruising van Spiraea multiflora en Spiraea thunbergii. Bloemen verschijnen in schermen aan de top van de twijg. Schermen zijn afgeplat en wat onregelmatig van vorm. De bloemen zijn helderwit en elk lang gesteeld. Tijdens de bloeiperiode is ook deze spirea één grote bloemenzee.

Spiraea x arguta bloeit eind april – eind mei. Door de overdadige hoeveelheid bloemen staat de soort ook bekend onder de naam sneeuwspirea. De struik wordt tot tweeëneenhalve meter hoog en zeker zo breed. De struik is geschikt om er een losgroeiende haag mee te maken, als solitair en als hoog wordende bodembedekker. Snoeien als Spireae cantoniensis.

Mahonia heeft een ‘exquis winterparfum’

Soms kun je lopend door straten al ruiken wat hier en daar op het avondmenu staat. De droog vriezende winterlucht is daarvoor een goede en betrouwbare gids; de geuren van hutspot en zuurkool hangen als ‘geurbellen’ rond deurportalen. Soms vermengen ze zich met een andere aangename geur. Met die van Mahonia japonica, een zoetig parfum.

Mahonia in bloei
Mahonia is groenblijvend
en bloeit in de winter

In volle bloei komt de welriekende geur van deze struik met geveerde bladen je tegemoet. Het is een van de weinige in de winter bloeiende struiken, die bovendien wintergroen is.

Van alle groenblijvende heesters is Mahonia japonica de enige, die ‘s winters op afstand is te ruiken. De meeste groenblijvende heesters bloeien dan niet eens. Mahonia bloeit al vanaf begin december tot eind februari. ‘t Is wel een beetje afhankelijk van hoe hard het vriest. Een bloeiende struik met een sneeuwdek erop is geen zeldzaamheid. Zo’n bloeiende struik is van onschatbare waarde in het kale winterseizoen. De bloemen hebben wat weg van de ‘bellen’ van lelietjes van dalen. Ook de stengels met bladeren, keurig tegenover elkaar liggend gerangschikt, maken Mahonia tot een opmerkelijke verschijning.

Langzame groei

Mahonia japonica wordt zo’n 175 cm hoog. Het duurt wel een lange tijd eer de struik z’n uiteindelijke hoogte bereikt. Het is echt een

De naar honing geurende bloemen
bloeien in de winter

langzame groeier. De struik groeit het beste op een matig humusrijke grond. Op kleigrond is de groei nog trager; verschraling van klei met zand zorgt voor een betere groei. De struik wordt breder naarmate die ouder wordt. De uiteindelijke omvang bedraagt ongeveer 150 cm. De bladeren zijn gestekeld en gegolfd, dus een ‘prikker’. De bladeren staan langs stengels die wel 30 – 40 cm lang zijn. De stengels zelf zijn, aan de buitenkant, bruin van kleur.

Onderhuids is de stengel lichtgeel.

Mahonia kan beter niet worden gesnoeid, tenzij de struik te breed wordt. In dat geval worden stengels aan de voet, bij de wortels, weggesnoeid. Uitdunnen, ook bij de voet af, kan soms nodig zijn, maar meestal is er maar één stengel.

Soorten

Behalve de hierboven beschreven Mahonia zijn er nog veel meer soorten, maar geen enkele geurt zo lekker als japonica. Mahonia x media ‘Charity’ en Buckland’ lijken in veel opzichten op japonica. De groeisnelheid van deze soort is groter dan die van alle andere soorten. Van Mahonia aquifolium zijn veel cultuurvariëteiten in de handel: ‘Apollo’, ‘Atropurpurea’, ‘Forescate’, ‘Hastings Elegans’, ‘Smaragd’ en ‘Undulata’ zijn de bekendste. Het merendeel is meer geschikt voor openbare plantsoenen.
Een bijzondere soort is Mahonia bealei met bladeren tot wel 30 cm lang. Dit is een decoratieve struik (150 cm hoog) en een mooie solitair.

Prunus subhirtella, een welkome winterbloeiende kers

In donkere wintermaanden is alles wat bloeit welkom. Maar wat er dan bloeit, is behoorlijk beperkt. Bloeiende struiken vallen daarom direct op tussen al die bladerloze struiken en bomen. Deze kers heeft weinig concurrentie te duchten van andere winterbloeiers.

Winterbloeiende kers wordt uiteindelijk een kleine boom
De wit tot bleekroze bloemen verschijnen voor en na het afvallen van bladeren

Prunus subhirtella komt van nature voor in Midden-Japan. Al vanaf het begin van de zestiende eeuw wordt de struik in Japanse tuinen gebruikt. Via de VS is de struik pas omstreeks 1894 naar Europa gekomen.

Wie zo’n leuk bloeiend struikje denkt te kopen moet zich wel realiseren, dat het uiteindelijk een kleine boom van zo’n 7 meter hoog wordt. Snoeien kun je bij deze kers maar beter achterwege laten. De struik wordt er beslist niet mooier door. Het geslacht Prunus behoort tot de roosachtigen (Rosaceae). Van Prunus subhirtella is een aantal variëteiten te koop. Ze bloeien allemaal even mooi.

Bijzonder aan deze in de winter bloeiende kers is, dat deze al in de herfst bloeit voor het blad er vanaf is gevallen. En doorgaat met bloeien, nadat het blad is gevallen. Globaal bloeit de struik vanaf oktober tot ver in februari.

Andere in de winter bloeiende struiken

Kornoelje (Cornus mas), sneeuwklokjesboom (Chimonanthus virginicus), toverhazelaar (Hamamelis spec.), mahoniestruik (Mahonia japonica) en sneeuwbal (Viburnum bodnantense).

Andere in de winter bloeiende kersen

Soort/variëteit Hoogte Bloemkleur Bijzonderheden
P. subhirtella ‘Autumnalis Rosea’ 400 – 600 lichtroze bloemen half gevuld
P. subhirtella ‘Fukubana’ 250 karmijnroze dicht vertakte struik, bloemen half gevuld, bloeit in april – mei
P. subhirtella ‘Pendula Rubra’ 500 dieproze treurvorm, bloeit vanaf januari, bloemen enkel

Malaviscus

Malaviscus is een aardige zomerstruik voor op balkon of terras. Wie er lang plezier van wil hebben, zal deze struik in de winter binnen moeten laten overwinteren. Het aardige van de struik zit hem vooral in de langdurige bloei van midden zomer tot aan het eind van de herfst. Opvallend grote, klokvormige bloemen in tuilen verschijnen aan de struik. De bloemen hebben wat weg van hibiscusbloemen. In de winter kan de struik worden bijgesnoeid.

Malaviscus groeit van nature in tropische delen van Noord- en Zuid-Amerika. Het geslacht telt drie soorten. Het zijn struiken of kleinblijvende bomen.

Van een rijke bloei ben je bij Malaviscus arboreus verzekerd

Malaviscus arboreus is een groenblijvende struik, die tot 3 meter hoog kan worden. De struik is vorstgevoelig en bij ons typisch een zomerplant voor balkon of terras.

De naam Malaviscus (Malvaceae) is afgeleid van malva, dat malve betekent, en viscidus, dat kleverig of plakkerig betekent. Dit laatste slaat op de bloem, die bij aanraking enigzins kleverig is door de waslaag. De bloemen kunnen een rode, roze of witte kleur hebben en staan op een lange steel. Opvallend kenmerk is verder nog de lange steel met meeldraden die uit de bloem steekt. Deze steel kan een keer zo lang zijn als de bloem zelf is. Bladen van Malaviscus zijn hartvormig en hebben een lichtgroene kleur. Randen van het blad zijn gezaagd, terwijl het blad zelf licht behaard is.

Malaviscus verlangt een humusrijke grond en gedurende de zomer rijkelijk water. Een plaats in de volle zon of in ieder geval een zeer lichte plaats is nodig. Aan het gietwater kan eens per maand een beetje kunstmest in de vorm van een NPK-meststof in opgeloste vorm worden toegediend. De bladen behouden hierdoor hun frisgroene kleur. Halverwege de herfst moet de struik binnen bij een temperatuur van circa 15° C. overwinteren. Vanaf dat tijdstip moet er minder water worden gegeven. In de winter sterk uitgegroeide stengels terugknippen tot eenderde van hun lengte. Zorg voor een min of meer bolvormig struikje. In het voorjaar verpotten en een grotere potmaat gebruiken als het jaar daarvoor.

Quercus turneri ‘Pseudoturneri’, een bijna wintergroene eik

Wie goed om zich heen kijkt, zal opmerken, dat sommige bomen hun blad weliswaar lang vasthouden, maar uiteindelijk toch kaal door de winter gaan. Een kleine boom/grote struik, die ‘s winters wel z’n diepgroene blad behoudt, is de Oostenrijkse eik. Deze bijzondere eik zult u zelden of nooit aantreffen in het sortiment van een kwekerij. Jammer, want het zou een vrolijke noot zijn in het overwegend loofloze winterseizoen. De Oostenrijkse eik draagt bijna altijd de hele winter door z’n blad.

Blad van Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ is ook in de winter groen

De reden dat kwekers niet zo happig zijn om deze kleine boom of struik te kweken, kan zijn gelegen aan de bijna onvoorspelbare uitgroei. Soms wordt een keurige stam gevormd of in andere gevallen groeit een meerstammige struik. Desondanks zou ik ervoor pleiten om deze eik in het sortiment op te nemen. De eik wordt niet zo hoog en is een prachtige verschijning in tuin, patio, park of op het balkon.

Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ had vroeger als naam Quercus austriaca sempervirens, vandaar dat ik deze eik maar Oostenrijkse eik noem. Quercus turneri is ontstaan uit een kruising van Quercus robur en Quercus ilex. Laatstgenoemde eik (de steeneik) is groenblijvend.
De bladen van de boom zijn leerachtig en vijf tot tien centimeter lang. Kenmerkend is dat de nerven aan de onderzijde van het blad licht behaard zijn. Het blad is aan de top gelobd of zwak gegolfd.
Quercus turneri ‘Pseudoturneri’ wordt vier tot zes meter hoog en minstens zo breed, maar groeit heel langzaam. Plant deze eik op een vochtige, humeuze grond op een zonrijke plaats of in de halfschaduw.

Medinilla, rechtstreeks van de Filippijnen

Voor het eerst zagen wij Medinilla op de Gentse Floraliën. Een schitterend exemplaar met een doorsnede van toch wel gauw 1½ meter. Een uitzonderlijk gevaarte in een tobbe geplaatst, van een omvang waar een smerig geworden veedrijver in een wildwestfilm zeker een goed bad in had kunnen nemen. Afijn, Medinilla staat nog steeds op mijn netvlies en heel sporadisch, bij het zien van een western, komt dat beeld steevast terug.

Medinilla magnifica kan een indrukwekkende struik worden

Medinilla is bepaald geen struik die in een klein huis past. De struik eist een eigen onderkomen. Goed verwarmd en met een hoge luchtvochtigheid. In feite is het meer een struik voor een serre, kas of om in de zomer in tuin en op terras mee te pronken. Daarna zal de struik bewaard moeten worden bij een minimale temperatuur van zo’n 16° C. Een jonge struik zal niet al te veel problemen geven, die is nog wel op te tillen. Naarmate hij ouder wordt, moet er bij wijze van spreken een kraan aan te pas komen. In statige kasteeltuinen langs de Loire wordt Medinilla nog steeds heen en weer gesjouwd tussen binnen in de serre en buiten in de tuin.

Medinilla behoort tot de familie van de Melastomataceae.

Bloemen van Medinilla magnifica zijn werkelijk magnifiek

Hiertoe behoort bijvoorbeeld ook Tibouchina. In het land van herkomst leeft de struik voornamelijk epifytisch en wordt daar 1.80 meter hoog. Bladeren zijn glimmend donkergroen en zeker 20 centimeter lang. De nerven liggen opvallend hoog in het leerachtige blad en zijn lichtgeel.
Hangende bloeistengels ontstaan aan het eind van de winter en gedurende de zomer aan de uiteinden van stengels. Hoewel de tros van behoorlijke afmeting is (20 – 35 centimeter), zijn de eigenlijke bloemen maar klein. Het imposante en grootse van de tros wordt in belangrijke mate bepaald door de roze, kroonbladachtige schutbladen. Die staan in kransen rond de eigenlijke bloemen. Wie heel goed kijkt, ziet de verfijnde, paarse meeldraden uit de trompetvormige bloemen steken. Dit kleine detail maakt de bloem af en geeft daaraan z’n cachet.

Medinilla heeft vanaf de lente tot het einde van de zomer weinig water nodig. In de winter leeft de struik liever van een hoge luchtvochtigheid dan van water in de grond. In een kas is een hoge luchtvochtigheid gemakkelijker te realiseren dan in een verwarmde serre. Veel over de grond sproeien is dan een redelijke oplossing. Vanaf het eind van de lente tot het einde van de herfst moet de struik geregeld vloeibare mest worden gegeven. De grond, waarin Medinilla moet groeien, moet bestaan uit een doorlatende humusrijke grond. Oude kwekers gebruikten hiervoor graszodenaarde, mest en heigrond vermengd met een beetje zand.

Rhus, azijnboom

Azijnboom, fluweelboom en sumak zijn synoniemen voor het geslacht Rhus. In ons land wordt Rhus een flinke struik tot kleine boom.

R. typhina (fluweelboom) heeft in de zomer groenachtig gele bloemen in kaarsvormige pluimen

Een hoogte van 4½ meter bij een breedte van 3½ meter is geen uitzondering. Een azijnboom groeit op vrijwel alle grondsoorten, maar een licht humeuze grond heeft de voorkeur. Het enige nare van de azijnboom zijn ongetwijfeld de worteluitlopers.

Rhus is een groot geslacht met struiken, bomen en klimplanten. De groep bestaat uit wel meer dan tweehonderd soorten. Het geslacht behoort tot de Anacardiaceae (pruikenboomfamilie). Enkele soorten veroorzaken allergische reacties op de huid. Deze groep is inmiddels in een eigen familie ondergebracht (Toxicodendron). De soorten Rhus die hier worden beschreven veroorzaken geen allergie, tenzij iemand gevoelig is voor hooikoorts, dan is het beter geen Rhus aan te planten. Desondanks is het aan te bevelen bij snoeiwerkzaamheden de handen te beschermen met handschoenen. Rhus glabra en Rhus typhina en hun variëteiten worden in ons land het meeste gebruikt. Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. Daar groeien ze in rotsachtige, zanderige gebieden en op opengevallen plaatsen in het bos.

 
R. typhina in zomertooi R. typhina in herfsttooi

Rhus kan op den duur problemen geven door de vele worteluitlopers. De uitlopers kunnen tot op een afstand van vijf tot zes meter plotseling in de eigen of buurtuin opduiken. Aan verhardingen of muren veroorzaakt Rhus geen schade. Verwijder worteluitlopers zo snel mogelijk.

Snoeien

Rhus kàn in het voorjaar worden gesnoeid. Snoeien gebeurt alleen om de struik eens te verjongen. In dat geval wordt de struik/boom tot op zo’n tien centimeter boven de grond afgesnoeid. Spoedig daarna lopen er nieuwe spruiten op de stam uit. Helaas zie je dan ook het aantal worteluitlopers (opslag) toenemen. Om invloed uit te oefenen op het aantal zijscheuten en dus latere (hoofd)zijtakken kunnen er enkele jonge spruiten worden aangehouden en de rest worden verwijderd. Laat Rhus zich zoveel mogelijk spontaan of op natuurlijke wijze ontwikkelen. Zo wordt de struik/boom echt op z’n best.

De meest gebruikte soorten

Soort/variëteit Hoogte (cm) Bijzonderheden
Rhus glabra 450 Gladde sumak. Bladverliezend. Compact groeiend. Met een parasolvormige kroon. Roodachtig tot paars berijpte takken, die wit berijpt zijn. Blad blauwgroen, tegenoverstaand geveerd. In de zomer (juni – juli) groen- tot roodachtige bloemen, gevolgd door roodachtig behaarde vruchten. In herfst rode bladkleur.
Rhus glabra ‘Laciniata’ 450 Als boven, maar met diep ingesneden tegenover elkaar staande, geveerde bladen.
Rhus typhina 450 Fluweelboom, azijnboom. Bloeit in juni – juli met geelgroene kaarsachtige bloemtuilen. Vormt een bijna kaarsrechte dunne stam of verscheidene stammen. Heeft geveerde, vijftien centimeter lange bladen, die getand zijn. Vruchten donker bordeauxrood. Rode tot diepgele herfstkleur. Bladverliezend.
Rhus typhina ‘Dissecta’ 450 Als boven, maar met zeer diep ingesneden, varenachtige bladen. Behoud tot ver in de winter z’n vruchten.
Rhus chinensis ‘Winter Beauty’ 600 of meer Komt uit China en Japan. De samengestelde bladen zijn zeer grof getand. De stelen zijn gevleugeld. Bloeit in juli – augustus met vuilwitte bloemen gevolgd door rode bessen. Heeft een vlammend rode tot dieproze herfstkleur. Bladverliezend.