Een Griek uit West-China: de dwergesdoorn

Acer griseum is de botanische naam voor deze mooie, elegante plant. Dwergesdoorn, dwergahorn of papieresdoorn wordt deze flinke struik tot kleine boom ook genoemd. Hij is heel geschikt voor een kleine tuin. Helaas zijn er maar weinig kwekers, waar je deze struik kunt aantreffen. Waarom zou je deze dwergesdoorn kopen? In de eerste plaats vanwege het mooie blad. In de tweede plaats om de opvallende trossen met vruchten. Niet in de

Acer griseum
Acer griseum loopt in het voorjaar
met frisgroen blad uit

laatste plaats om de kaneelbruine bast, die afschilfert en zo typisch voor deze struik is. Het is een probleemloos groeiende struik met weinig onderhoud.

De struik/kleine boom wordt niet hoger dan zes meter. Acer betekent scherp, griseum zou afgeleid kunnen zijn van graecum, dat voor Grieks

Acer griseum kaneelbruine bast
Acer griseum heeft een sterk schilferende stam

staat. De tweede naam zou je op het verkeerde spoor kunnen zetten als je naar de herkomst van de struik kijkt: de rivierbossen in het westen van China. De Fransman A. Franchet (1834 – 1900) beschreef de struik als eerste. In 1901 werd het eerste exemplaar in Kew gardens geplant.

Acer griseum heeft donker olijfbruine tot rode stengels. De knoppen zijn voor het uitlopen van het blad haast zwart van kleur. Eind april lopen de knoppen uit. Geelgroene miniblaadjes komen tevoorschijn. Vrijwel gelijktijdig ontluiken kleine trosjes met drie tot vijf oogstrelend mooie, geelgroene bloemen tussen de bladeren. Stam en dikke takken zijn kaneelkleurig bruin en schilferen, naarmate de struik ouder wordt, meer en meer af. De bladeren zijn 3 tot 6 centimeter groot en driedelig samengesteld. Juist de driedeling van het blad maakt dat de struik er luchtig, esthetisch fraai uitziet. En buiten deze botanische kenmerken zal een liefhebber de buitengewoon mooie scharlakenrode herfstkleur het meeste aanspreken.

Als herfststormen korte metten maken met de bladeren en als die zijn neergedwarreld om deel te gaan uitmaken van de kringloop, ontwaar je trosjes met gevleugelde zaden. Dit spreekt nog het meeste aan, deze bleekcrème vleugels met aan de top de bruinoranje omhulling van de zaden. Zaden opeengepakt als vleermuizen, die warmte en beschutting zoeken tegen gure herfststormen en striemende regens.
Eigenlijk álles maakt een dwergesdoorn tot een begerenswaardige struik.

Het krentenboompje is niet krenterig met bloemen

‘t Is genieten als je in april randen van bossen afgezoomd ziet met bloeiende krenten. Witte wolken lijken het op afstand. Vooral in Drente en Overijssel siert het krentenboompje zomen van bossen. In steden staan ze in parken, plantsoenen en tuinen.

In het voorjaar lijken ze eigenlijk overal te staan. Aan de witte waas ontkom je niet. De rest van het jaar vallen ze niet zo op, todat het krentenboompje zich in het najaar hult in een oranjegele waas. Een enkeling waagt zich aan de krent zelf, de vrucht wel te verstaan.

Het krentenboompje (Amelanchier lamarckii) was inheems in Noord-Amerika. Heden ten dage komt krent daar niet meer voor. Het vroegere onderscheid tussen soorten, nl. Amelanchier laevis en Amelanchier canandensis, is in de loop van de tijd niet houdbaar gebleken. Tegenwoordig wordt alles lamarckii genoemd. De enige soort krent die in Europa voorkomt, is Amelanchier ovalis in gebieden ten zuiden van de Alpen en in de berggebieden van Midden- en Oost-Europa.

Het krentenboompje (Rosaceae) is in ons land vooral in Drente en delen van Overijssel verwilderd. Het wordt ook wel Drents krentenboompje genoemd, elders

Amelanchier in bloei, een witte bloemenwolk

noemt men hem gewoon krent. In de 17de en 18de eeuw is krent ingevoerd. In het begin zijn nog zuivere soorten geplant. Tegenwoordig is de soort nauwelijks meer te herleiden vanwege kruis- en zelfbestuiving en de grote fenotypische variatie, die binnen het geslacht voorkomt. Krentenbloei is er in april en mei, ze valt vrijwel gelijktijdig met die van peer, pruim en sierprunus. Krent komt vooral op licht vochtige zand- en zure grond voor.

Een krent wordt maximaal tot tien meter hoog. Het is een bladverliezende, breed uitgroeiende boom of struik. Vermeerdering vindt plaats door zaaien, afsteken van

Amelanchier geeft na de bloei eetbare bes

schot op worteluitlopers of enten. Het zaad wordt uit de krent gewonnen door de bessen ongeveer twee weken te laten broeien, waardoor het zaadomhulsel verslijmt. Het vruchtvlees kan hierna gemakkelijk worden weggewassen. Zaaien in augustus of in het voorjaar. Voor zaaien in het voorjaar moet het zaad in de winter koude kunnen krijgen (koude prikkel) om te kunnen kiemen. Enten van krent komt steeds meer in zwang. Kwekers kunnen hierdoor selecties van krent op stam aanbieden. Krent wordt geënt op meidoorn of lijsterbes.

De krent bloeit op voornamelijk op kortloten aan scheuten van het voorgaande jaar. Aan de voet van de bloeiwijze, in de oksel van een van de bladen, ontwikkelen zich in juni alweer bloemen in knop voor het volgende jaar. Krentenbloei begint voor het uitlopen van het blad. Pas uitgelopen blad is in het begin viltig behaard. De krenten van de krent zijn schijnvruchten. De zaden liggen opgesloten in een vier- tot tienhokkig klokhuis. Ze worden ongelijktijdig rijp, zodat groene, donkerrode en blauwzwarte vruchten door elkaar aan de struik voorkomen. Wie krent wil eten, zal dus regelmatig de struik moeten afzoeken naar rijpe vruchten met veel vitamine A.

De krent is van nature zoet, er kan jam van worden gemaakt of laat ze drogen, zodat ze later in compote kunnen worden gebruikt. Of gebruik ze als vervanger van krenten. De zaden bevatten amygdaline, dat licht giftig kan zijn. Zorgen hoeft

Van de eetbare bessen (schijnvruchten) is jam te maken

u zich niet te maken, de zaden verteren nauwelijks of niet in de maag. Ook vogels (merel, lijster en spreeuw) zijn gek op de krent. Ze zijn er meestal eerder bij dan u. Door vogels heeft de krent een groot verspreidingsgebied gekregen. De zaden worden her en der uitgepoept.

Snoeien

Een krent moet af en toe na de bloei worden gesnoeid om meer licht in de struik te brengen of – als de bloei minder wordt- er kan een aantal oude takken worden verwijderd. Wie van krent een boompje wil maken, zal in het begin moeten snoeien. Kies in dat geval één stevige tak uit en snoei de rest van de stengels/takken volledig weg. Snoei zijscheuten op deze ene tak terug tot eenderde van hun lengte, maar laat scheuten aan de top ongemoeid. Snoei de zijscheuten op de zich ontwikkelende stam op deze manier enige jaren achter elkaar, totdat de stam dik genoeg en stevig genoeg is om de kroon te dragen. Als de stam dik genoeg is, mogen alle zijscheuten tot aan de kroon bij de stam af worden weggeknipt.

Fenotypisch/fenotype: dit is de uiterlijke verschijningsvorm als resultaat van onder meer milieu-invloeden op de erfelijke aanleg, zoals in de genen is vastgelegd.

Komt Andromeda om door de nevel?

De Andromeda-nevel komt met een snelheid van 600.000 km per uur op onze melkweg af. Computersimulaties hebben uitgerekend wat voor een effect dat zal hebben. Inderdaad: boem. Of de aardse Andromeda en mensheid dat nog zullen meemaken… De simulaties moesten namelijk een periode van miljarden jaren overbruggen.

Andromeda behoort tot de heide-achtigen, Ericaceae. Het verspreidingsgebied van deze plant ligt van oorsprong in Zuid-Oost-Azië. Andromeda (Pieris) groeit samen met enkele rododendron-soorten op hellingen van in nevelen gehuld laaggebergte. De meeste soorten hebben hun oorsprong in Japan of komen van de lage hellingen van het

Pieris floribunda 'Forest Flame'
Pieris floribunda ‘Forest Flame’

Himalaya-gebergte. Pieris floribunda, die een van de best verkrijgbare en toegepaste soorten in ons land is, komt uit het Alleghany-gebergte in het zuidoosten van de Verenigde Staten van Amerika. Andromeda is groen blijvend en een sierlijk accent voor iedere tuin.

Niet voor een heidetuin alleen

Andromeda groeit op iedere humusrijke tuingrond mits de plant een tegen felle zon beschutte plaats krijgt. Op een halfschaduwrijke plaats komt de plant het beste tot zijn recht. Het fraaie van de plant is, dat de meeste soorten met felrood of geelgroen gekleurde, nieuwe blaadjes in het voorjaar uitlopen. Bovendien is de bloei opvallend. Langs de bloeistengels,

Pieris 'Mouweville'
Pieris ‘Mouweville’

die ongeveer 10 cm lang worden, verschijnen bijna paarsgewijze bel-achtige bloemen. Dan ook blijkt pas de verwantschap met de heide-achtigen. De bloemen lijken echt wel op die van de Erica’s. De bloemen kunnen afhankelijk van de soort wit, roze, crème of rood zijn. De bloei valt in de periode maart tot en met mei.

Behalve dat Andromeda tijdens het uitlopen van nieuw blad opvalt en fraaie bloemen krijgt, wordt de plant gekenmerkt door leerachtig en groenblijvend blad. De bladeren zijn diep- of lichtgroen en er komen soorten voor die langs de bladrand een geel tot geelwit lijnpatroon hebben. Nieuwe blaadjes worden vrijwel het gehele jaar gevormd, zodat ze tegen de achtergrond van de oudere bladeren altijd fraai afsteken. Er is steeds wel wat te beleven aan deze plant en daardoor is het beslist geen saaie plant, vergeleken met tal van andere ‘groenblijvers’.

Soorten en kleuren

Andomeda is zo geschikt voor de meeste tuinen, doordat de struik beperkt in hoogte en omvang blijft. De hoogte varieërt van 1,25 – 2,50 meter, terwijl de breedte meestal niet de één meter te boven gaat. De plant groeit heel langzaam en doet er jaren over om z’n maximale omvang en hoogte te halen. Om gemakkelijk een keuze te kunnen maken zijn de soorten met hun variëteiten in onderstaande tabel gegeven.

Botanische naam Kleur Hoogte (cm) Bloeitijd
Pieris japonica wit 150 3-4
Pieris jap. ‘Debutante’ wit 150-250 3-5
Pieris jap. ‘Dorothy Wijckhoff’ wit 150-250 3-5
Pieris jap. ‘Flamingo’ donkerrose 150 3-4
Pieris jap. ‘Purity’ wit 125 4-5
Pieris jap. ‘Rosalinda’ roserood 15-250 3-5
Pieris jap. ‘Select’ wit 125 3-4
Pieris jap. ‘Sinfonia’ wit 150 3-4
Pieris jap. ‘Valley Rose’ lichtrose 125 3-4
Pieris jap. ‘Valley Valentine’ wit (rood hart) 150-250 3-5
Pieris jap. ‘Variegata’ wit 150 3-4
Pieris jap. ‘White Cascade’ wit 150 3-4
Pieris jap. ‘White Pearl’ wit 150-250 3-5
Pieris floribunda wit 175 3-5
Pieris floribunda ‘Forest Flame’ wit 150 3-5
Pieris ‘Flamingo Silver’ wit 150-250 3-5
Pieris ‘Mouweville’ groenwit 150-250 3-5

Anisodontea, een Malva-achtige uit Zuid-Afrika

Anisodontea capensis is een struikachtige plant, waarvan je lang plezier kunt hebben. Eerst stond hij bekend onder de naam Malvastrum capensis. Een rijkbloeiende plant voor in een ruime pot of kuip, voor op het terras of het balkon.

Anisodontea capensis is niet alleen een mondvol, maar ook altijd vol met bloemen getooid

Anisodontea behoort net zoals onder meer Hibiscus, Lavatera en stokroos (Alcea) tot de Malviflorae. Vergelijk je de bloemen onderling, dan is er veel verwantschap te bespeuren. De enkelvoudige bloemkelk en de lange meeldraden zijn daar een voorbeeld van.
Anisodontea heeft kleine, onregelmatig gelobde bladeren aan sliertige stelen. De bloemen lijken op een miniatuuruitgave van Hibiscus. Ze staan aan korte scheuten nabij de topscheuten. De stelen zijn behoorlijk taai en laten zich niet zo maar afbreken. Bloemen zijn ongeveer twee centimeter groot. Ze verschijnen in perioden tussen het vroege voorjaar en de late zomer. De plant is een liefhebber van warmte en zon en kan tot één meter tachtig hoog worden.

In de winter moet de plant binnen worden gehouden bij een temperatuur, die niet lager mag zijn dan 12° – 15° C. Snoei de plant na de laatste bloei in model. Een betere compacte plant en bloei is dan verzekerd. Tijdens de zomer, vooral bij warm weer, moet de grond waarin de plant staat, goed vochtig worden gehouden. Na de bloei en tijdens de rustperiode de watergift terugbrengen naar één keer per week een beetje. Tijdens de bloei eens per maand vloeibare kamerplantenmest toedienen.

Anisodontea kan in de zomer worden gestekt. Maak stek van een topscheut. Snij onder een blad de stengel met een scherp mes door en plant deze in met zand verschraalde potgrond. Stekken wortelen snel, ook zonder groeistof. Pot de bewortelde stek op in potgrond. Leuk om uw buren eens cadeau te doen.

Soms ook is Anisodontea ‘African Queen’ te koop. Dit is een hybride van A. scabrosa x A. hypomadarum. Hoewel deze plant veel op A. capensis lijkt, zijn de bloemen groter en licht zachtroze van kleur.

Duivelswandelstok

De duivelswandelstok of engelenboom is een markante struik of kleine boom. Het duivelse zit hem in de gemene stekels op de stam. Wie daarmee in aanraking komt, kan lelijke wonden aan handen of armen oplopen. De schermen met bladeren zitten aan de top, daardoor is het een decoratieve struik.

Een duivelswandelstok heeft scherpe
stekels op de stam

De duivelswandelstok (Arália elata) behoort tot de klimopachtigen (Aráliaceae) en is dus familie van de gewone klimop. De familieband is pas zichtbaar als de bloemen worden vergeleken. De soorten hebben een bolschermvormige bloeiwijze. De meeste andere soorten van de klimopfamilie, onder andere Acanthopanax en Kalopanax, dragen scherpe stekels op takken en twijgen.
Een duivelswandelstok heeft lange bladstelen met daaraan twee- tot driemaal geveerde bladeren. De schermen met bladeren zijn kolossaal groot en groeien in alle richtingen. De schermen zijn licht gebogen en staan vrijwel horizontaal op de stam. De struik heeft een sterk architectonische vorm: kale opgaande stammen met platte schermen daarop.

De duivelswandelstok is inheems in Japan en groeit daar in open bossen en op vlakten. De struik is bladverliezend. De bloei begint in juli en loopt door tot in oktober. Bloemen worden druk bezocht door bijen. Tijdens de bloei is de struik omringd met een zoete lucht. De bloemen die zijn bevrucht laten hun kelkblaadjes vallen. Onder de struik ligt dan een tapijt van crèmekleurige bloemresten.

Wanneer de donkere zwartblauwe bessen eenmaal zijn gerijpt, dalen zwermen spreeuwen op dit lekkere hapje neer. Het tijdstip van rijp zijn van de bessen valt vrijwel gelijk met de aanstaande trek van de spreeuwen. In een mum van tijd zijn de bessen verdwenen, sapspetters van de bessen en spreeuwenpoep worden als dank achtergelaten.

Bloemen staan in een scherm   Aralia heeft zwarte bessen
Bloei met lange, pluimvormige schermen. Besvruchten staan in
kleine kransen
De zwartblauwe bes wordt graag door spreeuwen gegeten

Soorten

Arália leent zich goed om als solitair in zowel voor- als achtertuin te worden geplant. De struik heeft geen snoei nodig. Wel is het oppassen geblazen met de wortelopslag, waaruit nieuwe struiken ontspringen. Voordeel is dat je door deze wortelopslag altijd beschikt over een vervangende struik als de ‘oude’ struik te groot wordt.

* Arália elata – struik/kleine boom tot tien meter hoog; met groen blad.
* Arália elata ‘Variegata’ – heeft een smal wit randje langs het blad.
* Arália elata ‘Aureovariegata’ – blad is goudgeel gerand.

Asimina triloba uit Noord-Amerika

Asimina triloba is de enige soort uit de familie van de Annonaceae, die in Nederland en België buiten kan worden gekweekt. Diverse andere Annonaceae leveren bekende, tropische, eetbare vruchten, zoals papaja en zuurzak. Asimina triloba komt in veel gebieden in Noord-Amerika voor en is absoluut winterhard.

Een echte Nederlandse naam heeft Asimina niet, maar soms wordt hij wel pawpaw tree genoemd. Verre van Nederlands, maar als men dat mooier vindt dan Asimina,

Asimina triloba
Asimina triloba

dan moet het maar. We gaan langzamerhand (2008) toch al ten onder aan allerlei Engelse woorden en uitdrukkingen, dus deze lelijke naam kan er ook nog wel bij.

Asimina is in ons land een kleine boom of grote struik, die in april-mei bloeit met kleine, hangende bloemen, die donkerbruin van kleur zijn. In een voorjaar met veel nachtvorsten is de kans groot, dat er geen enkele bloem verschijnt, want de knoppen vallen dan voortijdig af. In sommige jaren is de bloei erg rijk, maar dan nog is het niet een boom die al vanaf grote afstand opvalt. Daarvoor zijn de bloemen te klein en is de kleur te onopvallend. In gunstige jaren kan het gebeuren, dat er vruchten gevormd worden, maar bij de ons bekende exemplaren zijn nooit vruchten gezien.
Pas na de bloei ontwikkelen zich de bladeren en in de herfst zorgt juist dit blad voor een extra show als het prachtig lichtgeel wordt.

Asimina stelt niet veel eisen aan de grond. Hij doet het goed in iedere normale tuingrond. Vanwege het formaat is het een goede heester/boompje voor een kleine tuin.
Asimina is in Nederland te koop. Via een hovenier of een boomkwekerij is deze soort wel te bestellen als hij in uw omgeving niet in een tuincentrum verkrijgbaar is. [ Wiert Nieuman, hortulanus Botanische Tuinen van Utrecht

]

Aucuba groeit waar bijna niets wil groeien

Er zijn van die situaties, dat je ten einde raad bent, omdat op een bepaalde plaats niets wil groeien. Je vraagt je dan af waaraan het ligt: is de grond niet goed, is het te donker? Soms ook willen planten niet groeien onder bijvoorbeeld een beuk of conifeer. Het is dan het proberen waard om Aucuba te planten.

Aucuba japonica ‘Variëgata’
is de meest gebruikte soort van Aucuba

Aucuba behoort tot de kornoeljeachtige (Cornaceae). Ze groeien in China en bij het Himalaya-gebergte. Alleen de soort afkomstig uit Japan is bij ons winterhard. John Graeffer voerde in 1783 de eerste struik in.

Zon of schaduw

Aucuba is een groenblijvende struik. De hoofdvorm is rondachtig. De hoogte bedraagt, afhankelijk van de omstandigheid, twee of drie meter. De struik is goed te gebruiken op plaatsen waar zelfs gras niet meer wil groeien. Onder linde, kastanje en beuk is de groei zelfs goed. Plant Aucuba bij voorkeur op een humusrijke of lichte kleigrond. In feite groeit de struik op alle gronden.
Het maakt in principe niet uit of Aucuba in de zon of schaduw wordt geplant. In de schaduw of halfschaduw is de bladkleur intenser groen en komen bij bonte variëteiten de gele of witte vlekken beter tot uiting. Ook de vorming van bessen is overvloediger in een donkere situatie dan in de volle zon. Bij vorst gaan de bladen hangen en krullen naar buiten om. Zelden bevriest Aucuba, zodat je gerust mag stellen dat de struik volkomen winterhard is.

Aucuba is tweehuizig: je moet een manlijke en vrouwelijke struik planten om vruchten te krijgen. Alleen de variëteit ‘Rozannie’ is hermafrodiet (tweeslachtig). Bladeren zijn dik leerachtig en staan op lange stelen. De bladlengte is fors: 8 – 18 centimeter. Voor opvallende bloemen hoef je Aucuba niet aan te schaffen. De hoofdbloei is in juli – augustus. De bloemen zijn purperkleurig. Opvallender zijn de rode, gele of witte bessen. Elke bes bevat een zaadje.

Soorten en variëteiten Bijzonderheden
Aucuba japonica ‘Dentata’
Donkergroen glanzend blad met aan het einde een tanding. Rode bes. Sterke soort. Groeit het beste in de halfschaduw.
Aucuba japonica ‘Longifolia’
Heeft lang en smal blad. De variëteit komt ook voor onder de namen ‘Angustifolia’ of ‘Salicifolia’. Rode bes.
Aucuba japonica ‘Picturata’
Sterke variëteit met een grote gele vlek in het midden van het blad en kleinere langs de randen. Wordt ook wel verkocht onder de naam ‘Nakasu’.
Aucuba japonica ‘Crotonifolia’
Heeft opvallend groter blad dan de andere variëteiten. Blad met heel veel gele vlekken, sterk getand. Groeit in vrijwel alle situaties.
Aucuba japonica ‘Variëgata’
De meest verkochte variëteit. De intensiteit en hoeveelheid gele spikkels is afhankelijk van de groeiplaats. Sterke soort. Groeit in alle situaties.
Geen afbeelding Aucuba japonica ‘Fukurin’ heeft groen blad met een gele, later roomwitte rand. Is een nieuwe cultuurvariëteit.

Aucuba japonica ‘Rozannie’ draagt van jongsaf aan veel rode vruchten. De plant is tweeslachtig.

Winterhard aan de kust en in de stad: Azara dentata

Deze tot 3 meter hoge en wintergroene heester is bij het grote publiek totaal onbekend. In vakkringen geldt deze prachtige struik nog steeds als niet winterhard, maar in de Botanische Tuinen van Utrecht staat hij al meer dan tien jaar op een open plek, zonder daar ooit noemenswaardige winterschade opgelopen te hebben. In de kustprovincies en ook in grote steden kan deze heester gerust het predikaat winterhard krijgen. Op plaatsen waar Azara in de winter aan koude, snijdende

Azara dentata
Geen kelk en kroon

oostenwind is blootgesteld, kan een bescherming met een rietmat wenselijk zijn.
In strenge winters kan deze plant een groot deel van zijn blad verliezen zonder daar verder blijvende schade aan over te houden.

Azara dentata (familie: Flacourtiaceae) komt oorspronkelijk uit Chili en is daarmee een van de weinige houtachtige gewassen uit dat gebied, die in ons klimaat buiten gekweekt kunnen worden. Azara dentata heeft blaadjes van enkele centimeters groot en onderscheidt zich daarmee van Azara microphylla, die – zoals de naam al aangeeft – kleine blaadjes heeft. De bloemen van Azara microphylla zijn ook onopvallend en het is daarom merkwaardig, dat juist deze soort iets bekender is en in de betere tuinboeken weleens wordt genoemd.

Azara dentata bloeit in het late voorjaar (mei-juni) met gele bloemen, die voornamelijk uit meeldraden bestaan. Kelk- en kroonbladen ontbreken. Ondanks de afwezigheid van kelk en kroon vallen de bloemen toch van een grote afstand op. In sommige jaren kan de bloei zo rijk zijn dat het blad schuilgaat achter de bloemen.
Deze Azara heeft een opgaande groei en vormt een vrij dichte struik. Snoeien is gewoonlijk niet nodig. Als verjongingssnoei wenselijk is, kan dat in april worden gedaan. Houd er dan wel rekening mee, dat de bloei dat jaar veel minder zal zijn.
Deze heester houdt van normale tuingrond, die niet te droog mag zijn. Vermeerderen gaat prima door zomerstek. Het gebruik van stekpoeder is niet nodig. [ Wiert Nieuman, hortulanus Botanische Tuinen van Utrecht

]

Zuurbes voor prik en pracht

Zuurbes (Berberis) is er te kust en te keur. Er zijn bladverliezende en bladhoudende soorten, soorten met aardige bloemen en mooie bessen. Wat ze allemaal gemeen hebben, zijn gemene doornen aan twijgen en bladeren. Sommige zijn geschikt om er een haagje mee te maken, andere lenen zich uitstekend als solitair of om er een vak mee in het openbaar plantsoen te vullen. Zo is er voor

Berberis thunbergii
Berberis thunbergii ‘Atropurpurea’ is een bruinbladige cultuurvariëteit

ieders smaak en voor tal van doelen wel een zuurbes te bedenken. Vooral roodbladige variëteiten vallen in de smaak, maar daar zou juist spaarzaam mee moeten worden omgegaan.

Berberis behoort tot de zuurbesachtigen (Berberidaceae). Veel soorten komen uit China, Indo-China, Zuid-Amerika, Japan of zijn inheems in Europa. Berberis vulgaris, de gewone zuurbes, komt in Nederland in verwilderde vorm voor. Vrijwel alle zuurbessen bloeien met geel getinte bloemen. Ze trekken insecten en bijen aan. Honden en katten hebben een hekel aan de stekelige struik, maar die niet alleen. Wie een keer zijn zuurbessenhaag moet knippen of snoeien, kan maar beter een paar stevige handschoenen aantrekken. In openbaar plantsoen is zuurbes een uitstekende papiervanger, waarvoor plantsoenarbeiders liever hun ogen sluiten. Wie denkt het snoei- of knipafval te kunnen laten liggen, komt het jaar erop bedrogen uit: de stekels vergaan buitengewoon langzaam. De stevige doornen van zuurbes zijn in feite vervormde bladen.

Berberis vulgaris   Berberis lologensis in bloei
Berberis vulgaris komt in Nederland
verwilderd voor
Berberis lologensis bloeit rijk met
diep oranjegele bloemen

In sommige graanverbouwende streken is de gewone zuurbes (Berberis vulgaris) uitgeroeid. Op bladeren, bloemen en vruchten kan zich een roestzwam (Aecidium berberidis) ontwikkelen. De sporen hiervan zijn schadelijk voor granen en grassen, waardoor zich graanroest (Puccinia graminis) op het gewas kan ontwikkelen.

Berberis heeft niet alleen fel gekleurde bloemen. Meestal zijn de eivormige, roodachtige of blauwe bessen wel zo aardig om te zien. Alle soorten zuurbes zijn winterhard. De bladverliezende soorten zijn over het algemeen wat sterker dan de wintergroene soorten. Zuurbes groeit op alle gronden, maar heeft een voorkeur voor wat zandige grond. Ze groeien op plaatsen in de zon, halfschaduw en schaduw. Naarmate ze minder worden blootgesteld aan de zon, groeien ze ijler en meer stakerig.

Snoeien

Kleinbladige zuurbes kan goed worden geknipt als haagje of als vormstruik, zoals wel wordt gedaan met Buxus. Alle

Berberis lologensis
Berberis lologensis is een groenblijvende hybride van zuurbes

zuurbessen reageren goed op verjongingssnoei. Wie zuurbes als haagje wil gebruiken, ziet maar zelden of heel weinig van de bessen. Een haagje van zuurbes wordt na de bloei in vorm geknipt. Wie toch veel bessen wil zien, knipt in de herfst of aan het begin van de winter. Alle overige snoei wordt midden tot eind van de winter uitgevoerd.

De roodbladige cultuurvariëteiten zijn geschikt als solitair. Leuk als incident voor op balkon of accent in de tuin, maar als haagje of beplanting in een groep ‘schreeuwen’ ze om alle aandacht. Gebruik ze daarom spaarzaam. Beter is het om echt mooie solitairs van zuurbes te gebruiken als er een accent nodig is: Berberis koreana of Berberis hybrido-gagnepainii ‘Chenaultii’ (synoniem is Berberis chenaultii). Of kies voor Mahonia bealei, Mahonia bealei ‘Gold Dust’ of Mahonia bealei ‘Hivernant’. Deze soort en variëteiten van Mahonia lijken op een grote uitvoering van zuurbes.

De bladeren zijn decoratief en tussen de dertig tot vijftig centimeter lang. Het zijn alle groenblijvende struiken met geelachtige bloemen, die in de winter (december – januari) aan de struik verschijnen en met donkerblauwe bessen in maart – april.

Soort/variëteit Hoogte (cm) Bijzonderheden
B. aggregata 100 Beplanting in groep. Zalmrode bes. Groenblijvend.
B. buxifolia
‘Nana’
50 Heeft zelden bessen. Hagen.
B. candidula 50 Glimmend groen blad. Voor hagen en in groep.
B. darwinii 200 Vormt overhangende twijgen. Bloemen in mei, geel met rode vlekken. Donker paarsblauwe bes. Solitair en in groep.
B. x frikartii
‘Amstelveen’
90 Met overhangende twijgen en compacte groeiwijze. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. x frikartii
‘Telstar’
120 Met smalle bladeren, compacte groeiwijze. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. gagnepainii
var. lancifolia
200 Smal, dofgroen blad. Losse groeiwijze. Mooie blauwe bes. Groenblijvend.
B. hybrido-gagnepainii
‘Chenaultii’
150 Dofgroen blad. Breed uitgroeiend. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. x interposita
‘Wallich’s Purple’
125 Glimmend groen blad. Bruinrode twijgen. Dicht vertakt. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. julianae 175 Groot langwerpig glanzend groen blad. Blauwe bes. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. koreana 150 Groot zachtgroen blad. Blauwe bes. Rode herfstkleur. Voor beplanting in groep.
B. linearifolia
‘Orange King’
125 Smal blad. Grote, oranjekleurige bloem. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. x lologensis 100 Glimmend groen blad. Oranjerode bloem. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. x lologensis
‘Apricot Queen’
100 Glimmend groen blad. Breed opgaande groeiwijze. Abrikooskleurig bloem. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. x lologensis
‘Mystery Fire’
150 Glimmend groen en stekelig blad. Opgaande groeiwijze. Oranjegele bloem. Voor beplanting in groep. Groenblijvend.
B. x media
‘Parkjuweel’
100 Glanzend donkergroene, ovale bladeren. Weinig stekelig. Geschikt voor haag en vakbeplanting. Half wintergroen.
B. x media
‘Red Jewel’
100 Loopt met bruinrood blad uit, later groen. Weinig stekelig. Geschikt voor haag en vakbeplanting. Half wintergroen.
B. x mentorensis 150 Dichte groeiwijze. Krachtig opgaande groeiwijze. Rode herfstkleur. Geschikt voor haag en vakbeplanting. Half wintergroen.
B. ottawensis
‘Superba’
200 Opgaande groeiwijze. Roodbruine twijgen. Wijnkleurig blad. Helderrode bes. Voor vakbeplanting.
B. x rubrostilla
‘Barbarossa’
120 Breed opgaande groeiwijze. Roodbruine twijgen. Mooie herfstkleur. Scharlakenrode bes. Voor vakbeplanting.
B. x rubrostilla
‘Buccaneer’
100 Breed opgaande groeiwijze. Twijgen geelachtig. Witroze bes. Voor vakbeplanting.
B. x rubrostilla
‘Fireflame’
100 Opgaande groeiwijze. Rode herfstkleur. Karmijnrode bes. Voor vakbeplanting.
B. x rubrostilla
‘Pirate King’
100 Opgaande groeiwijze. Twijgen bruinrood. Rode herfstkleur. Lichtrode bes. Voor vakbeplanting.
B. stenophylla
‘Autumnalis’
75 Breed uitgroeiend. Bloeit in mei en aug. – sept. Oranje bloem. Voor vakbeplanting. Groenblijvend.
B. stenophylla
‘Handsworth’
200 Hoog opgroeiend met overhangende twijgen. Oranjegele bloem. Voor vakbeplanting. Groenblijvend.
B. thunbergii 100 Japanse zuurbes. Met bijna gaafrandig blad. Lichtgele bloem. Voor vakbeplanting en haagje. Opvallende herfstkleur.
B. thunbergii
‘Atropurpurea’
100 Japanse zuurbes. Met roodbruin blad. Lichtgele bloem. Voor vakbeplanting en haagje.
B. thunbergii
‘Atropurpurea Nana’
40 Bossige, dichte groeiwijze. Roodbruin blad. Lichtgele bloem. Voor laagblijvend haagje.
B. thunbergii
‘Carpetbagger’
30 Laagblijvend struikje. Groen blad. Voor bodembedekking.
B. thunbergii
‘Green Carpet’
25 Plat groeiend struikje. Groen blad. Rode vruchten. Voor bodembedekking.
B. thunbergii
‘Green Ornament’
150 Opgaande groeiwijze. Donkergroen blad, in herfst geel tot bruingeel. Vakbeplanting.
B. verruculosa 100 Breed uitgroeiende groeiwijze. Helder glanzend, groen blad. Purperviolette bes. Vakbeplanting. Groenblijvend.
B. vulgaris 150 Gewone zuurbes. Groot, dofgroen blad. Bloemen in tros. Scharlakenrode bes. Vakbeplanting, solitair, haag.
B. vulgaris
‘Atropurpurea’
150 Groot, roodbruin blad. Bloemen in tros. Twijgen bruinrood. Vakbeplanting, solitair, haag.
B. wilsoniae 100 Dichtgroeiend. Blad dofgroen. Twijgen bruinrood. Bes in tros zalmkleurig rozerood. Mooie herfstkleur. Vakbeplanting.

Een beukenhaag

Beukenhagen worden al gebruikt sinds er sprake is van tuinkunst in Europa. Beukenhagen zijn en worden toegepast als achtergronddecor voor de opstelling van beelden in de tuin, om zichtlijnen letterlijk te lijnen en om de tuin die beslotenheid te geven, waardoor het predicaat ‘tuinkamer’ op z’n plaats is. Een beuk laat zich goed in vorm snoeien, waardoor niet alleen verticale, ornamentale sculpturen kunnen ontstaan, maar ook keurig strak geschoren wanden de tuinruimte nader bepalen.

   
De beuk behoudt in
de winter z’n blad
Aan het begin van het voorjaar is het meeste blad verdwenen In de zomer is een beukenhaag absoluut dicht

Haagplantsoen van beuk kopen

Beuk voor een haag wordt verhandeld als haagplantsoen of bosgoed: als tweejarige zaailing (1a1), als tweejarige verplante zaailing (1/2) en als geveerde spil (gev.spil). Daarnaast is beuk in diverse hoogten verkrijgbaar: 40 – 60, 50 – 80, 60 – 100, 100 – 125, daarna in hoogte oplopend met vijfentwintig centimeter tot een maat van drie meter. Hoe hoger het haagplantsoen, des te hoger de prijs, maar ook des te beter het effect na aanplant. Als haag is de gewone beuk (Fagus sylvatica) geschikt. Het beste uitgangsmateriaal is in container gekweekte beuk of – als dit niet te krijgen is – als wortelgoed. Let erop, dat aan wortelgoed nog grond tussen de wortels zit en dat de struikjes niet verdroogd zijn. Een beuk heeft voor een goede (her)groei absoluut een schimmel (mycorrhiza) nodig. De beuk groeit het beste in de zon tot maximaal halfschaduw. Zorg ervoor, dat de haag de ruimte krijgt om als haag te groeien. Er moet tussen heesters en/of vaste planten die in de buurt van de haag groeien, ten minste een tussenruimte van een halve meter zijn, wil de haag niet kaal worden of iel in het blad staan.

Beukenhaag planten

Een beukenhaag kan als enkele rij, dubbele rij of meerrijig worden geplant.

Uitbottende bladknop

De plantafstand in de rij bedraagt dertig tot vijfendertig centimeter en dezelfde afstand wordt aangehouden als er meer rijen worden geplant (‘afstand tussen de rij’). Span om een rechte haag te krijgen een touw in de gewenste lengte. Graaf langs de lijn een geul met een diepte van ten minste dertig centimeter. Plant vervolgens de beuken stuk voor stuk langs de lijn. Vul de grond goed aan rond de wortels. Plant niet dieper dan de jonge beukjes op de kwekerij stonden. Dit is goed te zien aan de wortelhals. Die is namelijk lichter van kleur. Nadat de beuk op z’n goede plaats staat: spreid een schep grond over de wortels en trek de beuk met een lichte ruk iets omhoog. Hierdoor komt de grond goed tussen de wortels. Dicht het plantgat en trap de grond lichtjes aan rondom de wortelhals enzovoort tot de rij(en) af zijn.

De gewone beuk behoudt in de winter z’n blad in tegenstelling tot de haagbeuk (Carpinus betulus). De bladen van de gewone beuk verkleuren in de herfst naar tabaksbruin. Pas vanaf begin april vallen de bladen af. Dan ook zijn de nieuwe, bruine, spitse bladknoppen zichtbaar. De nieuwe bladen ontrollen zich in snel tempo uit de knop. In korte tijd is de haag weer getooid met groene bladen. Het voordeel van een beukenhaag is dat zowel in de zomer als de winter sprake is van een ‘gesloten’ wand.

 
Beukenhagen accentueren de ruimte Met gewone beuk zijn ook ‘poefs’ te maken.

Een beukenhaag wordt doorgaans twee keer per jaar in vorm geknipt. Kort na het uitlopen (half mei) en nog een keer voor de herfst (medio augustus).
Vooral jong blad, dat verborgen heeft gezeten onder andere bladen, kan door felle zonneschijn verbrandingsverschijnselen gaan vertonen. In principe is daar niets tegen te doen. In de loop van de zomer groeien weer nieuwe bladen aan de haag en lost het probleem zichzelf op.

Plagen

Het is normaal dat beukenhagen soms last hebben van bladluis. Deze blauwachtig witte luizen zijn te bestrijden met Luisspray of Spruzit (Ecostyle), maar een bespuiting hoeft pas te worden uitgevoerd als de aantasting erge vormen heeft aangenomen.

Beukenblad kan door de zon verbranden

Bladluizen verdwijnen vanzelf na een hevige regenbui. Ze kunnen ook met een flinke straal water worden weggespoten.
De laatste jaren (vanaf 2002) wordt de beuk geplaagd door witte vlieg. Deze tot drie millimeter grote, wit bepoederde insecten zitten aan de onderzijde van het blad. Bij aanraking vliegen ze op in kleine wolken. Veelal gaat de aantasting gepaard met honingdauw. Het is niet echt schadelijk voor de beuk. Bestrijding: Luisspray (Ecostyle).
Een enkele keer komt beukenwolluis voor. De luizen zijn wit van kleur en zien er wollig uit. Deze luizen overwinteren in de koppen van de beuk. Het beste tijdstip voor bestrijding is kort na de winter als de beuk z’n blad grotendeels heeft laten vallen. Promanal (Ecostyle) kan hiervoor worden gebruikt.

De beuk als (solitaire) boom met variëteiten: hoge bomen vangen veel wind.